Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:5833

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
17-12-2019
Zaaknummer
323546
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid accountant. Btw-aangiften stemmen niet overeen met structuur onderneming. Accountant aansprakelijk voor schade als gevolg van beroepsfout. Accountant had of ondernemer zelf moeten adviseren over al dan niet doorbelasten van kosten aan dochterondernemingen of bij ondernemer moeten aandringen op het inwinnen van fiscaal advies. Akte uitlaten over wenselijkheid deskundigenbericht voor begroten schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2019/2892
FutD 2019-3377
Viditax (FutD), 17-12-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/323546 / HA ZA 17-367

Vonnis van 25 september 2019

in de zaak van

de commanditaire vennootschap

DN AGRAR GARBOVA C.V.,

gevestigd te Koekange,

eiseres,

advocaat mr. N. Rensen te Etten-Leur,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACCON AVM ACCOUNTANTS B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Vetter te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Agrar Garbova en Accon genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 september 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 30 januari 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 10 juli 2019.

1.2.

Vanwege een rechterswissel na de gehouden comparitie op 30 januari 2018 en vóór het wijzen van het vonnis, is partijen gevraagd of behoefte bestond aan het houden van een nieuwe comparitie. Dit bleek het geval zodat op 10 juli 2019 de nieuwe comparitie is gehouden.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Agrar Garbova is in 2008 opgericht door de heren [naam oprichter eiseres] en [naam oprichter eiseres] . Agrar Garbova treedt op als houdster- en financieringsmaatschappij van een viertal in Roemenië gevestigde dochterondernemingen die aldaar een grootschalig melkveebedrijf exploiteren.

2.2.

Om de Roemeense dochterondernemingen te financieren heeft Agrar Garbova Nederlandse investeerders aangezocht. Deze investeerders zijn als commanditaire participanten toegetreden in Agrar Garbova en zijn de stille vennoten.

Beherend vennoot van Agrar Garbova is Agrar Garbova Beheer B.V. waarvan [naam oprichter eiseres] thans enig (indirect) aandeelhouder is.

2.3.

Bij de oprichting van Agrar Garbova en het aantrekken van de investeerders zijn [naam oprichter eiseres] begeleid en geadviseerd door [naam adviesbureau]

2.4.

Accon verzorgde vanaf 2008 tot en met het tweede kartaal 2013 de samenstelling van de jaarrekening en deed de btw-aangiften voor Agrar Garbova. Per 1 juni 2013 heeft Agrar Garbova de samenwerking met Accon beëindigd. Vanaf het derde kwartaal 2013 worden de samenstelling van de jaarrekening en de btw-aangiften van Agrar Garbova verzorgd door Maatwerk B.V.

2.5.

In 2011 zijn structuurwijzigingen doorgevoerd. Na onenigheid tussen [naam oprichter eiseres] is [naam oprichter eiseres] uitgetreden en vanaf 1 september 2011 worden de Roemeense dochterondernemingen (operationeel en beleidsmatig) aangestuurd door [naam oprichter eiseres] via zijn Beheermaatschappij [naam beheermaatschappij] Voor (onder andere) deze werkzaamheden brengt Beheermaatschappij [naam beheermaatschappij] vanaf 1 september 2011 een managementfee in rekening bij Agrar Garbova.

2.6.

Bij brief van 19 augustus 2014 heeft de belastingdienst aan Agrar Garbova toelichting gevraagd over het feit dat Agrar Garbova per 28 maart 2008 bij de belastingdienst staat beschreven als een belastingplichtig ondernemer voor de omzetbelasting terwijl over de jaren 2008 tot en met 2012 geen omzet is aangegeven en toch btw is teruggevorderd door middel van vooraftrek.

2.7.

Agrar Garbova heeft [naam adviesbureau] benaderd om haar belangen te behartigen in het geschil met de belastingdienst. Vervolgens heeft [naam adviesbureau] informatie opgevraagd bij Accon en geconcludeerd dat het standpunt van de belastingdienst juist is.

2.8.

