Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:5871

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
16-01-2020
Zaaknummer
C/05/357090 / KG ZA 19-337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbesteding. Geen sprake van een fout in de inschrijving die zich leent voor herstel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2020/1349
JAAN 2020/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/357090 / KG ZA 19-337

Vonnis in kort geding van 5 november 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Eiser]

gevestigd te Noordeloos,

eiseres,

advocaat mr. D.R. Versteeg te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ARNHEM,

zetelend te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. E.E. Zeelenberg te Nijmegen,

waarin heeft gevorderd als tussenkomende partij, althans voegende partij aan de zijde van de gemeente, te worden toegelaten:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam B.V.] B.V.,

statutair gevestigd te Buren,

eiseres in het incident tot tussenkomst, althans voeging,

advocaat mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [Eiser], de gemeente en [Tussenkomende] worden genoemd.

1 De procedure

in de hoofdzaak en in het incident tot tussenkomst, althans voeging

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 6

  • -

    de nagezonden producties 7 tot en met 9 van [Eiser]

  • -

    de nagezonden productie 10 van [Eiser]

  • -

    de producties 1 tot en met 4 van de gemeente

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst, althans voeging van [Tussenkomende]

  • -

    de mondelinge behandeling van 22 oktober 2019

  • -

    de pleitnota van [Eiser]

  • -

    de pleitnota van de gemeente

  • -

    de pleitnota van [Tussenkomende].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in de hoofdzaak en in het incident tot tussenkomst, althans voeging

2.1.

De gemeente heeft op 18 april 2019 de nationale openbare aanbesteding van de opdracht “Meerjarig onderhoud civieltechnische Kunstwerken” in de markt gezet. In de daartoe uitgebrachte aanbestedingsleidraad staat onder meer het volgende vermeld:

‘(…)

5 Inschrijvingsprocedure

(…)

5.3

Inschrijving (rechts)personen

(…)

5.3.3

BEROEP OP DRAAGKRACHT DERDEN

Indien inschrijver gebruik maakt van onderaannemers is de inschrijver de hoofdaannemer. Indien inschrijver een beroep doet op derden om aan de geschiktheidseisen te kunnen voldoen, dient inschrijver in deel IIC van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument aan te geven voor welke geschiktheidseisen een beroep op de onderneming van de onderaannemer wordt gedaan. Inschrijver dient aan te kunnen tonen daadwerkelijk te kunnen beschikken over de noodzakelijke middelen van de onderaannemer(s) gedurende de uitvoering van de opdracht. In het geval inschrijver een beroep doet op de draagkracht van derden, dient hij deze derden daadwerkelijk gedurende de uitvoering van de opdracht in te zetten voor de desbetreffende onderdelen van de opdracht. Indien bovenstaande van toepassing is, overlegt inschrijver bij de inschrijving een Verklaring beroep op derden, zie bijlage 2.

(...)

5.5

Geschiktheidseisen

(…)

5.5.4

TECHNISCHE EN BEROEPSBEKWAAMHEID

A. Eisen ten aanzien van kwaliteitswaarborging

Inschrijver dient te verklaren dat hij over de volgende kwaliteitscertificaten beschikt:

(…)

3. een geldig BRL3201-certificaat of gelijkwaardig voor toepassing van specialistische instandhoudingstechnieken voor betonconstructies.

(…)’

2.2.

[Eiser] en [Tussenkomende] hebben tijdig op de opdracht ingeschreven. Onderdeel van de inschrijving vormde een plan van aanpak. Het plan van aanpak dat [Eiser] bij haar inschrijving heeft ingeleverd, vermeldt onder meer het volgende:

2.3.

Bij de inschrijving diende verder een ingevuld Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) te worden overgelegd. [Eiser] heeft in haar UEA, dat zij twee keer heeft ingediend in verschillende lay-out, in het kader van onderdeel IIC op de vraag of de ondernemer een beroep op de draagkracht van andere entiteiten doet om te voldoen aan de selectiecriteria van deel IV en de (eventuele) criteria en regels van afdeling V in beide documenten geantwoord door het vakje ‘nee’ aan te kruisen. In het UEA heeft [Eiser] ook geen verdere informatie verstrekt over een derde waarop beroep wordt gedaan, noch heeft zij daarbij een ‘Verklaring beroep op derden’ gevoegd.

2.4.

