Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:5683

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-12-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
05/760002-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een militair voor mishandeling omdat hij een politieagent in functie zonder aanleiding een kopstoot heeft gegeven. Daarnaast wordt de militair veroordeeld voor schennis van de eerbaarheid omdat hij zijn ontblote geslachtsdeel aan een politieagente heeft getoond en hiermee op en neer gaande bewegingen maakte in haar richting. De militair krijgt een taakstraf van 100 uur.

Mishandeling, schennis van de eerbaarheid. Vrijspraak voor belediging politieagent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/760002-19

Datum uitspraak : 9 december 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1970 te '[geboorteplaats],

wonende te [geboorteplaats].

Raadslieden: mr. G.G.J.A. Knoops, mr. C.J. Knoops-Hamburger en mr. R.S. van Es, allen advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juli 2019 (militaire politierechterzitting) en 25 november 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 maart 2019 te 's -Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, een ambtenaar, [politieagent 1] (inspecteur van Politie Eenheid Oost-Brabant), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door die [politieagent 1] éénmaal (met kracht), tegen diens hoofd en/of neus, althans in het gezicht, een (zogenoemde)

kopstoot te geven;

2.

(primair)

hij op of omstreeks 3 maart 2019 te 's -Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten De Parade en/of de Lange Putstraat in elk geval op of aan een openbare weg, door zijn, verdachtes, ontblote geslachtsdeel te tonen en/of (met behulp van zijn hand) zwaaiende bewegingen

met zijn ontblote geslachtsdeel te maken;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

(subsidiair)

hij op of omstreeks 3 maart 2019 te 's -Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar te weten [politieagent 2], brigadier van politie Landelijke Eenheid, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door zijn, verdachtes, ontblote geslachtsdeel aan die [politieagent 2] te tonen en/of (met behulp van zijn hand) zwaaiende bewegingen met zijn ontblote geslachtsdeel in de richting van die [politieagent 2] te maken;

3.

hij op of omstreeks 3 maart 2019 te 's -Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar te weten [politieagent 3], hoofdagent van politie Landelijke Eenheid, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door zijn, verdachtes, middelvinger naar die voornoemde [politieagent 3] op te steken.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 3 maart 2019 was verdachte, verkleed in een carnavalskostuum, op de Parade in ’s-Hertogenbosch. Op de hoek van de Lange Putstraat en de Parade ging verdachte urineren (wildplassen) waarvoor hij van een politieagente te paard (verbalisant [politieagent 2]) een beschikking kreeg uitgereikt. Hierna heeft verdachte op dezelfde locatie opnieuw willen urineren. Vervolgens is verdachte op dezelfde locatie aangehouden en, voorzien van handboeien, naar het politiebureau vervoerd.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van verbalisant [politieagent 1] (feit 1) en schennis van de eerbaarheid (feit 2 primair). De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde belediging (feit 3) wegens het ontbreken van steunbewijs.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle feiten.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. De verdediging heeft voor het overige verschillende argumenten aangevoerd, hierna kort weergegeven onder A tot en met F.

A. Afwezigheid van alle schuld ten aanzien van het wildplassen

Volgens de verdediging komt aan verdachte ter zake van het wildplassen een gerechtvaardigd beroep op afwezigheid van alle schuld toe, omdat hij een urologische aandoening heeft waardoor hij zijn plas maar kort kan ophouden. Dat geldt ook voor de onderhavige strafzaak, omdat bij het tweede plasincident sprake was van een voortgezette handeling.

Onverbindendheid APV ‘s-Hertogenbosch

De verdediging is van mening dat het optreden van de politie ter zake van het wildplassen, en al hetgeen daarna is gebeurd, onbevoegd heeft plaatsgevonden omdat de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van ’s-Hertogenbosch met betrekking tot het verbod op wildplassen niet kan worden nageleefd en derhalve overbindend is.