Bij brief van 25 september 2014 heeft Agrar Garbova Accon aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het niet in overeenstemming zijn van de btw-aangiften met de structuur nu Agrar Garbova geen belaste handelingen verrichtte en Accon heeft nagelaten Agrar Garbova te wijzen op de noodzaak van het plegen van doorbelastingen aan haar Roemeense dochterondernemingen van de kosten voor de door haar verrichte (management)diensten. Volgens Agrar Garbova bestaat de schade uit de door de belastingdienst op te leggen naheffingen, boetes en adviseurskosten die zijn gemaakt ter beperking van de schade.

2.9.

Na onderhandelingen met de belastingdienst, waarvan Agrar Garbova Accon ook op de hoogte heeft gehouden, is de naheffing geschikt op een bedrag van € 48.329,00 welk bedrag Agrar Garbova aan de belastingdienst heeft voldaan.

2.10.

Ondanks verzoeken van Agrar Garbova daartoe heeft Accon voornoemd bedrag en door Agrar Garbova geclaimde adviseurskosten, niet aan Agrar Garbova voldaan.

3 Het geschil

3.1.

Agrar Garbova vordert samengevat - op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen veroordeling van Accon tot betaling van een schadevergoeding bestaande uit € 48.329,00 aan belastingschade en € 32.348,00 aan vergoeding van gemaakte adviseurskosten ter beperking van de schade, alsmede tot betaling van € 3.566,32 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Accon voert gemotiveerd verweer. Kort samengevat meent Accon dat haar geen verwijt kan worden gemaakt. Accon betoogt dat de belastingdienst een naheffing heeft opgelegd omdat Agrar Garbova voor 1 september 2011 kosten heeft gemaakt die zien op het verstrekken van geldleningen, een vrijgestelde prestatie, en Agrar Garbova in de persoon van [naam oprichter eiseres] ondanks een waarschuwing weigerde om na 1 september 2011 de managementvergoeding door te belasten aan de Roemeense dochterondernemingen (eigen schuld). Agrar Garbova voert daarbij aan haar niet de opdracht was verstrekt tot het geven van advies over de organisatiestructuur. Ook betwist zij de aanwezigheid van schade als ook de omvang van de beweerdelijke schade waarbij zij wijst op het ontbreken van causaliteit. Mocht zij wel aansprakelijk zijn dan dient volgens Accon bij de schadeberekening rekening te worden gehouden met het door Agrar Garbova genoten voordeel, te weten ontvangen btw-gelden. Daarbij beroept Agrar Garbova zich ook op een schadebeperkingsbeding in haar algemene voorwaarden.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uitgangpunt is dat het recht op (voor)aftrek van aan Agrar Garbova in rekening gebrachte btw alleen bestaat voor zover daar ook eigen economische activiteiten van Agrar Garbova tegenover staan die met btw zijn belast. Niet in geschil is dat Agrar Garbova met het verstrekken van geldleningen aan haar Roemeense dochterondernemingen een van btw vrijgestelde prestatie leverde. Desondanks stond Agrar Garbova bij de belastingdienst beschreven als een btw-plichtige onderneming en heeft Accon namens Agrar Garbova btw in (voor)aftrek genomen. Partijen zijn het er over eens dat de aangiften niet overeen kwamen met de situatie van Agrar Garbova. Een en ander heeft geleid tot een naheffing van de belastingdienst omdat Agrar Garbova geen recht had op btw-teruggave.

4.2.

Die onjuiste aangifte is echter niet het verwijt dat Agrar Garbova aan Accon maakt. Zoals tijdens de mondelinge behandeling nader is toegelicht verwijt Agrar Garbova Accon twee dingen. Allereerst stelt zij dat het handelen van Accon (te weten het in (voor)aftrek nemen van btw terwijl dit niet kon) ertoe heeft geleid dat Agrar Garbova zich er niet van bewust was dat zij de btw niet kon terugvorderen en daardoor ook niet besefte dat zij advies moest inwinnen om duidelijkheid te krijgen over de vraag hoe zij haar administratie zodanig kon inrichten dat zij als btw-plichtige onderneming gekwalificeerd zou worden om zo haar fiscale lasten te minimaliseren. Met andere woorden, als Accon géén btw had teruggevraagd dan was Agrar Garbova op het spoor gezet dat zij een btw-plichtige onderneming moest worden en had zij daarover advies ingewonnen. Het tweede verwijt dat Agrar Garbova aan Accon maakt is dat van Accon als accountant verwacht mag worden dat zij, als redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur, Agrar Garbova had verteld hoe zij haar administratie had moeten inrichten om gekwalificeerd te worden als een btw-plichtige onderneming en daarmee haar fiscale lasten te minimaliseren.