Bij brief van 27 juni 2019 is namens de gemeente onder meer het volgende aan [Eiser] bericht:

‘In het kader van de Nationale openbare aanbesteding meerjarig onderhoud civieltechnische kunstwerken van de gemeente Arnhem van 13 juni 2019 heeft uw organisatie een inschrijving ingediend. (…)

Op grond hiervan is uw inschrijving als inschrijving met de beste prijs-kwaliteitverhouding beoordeeld en is gemeente Arnhem voornemens de hiervoor genoemde opdracht aan uw organisatie te gunnen.

(…)’

2.5.

Op 1 juli 2019 heeft mevrouw [naam 1], werkzaam bij de gemeente, via het softwareprogramma CTM Solution een bericht aan [Eiser] gezonden. Dit bericht luidt als volgt:

‘Afgelopen donderdag heeft u inzake de aanbesteding Meerjarig onderhoud civieltechnische kunstwerken gemeente Arnhem de brief met het voornemen tot gunning ontvangen.

Wij verzoeken ter verificatie van uw inschrijving binnen twee werkdagen de navolgende bescheiden in te dienen.

(…)

3. Een kopie van een geldig BRL3201-certificaat of gelijkwaardig voor toepassing specialistische instandhoudingstechnieken voor betonconstructies.

Wij zien de gevraagde document graag per omgaande, doch uiterlijk binnen 2 werkdagen, tegemoet.’

2.6.

In reactie daarop heeft de heer [naam 2] namens [Eiser] op 3 juli 2019 (onder meer) een BRL3201-certificaat naar de gemeente gestuurd. Dit betrof het BRL3201-certificaat van [naam B.V. 2] (hierna: Brabotech), gevestigd te Etten-Leur en niet een van haarzelf.

2.7.

Op 4 juli 2019 is namens de gemeente vervolgens het volgende aan [Eiser] bericht:

‘Ik heb nog een vraag over het ingediende certificaat BRL 3201.

U heeft het certificaat van [naam B.V. 2] aannemingsbedrijf BV aan ons gestuurd. In de aanbestedingsleidraad staat het volgende:

Beroep op draagkracht derden

Indien inschrijver gebruik maakt van onderaannemers is de inschrijver de hoofdaannemer. Indien inschrijver een beroep doet op derden om aan de geschiktheidseisen te kunnen voldoen, dient inschrijver in deel IIC van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument aan te geven voor welke geschiktheidseisen een beroep op de onderneming van de onderaannemer wordt gedaan.

U heeft in uw eigen verklaring aangegeven dat u geen beroep doet op andere entiteiten om te voldoen aan de selectie criteria.

Kunt u dit nader verklaren?’

2.8.

De heer [naam 2] heeft daarop namens [Eiser] bij bericht van 8 juli 2019 aan de gemeente als volgt gereageerd:

‘Hierbij delen wij u mede, zoals wij ook hedenmorgen telefonisch hebben besproken, dat onze medewerkster abusievelijk is vergeten om in onze UEA aan te geven dat wij voor het BRL-certificaat een beroep doen op een derde, [naam B.V. 2] bv, voor het BRL-3201 certificaat terwijl wij al wel in het bezit waren van de door [naam B.V. 2] aan te leveren bescheiden.

De reden hiervoor is dat zij gewend is in de standaard UEA formaat (in bewerkbaar pdf formaat) te werken waar zij standaard weet waar zij dit in moet vullen. Is geen excuus maar wel de reden.

Zoals al aangegeven in ons gesprek van hedenmorgen is ons dit al 1 keer eerdere overkomen, bij de gemeente Rotterdam, waarna wij op verzoek van de gemeente Rotterdam het alsnog, als een eenvoudig te verhelpen gebrek, hebben aangeleverd.

Wij kunnen, op uw verzoek, de UEA en de ter beschikkingstellingsovereenkomst van [naam B.V. 2] alsnog aanleveren.

(…)’

2.9.

Bij brief van 11 juli 2019 is namens de gemeente onder meer het volgende aan [Eiser] bericht:

‘(…)

Op grond hiervan is uw inschrijving als inschrijving met de beste prijs-kwaliteitverhouding beoordeeld en was gemeente Arnhem voornemens de hiervoor genoemde opdracht aan uw organisatie te gunnen.