Onrechtmatig escalerend of disproportioneel optreden door politie en handhavers

Door de verdediging is gesteld dat de betrokken politiefunctionarissen en de gemeentelijke handhavers, na het uitschrijven van de beschikking wegens wildplassen, niet meer in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren, omdat hun optreden onnodig escalerend en disproportioneel jegens verdachte was.

Onrechtmatig handelen door de politie wegens niet naleving van hun verbaliseringsplicht en wegens onrechtmatig aanleggen van de handboeien

De verdediging heeft aangevoerd dat de verbalisanten hebben gehandeld in strijd met hun verbaliseringsplicht krachtens artikel 152 Wetboek van Strafvordering door niet of niet tijdig te verbaliseren wat zij hebben waargenomen. Voorts zouden de handboeien in strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie aan verdachte zijn aangelegd. Een en ander dient te worden aangemerkt als onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering, zodat deze processen-verbaal dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Onbetrouwbaarheid van de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal

De verdediging heeft gesteld dat de inhoud van diverse ambtsedig opgemaakte processen-verbaal op onderdelen afwijkt van de beeld- en geluidsopnames die van de desbetreffende gebeurtenissen zijn gemaakt. Als voorbeeld is aangevoerd dat in het proces-verbaal van aanhouding is opgenomen dat verdachte gefouilleerd zou zijn op grond van artikel 7 lid 4 Politiewet, terwijl uit de camerabeelden blijkt dat deze fouillering niet heeft plaatsgevonden.

Dergelijke afwijkingen moeten leiden tot uitsluiting van het bewijs, of in ieder geval dient de bijzondere bewijskracht krachtens artikel 344 lid 2 Wetboek van Strafvordering aan deze processen-verbaal ontzegd te worden.

Geen opzet op mishandeling en openbare schennis van de eerbaarheid

Ten aanzien van de ten laste gelegde mishandeling door het geven van een kopstoot heeft de verdediging aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat verdachte onbewust een kopstoot-achtige beweging heeft gemaakt ten gevolge van een pijnprikkel die hem is aangedaan door de politie.

Ten aanzien van het ten laste gelegde tonen van en/of bewegen met zijn ontblote geslachtsdeel heeft de verdediging naar voren gebracht dat de omstandigheid dat de verbalisante het geslachtsdeel van verdachte zag, is veroorzaakt doordat zij zelf dicht bij verdachte kwam staan. Daardoor valt het niet verdachte te verwijten dat zijn geslachtsdeel zichtbaar was.

Overigens heeft verdachte ook aangevoerd dat het voor deze verbalisante, zittend op haar paard, niet mogelijk kan zijn geweest zijn geslachtsdeel waar te nemen, omdat zijn carnavalskostuum dat verhinderde.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer zal allereerst ingaan op de verweren door de verdediging, zoals samengevat genummerd van A tot en met F.

Aansluitend wordt nader ingegaan op de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten.

Ad A. Afwezigheid van alle schuld ten aanzien van het wildplassen?

Nog daargelaten de vraag of een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt aan een verdachte die zelf onvoldoende rekening houdt met zijn beperkingen, overweegt de militaire kamer dat het wildplassen, waarvoor verdachte een beschikking (‘bekeuring’) is uitgereikt, geen deel uitmaakt van deze strafzaak. Immers, deze overtreding is niet ten laste gelegd. Beoordeling van dit verweer is daardoor niet op zijn plaats in dit vonnis. De militaire kamer zal derhalve niet inhoudelijk op dit verweer ingaan. Daarbij merkt de militaire kamer op dat een tweede opvolgende overtreding van het verbod op wildplassen niet een voortgezette handeling oplevert, aangezien voor die tweede overtreding een tweede, separaat wilsbesluit nodig was.

Ad B. Onverbindendheid APV ’s-Hertogenbosch?