4.3.

Deze twee verwijten komen in de kern op hetzelfde neer. Kennelijk streeft Agrar Garbova er naar om een btw-plichtige onderneming te zijn om zo, met een fiscaal vriendelijk ingerichte organisatiestructuur, een btw-voordeel te kunnen genieten, althans zij wil haar onderneming zo fiscaal vriendelijk mogelijk inrichten. De centrale vraag is of Accon op dit punt steken heeft laten vallen en of op haar - uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst dan wel uit hoofde van haar taak als accountant - de verplichting rustte om Agrar Garbova hierover te adviseren.

4.4.

Hoewel niet in geschil is dat Accon vanaf 2008 op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden voor Agrar Garbova heeft verricht, verschillen partijen van mening over de omvang van deze opdracht. Volgens de stellingen van beide partijen was het hoofddoel van Accon het doen van de boekhouding, te weten het opstellen van de jaarrekening en het doen van aangifte omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Dit zijn uitvoerende handelingen. Ook uit de door [naam oprichter eiseres] ondertekende offerte van 5 april 2012 blijkt dat Accon opdracht heeft gekregen voor het samenstellen van de jaarrekening, het verzorgen van de aangifte vennootschapsbelasting en het verrichten van ondersteunende werkzaamheden voor de kascommissie. De enkele stelling van Agrar Garbova dat de opdracht ruimer was dan dit en ook het geven van belastingadvies omvatte, is gelet op de gemotiveerde betwisting van Accon onvoldoende. Dat Accon op haar website adverteert met de mededeling dat zij ook (fiscaal) belastingadvies geeft, zoals Agrar Garbova betoogt, maakt dit niet anders omdat niet is gebleken dat Agrar Garbova Accon hiertoe ook daadwerkelijk de opdracht heeft gegeven. Het komt dan ook niet vast te staan dat Accon op grond van de overeenkomst van opdracht gehouden was Agrar Garbova te adviseren over de wijze waarop zij haar onderneming zo fiscaal gunstig mogelijk zou moeten inrichten.

4.5.

Dan resteert de vraag of Accon uit hoofde van haar taak als accountant gehouden was Agrar Garbova te informeren over een fiscaal gunstige structuur en of zij, door dit niet te doen, een beroepsfout heeft gemaakt. Bij beoordeling van die vraag maakt de rechtbank onderscheid tussen de periode vóór 1 september 2011 en de periode daarna, te weten het moment waarop Agrar Garbova een managementovereenkomst sloot met [naam beheermaatschappij] voor (onder andere) de aansturing van de Roemeense dochterondernemingen en [naam oprichter eiseres] facturen (met btw) bij Agrar Garbova in rekening bracht.