Echter hebben wij moeten constateren bij na controle van de bewijsdocumenten conform paragraaf 5.7.1 van de Selectieleidraad dat uw inschrijving niet voldoet. Uit het door u overgelegde BRL3201-certificaat van [naam B.V. 2] blijkt dat u kennelijk een beroep wilde doen op deze derde. In het UEA zoals door u is ingediend bij uw inschrijving heeft u echter aangegeven geen beroep op derden te doen in het kader van de geschiktheidseisen/selectiecriteria en ook was er bij uw inschrijving geen Verklaring beroep op derden gevoegd, zoals vereist in paragraaf 5.3.3 van de Selectieleidraad. Nadat wij u hierover om verduidelijking hebben gevraagd, heeft u bevestigd dat abusievelijk is vergeten om in het UEA aan te geven dat u voor het BRL-certificaat een beroep doet op een derde, [naam B.V. 2] bv. Helaas betreft dit een gebrek in uw inschrijving dat zich niet voor herstel leent. Uw inschrijving wordt dan ook alsnog uitgesloten van deze aanbesteding. De gemeente Arnhem trekt hierbij de voorlopige gunningsbeslissing van 27 juni 2019 in.

Als gevolg hiervan komt de inschrijver die op de 2e plaats is geëindigd in aanmerking voor het gunnen van de hiervoor genoemde opdracht: [Tussenkomende]

(…)’

2.10.

[Eiser] heeft de gemeente bericht het niet met de nieuwe voorlopige gunningsbeslissing eens te zijn, maar dat heeft er niet toe geleid dat de gemeente haar nieuwe gunningsbeslissing heeft ingetrokken.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

[Eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I de gemeente te gebieden [Eiser] een herstelmogelijkheid van haar inschrijving te bieden en de inschrijving van [Eiser] opnieuw te beoordelen, voor zover de gemeente de opdracht nog wenst op te dragen;

II de gemeente te verbieden de aanbesteding voort te zetten, althans over te gaan tot definitieve gunning, zolang [Eiser] niet is toegelaten tot de aanbesteding althans, zolang geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden;

III te bepalen dat de gemeente een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 500.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, bij schending van één van de hiervoor genoemde ge- en verboden, te vermeerderen met een bedrag van

€ 5.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt;

IV de gemeente te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

in het incident tot tussenkomst, althans voeging

3.3.

[Tussenkomende] vordert - na vermindering van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident

I primair [Tussenkomende] toe te staan tussen te komen in het rechtsgeding tussen [Eiser] en de gemeente;

II subsidiair [Tussenkomende] toe te staan zich te voegen aan de zijde van de gemeente in het rechtsgeding tussen [Eiser] en de gemeente;

in de hoofdzaak

III de vorderingen van [Eiser] niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen;

in het incident en in de hoofdzaak

IV [Eiser] en de gemeente te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.4.

[Eiser] en de gemeente hebben geen verweer gevoerd tegen tussenkomst van [Tussenkomende] in het kort geding.

in de hoofdzaak en in het incident tot tussenkomst, althans voeging

3.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

in het incident tot tussenkomst, althans voeging

4.1.

[Tussenkomende] vordert als tussenkomende partij te worden toegelaten in het rechtsgeding tussen [Eiser] en de gemeente. [Eiser] en de gemeente hebben geen verweer gevoerd tegen deze vordering en bovendien heeft [Tussenkomende] een rechtstreeks en in rechte te erkennen belang om als tussenkomende partij in het geding te komen, omdat [Tussenkomende] de inschrijver is aan wie de aanbestedende dienst voornemens is de opdracht te gunnen. Daarom zal [Tussenkomende] worden toegelaten als tussenkomende partij.

4.2.

[Eiser] en de gemeente zullen in de kosten van het incident worden veroordeeld, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

in de hoofdzaak

4.3.

[Eiser] vordert in dit kort geding veroordeling van de gemeente om aan haar een herstelmogelijkheid van haar inschrijving te bieden en deze opnieuw te beoordelen alsmede een verbod voor de gemeente om de aanbestedingsprocedure voort te zetten zolang die herbeoordeling niet heeft plaatsgevonden. [Eiser] legt aan deze vordering ten grondslag dat zij in haar UEA abusievelijk heeft aangekruist dat zij voor het uitvoeren van de opdracht geen gebruik zal maken van een onderaannemer en daartoe ook geen modelverklaring heeft overgelegd, terwijl zij altijd voornemens is geweest een beroep te doen op de technische bekwaamheid van [naam B.V. 2] als BRL3201-gecertificeerd bedrijf om de betonreparatiewerkzaamheden die onderdeel van de opdracht vormen te laten uitvoeren. Volgens [Eiser] is dat een omissie die zich leent voor eenvoudig herstel, zodat de gemeente herstel van die omissie overeenkomstig de regels van de onderhavige aanbestedingsprocedure, waaronder het ARW 2016, moet toestaan. De gemeente en [Tussenkomende] voeren verweer en stellen zich op het standpunt dat [Eiser] een formeel perfecte inschrijving heeft gedaan. Volgens de gemeente en [Tussenkomende] is geen sprake van een omissie die zich leent voor herstel, maar had [Eiser] achteraf gezien liever een beroep gedaan op een onderaannemer en wenst zij thans dus een nieuwe, andere inschrijving in te dienen. Dat is volgens de gemeente en [Tussenkomende] niet toegestaan, zodat de vordering van [Eiser] dient te worden afgewezen.