Gelet op de omstandigheid dat Agrar Garbova een van btw vrijgestelde prestatie verricht (verstrekken van geldleningen) en [naam adviesbureau] heeft geadviseerd over de organisatiestructuur en de aansturing van de dochterondernemingen vanuit een Duitse onderneming van [naam oprichter eiseres] , is de rechtbank van oordeel dat van Accon als accountant met de enkele opdracht om de samenstelling en de aangiftes te doen niet verwacht kan worden dat zij actief meedenkt en adviseert over een andere organisatiestructuur. Daarbij overweegt de rechtbank dat het ondanks de van btw-vrijgestelde prestatie toch doen van de btw-aangifte, niet het verwijt is dat Agrar Garbova aan Accon maakt. Hoewel Agrar Garbova stelt dat zij haar onderneming anders zou hebben ingericht als zij door het niet doen van btw-aangifte had geweten dat zij geen (voor)aftrek kon realiseren, heeft zij gelet op de gemotiveerde betwisting van Accon onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij in de periode vóór 1 september 2011 ook daadwerkelijk met btw-belaste diensten leverde of had kunnen leveren. Uit de stukken blijkt dat Agrar Garbova in die periode kosten heeft gemaakt voor het oprichten van de onderneming en de investeringsstructuur. Voor zover Agrar Garbova heeft willen betogen dat deze oprichtingskosten (alsnog) met terugwerkende kracht pro rato voor verrekening in aanmerking zouden kunnen komen, gaat de rechtbank daar niet in mee. Deze kosten blijven immers zien op vrijgestelde prestaties en het is niet gesteld of gebleken dat Agrar Garbova een verzoek tot ambtshalve vermindering heeft ingediend. Bovendien staat vast dat Agrar Garbova een schikking met de belastingdienst heeft getroffen waarbij rekening moet zijn gehouden met deze situatie. Omdat de aansturing van de Roemeense dochterondernemingen vóór 1 september 2011 vanuit de Duitse holding van [naam oprichter eiseres] gebeurde, welke onderneming rechtstreeks factureerde aan de Roemeense dochterondernemingen en er (nog) geen sprake was van een btw belaste dienst, en dit volgens de prospectus aan de investeerders ook bewust zo is gedaan, heeft Accon vóór 1 september 2011 naar het oordeel van de rechtbank geen beroepsfout gemaakt.

4.6.

Dit is anders voor de periode ná 1 september 2011. Immers, vanaf het moment dat Agrar Garbova de onderneming van [naam oprichter eiseres] inschakelt om (onder andere) het management van de Roemeense dochterondernemingen te verzorgen, ontstond de mogelijkheid om een met btw belaste prestatie (inbreng arbeid) te verrichten voor de Roemeense dochterondernemingen mits de kosten zouden worden doorbelast. Hierover had Accon Agrar Garbova moeten adviseren. Vast staat dat de gedachten over een nieuwe managementstructuur begin 2011 met de toenmalig behandelend accountant van Accon, [naam accountant] , zijn besproken. Accon erkent dat zij toen het thema van ‘doorbelasten’ voor haarzelf heeft gesignaleerd. Naar het oordeel van de rechtbank behoorde het op dat moment tot de taak van Accon als accountant om hierover in gesprek te gaan met Agrar Garbova en ofwel zelf Agrar Garbova van advies te voorzien of er bij Agrar Garbova op aan te dringen hierover fiscaal advies in te winnen. Volgens een schriftelijke verklaring van [naam accountant] heeft hij dit thema in 2011 besproken met [naam oprichter eiseres] toen die een concept managementovereenkomst voorlegde. Deze discussie is volgens [naam accountant] voortgezet met [naam oprichter eiseres] nadat [naam oprichter eiseres] was uitgetreden. Hoewel Accon onder verwijzing naar deze verklaring aanvoert dat zij Agrar Garbova vanaf dat moment voortdurend op de wenselijkheid van de doorbelasting van managementkosten heeft gewezen en de stelling van Agrar Garbova dat zij niet gewaarschuwd is, heeft betwist heeft Accon deze betwisting met deze verklaring van [naam accountant] onvoldoende onderbouwd. Zo heeft Accon geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [naam accountant] het onderwerp bij Agrar Garbova onder de aandacht heeft gebracht en is ook niet duidelijk geworden wat precies wanneer door wie tegen wie zou zijn gezegd. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat Agrar Garbova door Accon ook is gewezen op de gevolgen van het niet doorbelasten, hetgeen wel had gemoeten. Daarmee is vanaf 1 september 2011 sprake van een beroepsfout aan de zijde van Accon die voortduurt tot het moment dat Maatwerk het doen van de btw-aangiften van Accon heeft overgenomen op 1 juni 2013.

4.7.

Het verweer van Accon dat het vanaf 1 september 2011 nimmer tot een doorbelasting van de managementfee zou zijn gekomen omdat [naam oprichter eiseres] dit niet wilde nu de Roemeense dochterondernemingen door grote verliezen niet in staat zouden zijn de managementfee aan Agrar Garbova te voldoen, slaagt niet. In de eerste plaats niet omdat [naam oprichter eiseres] gemotiveerd betwist dat hij hier tegen was en het verweer van Accon niet is onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat [naam oprichter eiseres] tegen was. De door Accon overgelegde handgeschreven aantekening van [naam oprichter eiseres] met bedragen die hij kennelijk uit eigen zak aan drie andere personen betaalde, is onvoldoende omdat onduidelijk is in hoeverre dit betrekking heeft op de managementfee voor [naam beheermaatschappij] en deze aantekening niets specifieks zegt over de doorbelasting van die kosten. In de tweede plaats slaagt het verweer niet omdat niet valt in te zien waarom [naam oprichter eiseres] tegen een financieel meer gunstige opzet zou zijn geweest en Accon heeft nagelaten dit toe te lichten.

4.8.

Het verweer van Accon dat vanaf 2013 de causaliteit tussen de normschending en de schade ontbreekt en dat haar hooguit een verwijt valt te maken tot eind 2012 omdat het doorbelasten van de managementfee voor 2013 door (Maatwerk, de nieuwe accountant van) Agrar Garbova nog rechtgezet had kunnen worden in het vierde kwartaal van 2013, slaagt wel. Volgens de eigen stelling van Agrar Garbova heeft Maatwerk in oktober 2013 geconstateerd dat de btw-aangifte niet in lijn was met de bij de belastingdienst bekende status van Agrar Garbova en moest zij bekend geacht worden met de mogelijkheid van ‘doorbelasten’. Dat Maatwerk op dat moment niet aan heeft willen nemen dat Accon deze fout zou hebben gemaakt en langer de tijd heeft genomen om onderzoek te doen zoals Agrar Garbova stelt, kan Accon niet worden tegengeworpen. De btw-aangifte had in het vierde kwartaal van 2013 zo ingericht kunnen worden dat de gehele managementfee over 2013 in dat kwartaal werd doorbelast aan de Roemeense dochterondernemingen.

4.9.

Kortom, vast staat dat Accon een beroepsfout heeft gemaakt en dat zij aansprakelijk is voor de als gevolg van de fout door Agrar Garbova geleden schade over de periode van 1 september 2011 tot en met december 2012. Voor het berekenen van de omvang van de schade als gevolg van deze beroepsfout dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de huidige situatie (de belastingdruk voor Agrar Garbova in de periode van 1 september 2011 tot en met eind 2012 zonder doorbelasting van de managementfee en na schikking met de belastingdienst) en de situatie zoals deze zou zijn geweest als de beroepsfout wordt weggedacht (de belastingdruk voor Agrar Garbova in de periode van 1 september 2011 tot en met eind 2012 waarbij de managementfee zou zijn doorbelast). Daarbij overweegt de rechtbank, anders dan Accon, dat in deze periode een realistisch alternatief aanwezig was te weten het doorbelasten van de managementkosten als ook dat het door Agrar Garbova behaalde voordeel over die periode (de reeds in (voor)aftrek genomen btw) zit verdisconteerd in de vermogensvergelijking. Het door Agrar Garbova gerealiseerde voordeel is immer het gevolg van de afspraken met de belastingdienst en niet van het verwijt dat Accon wordt gemaakt, namelijk het niet adviseren over doorbelasten. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat het wegdenken van de beroepsfout had geleid tot de meest fiscaal gunstige situatie voor Agrar Garbova. Waar Agrar Garbova met het doorbelasten van de managementfee naar de Roemeense dochterondernemingen op het punt van btw een voordeel zou hebben behaald, had zij daarmee voor wat betreft de vennootschapsbelasting wellicht een nadeel gerealiseerd. Immers, de Roemeense dochterondernemingen waren in 2011 en 2012 verlieslijdend en Agrar Garbova had vennootschapsbelasting moeten betalen over de van de dochters ontvangen managementfees. Een deskundige zal zich over de berekening en de hoogte van de schade moeten uitlaten.

4.10.