4.4.

De bovenstaande standpunten van partijen doen de vraag rijzen of [Eiser] een fout in haar inschrijving heeft gemaakt die zich leent voor herstel. Van een fout die zich leent voor herstel kan slechts dan sprake zijn, indien op het moment van inschrijven voor in dit geval de gemeente als aanbestedende dienst volstrekt duidelijk was wat de bedoeling van [Eiser] als inschrijver was en op basis van de inschrijving aldus onmiskenbaar was dat daarin een vergissing is gemaakt. [Eiser] stelt dat die duidelijkheid bestond en heeft in dat verband verwezen naar het door haar bij inschrijving ingediende plan van aanpak. In dat plan van aanpak heeft zij in de tabel bij onderdeel 3 achter het vak ‘BRL3201-gecertificeerd bedrijf’ ingevuld dat ‘de betonreparatiewerkzaamheden worden uitgevoerd door een BRL3201 gecertificeerd bedrijf’. Volgens [Eiser] valt daaruit zonder meer af te leiden dat zij daarmee een derde partij en niet zichzelf heeft bedoeld, omdat zij in de gevallen waarin zij wel zichzelf bedoelde in het plan steeds over ‘wij’ sprak. Op zichzelf zou het antwoord van [Eiser] afgezet tegen de overige antwoorden in de tabel kunnen leiden tot de gedachte dat [Eiser] in het kader van de betonreparatiewerkzaamheden inderdaad een beroep op de bekwaamheid van een derde wilde doen. Nergens staat echter vermeld welke derde dat dan zou betreffen. Verder geldt dat, anders dan [Eiser] betoogt, zij in het overige deel van haar plan van aanpak niet alleen zichzelf met ‘wij’ heeft aangeduid, maar ook over ‘wij’ heeft gesproken in het kader van de uitvoering van werkzaamheden waarvoor zij stelt altijd voornemens te zijn geweest [naam B.V. 2] als onderaannemer in te schakelen. Dit wijst er dan weer niet op dat [Eiser] van plan was beroep te doen op een derde voor die werkzaamheden. Dat [naam B.V. 2] input zou hebben geleverd voor het opstellen van het plan van aanpak en ook daaruit de bedoeling van [Eiser] zou blijken om met [naam B.V. 2] als onderaannemer in te schrijven, kan, nog daargelaten dat de gemeente van de inhoud van onderlinge correspondentie tussen [Eiser] en [naam B.V. 2] op het moment van inschrijven niet op de hoogte was, uit de daartoe overgelegde productie niet worden afgeleid en is daarom onvoldoende onderbouwd. Bezien in de gehele context van het plan van aanpak moet het er dan ook voor worden gehouden dat het door [Eiser] gegeven antwoord niet zodanig is dat voor de gemeente als aanbestedende dienst direct en volstrekt duidelijk was, althans had moeten zijn dat [Eiser] voor de werkzaamheden waarvoor een BRL3201-certificaat noodzakelijk is een beroep deed op een derde partij die de betreffende werkzaamheden vervolgens als onderaannemer voor haar zou gaan uitvoeren.

4.5.

Bij gebreke van duidelijkheid kan niet worden aangenomen dat het aankruisen van het antwoord ‘nee’ in het UEA en het vervolgens ook niet indienen van een ‘Verklaring beroep op derden’ op een kennelijke vergissing berust, zoals [Eiser] stelt. Als gevolg daarvan blijft de mogelijkheid bestaan dat [Eiser] op het moment van inschrijven aanvankelijk niet voornemens was [naam B.V. 2] of een andere derde in te schakelen met het oog op de uitvoering van de betonreparatiewerkzaamheden, maar daartoe na inschrijving alsnog heeft besloten. Indien [Eiser] werkelijk steeds de bedoeling heeft gehad met een onderaannemer op de opdracht in te schrijven, ligt niet voor de hand dat zij als antwoord op die vraag ‘nee’ invult en ook overigens niet op enigerlei wijze toelicht dat zij van plan is een derde in te schakelen en te vermelden wie dat dan is. Nu [Eiser] op zichzelf een formeel kloppende inschrijving heeft gedaan en op voorhand voor de gemeente niet duidelijk is geweest dat zij met haar inschrijving eigenlijk iets anders heeft bedoeld, zou herstel van die inschrijving niet zien op louter een eenvoudige precisering of een verbetering van een kennelijk materiële fout in de inschrijving, maar in het licht van het Esaprojekt-arrest (HvJ EU 4 mei 2017, zaak C-387/14, r.o. 41 ev) neerkomen op een wezenlijke en aanzienlijke wijziging van de oorspronkelijke inschrijving, die eerder lijkt op de indiening van een nieuwe inschrijving. Het toestaan van dergelijk herstel zou ertoe leiden dat [Eiser] in het kader van de uitvoering van de opdracht alsnog gebruik zou mogen maken van de expertise van een derde. Geconcludeerd moet daarom worden dat herstel leidt tot strijd met de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid, non-discriminatie en evenredigheid. Daarbij komt dat, daargelaten of de bedoelingen van [Eiser] voor de gemeente op basis van haar inschrijving (voldoende) kenbaar waren, in het kader van dit kort geding overigens ook niet duidelijk is of [Eiser] voorafgaand aan het moment van inschrijven concrete en duidelijke afspraken met [naam B.V. 2] heeft gemaakt over het inschrijven op de opdracht met [naam B.V. 2] als onderaannemer en met name of [naam B.V. 2] vervolgens ook werkelijk voor het uitvoeren van de betreffende betonreparatiewerkzaamheden zou worden ingeschakeld. Bij een tamelijk omvangrijke opdracht als de onderhavige, waarbij de totale omzet in de miljoenen loopt, ligt voor de hand dat schriftelijke vastlegging van die afspraken zou plaatsvinden en dat is in het onderhavige geval niet gebeurd.

4.6.

Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat sprake is van een fout in de inschrijving die zich leent voor herstel. De omstandigheid dat de gemeente bij het in de markt zetten van de opdracht kennelijk een ander formulier aan de inschrijvers ter beschikking heeft gesteld dan het gebruikelijke (bewerkbare format van het) UEA, maakt het voorgaande niet anders. Dat daarmee een fout in de hand is gewerkt, zoals [Eiser] betoogt, kan niet worden aangenomen. Ook het beroep van [Eiser] op artikel 2.21 lid 6 ARW gaat niet op. Die bepaling heeft immers betrekking op gevallen waarin herstel zou moeten plaatsvinden vanwege een kennelijke vergissing in de inschrijving, terwijl reeds is geoordeeld dat daarvan in dit geval niet kan worden gesproken. Nu van herstel geen sprake kan zijn, kan het uitblijven van het bieden tot een mogelijkheid daartoe ten slotte niet disproportioneel zijn. De vorderingen van [Eiser] strekkende tot veroordeling van de gemeente om aan haar een herstelmogelijkheid van haar inschrijving te bieden en deze opnieuw te beoordelen alsmede een verbod voor de gemeente om de aanbestedingsprocedure voort te zetten zolang die herbeoordeling niet heeft plaatsgevonden, zullen daarom worden afgewezen.

4.7.

[Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de gemeente en [Tussenkomende] ieder afzonderlijk tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 639,00

  • -

    salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.619,00

4.8.

De gevorderde wettelijke rente en nakosten zullen worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident tot tussenkomst

5.1.

laat [Tussenkomende] toe als tussenkomende partij in het kort geding van [Eiser] tegen de gemeente,

5.2.

veroordeelt [Eiser] en de gemeente tot betaling van de proceskosten in het incident tot tussenkomst, aan de zijde van [Tussenkomende] tot op heden begroot op nihil,

in de hoofdzaak

5.3.

wijst de vorderingen van [Eiser] ten aanzien van de gemeente af,

5.4.

verstaat het bepaalde onder 5.3. als toewijzing van de vordering onder III van [Tussenkomende],

5.5.

veroordeelt [Eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.619,00, waarin begrepen € 980,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [Eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [Tussenkomende] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.619,00, waarin begrepen € 980,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt [Eiser] in de kosten die aan de zijde van de gemeente zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling en € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

5.8.

veroordeelt [Eiser] in de kosten die aan de zijde van [Tussenkomende] zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling en € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

5.9.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen op 5 november 2019.