Mocht uit het onderzoek door de deskundige blijken dat Agrar Garbova schade heeft geleden, dan ligt het beroep voor van Accon op een beperking van de aansprakelijkheid op grond van artikel 12.1 van de algemene voorwaarden. Dit beroep slaagt niet. Vooropgesteld moet worden dat Agrar Garbova met de ondertekening van de brief van 5 april 2012 de algemene voorwaarden van Accon heeft aanvaard als bedoeld in artikel 6:232 BW. Agrar Garbova voert echter terecht aan dat het schadebeperkingsbeding vernietigbaar is omdat zij geen kennis heeft kunnen nemen van de algemene voorwaarden (artikel 6:233 aanhef en onder b BW). In de brief van 5 april 2012 is opgenomen dat Agrar Garbova een exemplaar van de algemene voorwaarden reeds in haar bezit zou hebben. Accon stelt dat zij de geactualiseerde algemene voorwaarden met een brief van 12 december 2011 aan haar klanten heeft doen toekomen en Agrar Garbova betwist de ontvangst van die brief. Op Accon rust dan de plicht om te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat de algemene voorwaarden waar zij zich op beroept, Agrar Garbova hebben bereikt in de zin van artikel 3:37 BW. Met de enkele stelling dat de brief is toegestuurd, heeft Accon niet aan haar stelplicht voldaan zodat aan bewijslevering niet kan worden toegekomen. In dat geval moet er in rechte van worden uitgegaan dat Agrar Garbova geen redelijke mogelijkheid heeft gehad van de algemene voorwaarden kennis te nemen zodat het beroep op vernietiging daarvan slaagt. Bovendien is onduidelijk welke algemene voorwaarden vanaf 1 september 2011 golden.

4.11.

Kortom, de aanspraak van Agrar Garbova op vergoeding van belastingschade bestaat alleen over de periode 1 september 2011 tot en met eind 2012. Een deskundige zal zich over de hoogte moeten uitlaten. Gelet op de tijd en kosten die met een dergelijk deskundigenonderzoek gepaard gaan, geeft de rechtbank partijen in overweging om zich te beraden. Wellicht is het bovenstaande voor partijen vanuit proceseconomisch oogpunt aanleiding om alsnog met elkaar in overleg te treden. Zo kunnen mogelijk onnodig extra kosten worden voorkomen. Agrar Garbova vordert naast de belastingschade ook vergoeding van € 32.348,00 aan advieskosten. Hoewel dit onderwerp tijdens de mondelinge behandeling is geparkeerd, overweegt de rechtbank hierover het volgende. Als de opmerking van Accon, dat een deel van de facturen van [naam adviesbureau] op reguliere werkzaamheden, een ander geschil met de belastingdienst en de doorgevoerde structuurwijzigingen ziet, juist is - hetgeen op het eerste gezicht niet uit te sluiten valt - dan komen deze werkzaamheden in zoverre niet voor vergoeding door Accon in aanmerking. Immers deze kosten zouden ook gemaakt zijn als Accon geen beroepsfout zou hebben gemaakt. Anders gezegd, het causaal verband ontbreekt. Bovendien vallen een deel van de kosten mogelijkerwijs onder de eveneens door Agrar Garbova gevorderde buitengerechtelijke kosten en is in zoverre sprake van een dubbeltelling. Partijen dienen dit in hun overweging mee te nemen.

4.12.

De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor akte uitlaten deskundigenbericht. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht en indien wenselijk over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.

4.13.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één fiscaal deskundige op het gebied van btw-aangiften en vooraftrek en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

  1. Wat is de belastingdruk voor Agrar Garbova in de periode van 1 september 2011 tot en met eind 2012 zonder doorbelasting van de managementfee aan de Roemeense dochterondernemingen en na de schikking met de belastingdienst? Hierbij moet rekening worden gehouden met de omzetbelasting als ook de vennootschapsbelasting.

  2. Wat zou de belastingdruk voor Agrar Garbova in de periode van 1 september 2011 tot en met eind 2012 zijn geweest waarbij de managementfee wordt doorbelast aan de Roemeense dochterondernemingen? Hierbij moet rekening worden gehouden met de omzetbelasting als ook de vennootschapsbelasting.

  3. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

4.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door Agrar Garbova moeten worden betaald.

4.15.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 9 oktober 2019 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

Coll: PM