De APV, zijnde lokale wetgeving van de gemeenteraad, is regelgeving die door middel van een democratisch proces tot stand is gekomen. In beginsel dient dus van de geldigheid hiervan te worden uitgegaan. Alleen de (bestuurs)rechter kan in een concreet geval, afhankelijk van de omstandigheden van dat geval, een bepaling uit een APV onverbindend verklaren. Regelgeving die niet door een rechter onverbindend is verklaard, kan niet op voorhand als onverbindend worden aangemerkt. Dit betekent dat de verbalisanten, op het moment dat één van hen aan verdachte een beschikking had uitgereikt in verband met het overtreden van het verbod op wildplassen in de APV, in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren.

Ad C. Onrechtmatig escalerend of disproportioneel optreden door politie en handhavers?

De militaire kamer is van oordeel dat uit de ter terechtzitting bekeken camerabeelden niet het beeld naar voren is gekomen dat door de betrokken politiefunctionarissen en handhavers escalerend is opgetreden. Op de camerabeelden is waar te nemen dat deze functionarissen opmerkelijk passief rondom verdachte staan, ogenschijnlijk wachtend op het opgeroepen politievoertuig. Wel is te zien dat het verdachte is die meermalen de discussie met de betrokken politiefunctionarissen en handhavers opzoekt. Ook is op de beelden te zien dat verdachte, na zijn aanhouding, meermalen probeert weg te lopen en dat hij zich op enig moment zelfs op de grond laat vallen waarbij hij onder meer luid roept: “help, help”. Op de beelden is zichtbaar dat de verbalisanten zich op dat moment op afstand van verdachte bevinden. Nu verdachte ter terecht-zitting heeft erkend dat dit een kinderachtige actie van hem was, trekt de militaire kamer de conclusie dat hij klaarblijkelijk met deze vertoning de bedoeling heeft gehad om de betrokken politiefunctionarissen en handhavers in diskrediet te brengen.

Op grond van het bovenstaande kan naar het oordeel van de militaire kamer niet geconcludeerd worden dat de betrokken politiefunctionarissen en handhavers escalerend of disproportioneel hebben gehandeld. Eerder volgt uit de beelden dat het juist verdachte was die zich recalcitrant gedroeg jegens de politiefunctionarissen en handhavers.

De militaire kamer verwerpt dan ook het verweer.

Ad D. Onrechtmatig handelen door de politie wegens niet naleving van hun verbaliserings-

plicht en wegens onrechtmatig aanleggen van de handboeien?

De militaire kamer overweegt ten aanzien van het aanleggen van de handboeien bij verdachte als volgt. Uit artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie volgt onder meer dat bij een persoon die is aangehouden handboeien kunnen worden aangelegd ten behoeve van het vervoer, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op ontvluchting.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 11 maart 2019 van verbalisante [politieagent 3] volgt dat zij verdachte na zijn aanhouding hoorde zeggen dat hij zo weg zou kunnen rennen en dat zij en haar collega hem dan niet tegen konden houden aangezien zij op het paard zaten. Hierdoor en door het eerder genoemde recalcitrante gedrag van verdachte kon bij de verbalisanten de gerechtvaardigde indruk ontstaan dat verdachte wilde ontvluchten. Onder deze omstandigheden was het dus toegestaan verdachte te boeien ten behoeve van het vervoer naar het politiebureau.

Met betrekking tot de verbaliseringsplicht overweegt de militaire kamer dat uit de artikelen 152 en 153 Wetboek van Strafvordering voortvloeit dat door opsporingsambtenaren ‘ten spoedigste’ proces-verbaal dient te worden opgemaakt van het door hen opgespoorde strafbare feit en van de verrichte opsporingshandelingen, een en ander onder vermelding van hun redenen van wetenschap. Nu de direct betrokken opsporingsambtenaren [politieagent 2], [politieagent 3], [politieagent 4], [politieagent 1] en [politieagent 5] nog diezelfde avond of de volgende dag proces-verbaal hebben opgemaakt van hetgeen is voorgevallen rondom de aanhouding van verdachte, concludeert de militaire kamer dat dit tijdig is gebeurd. Daaraan doet niet af dat enkele van deze verbalisanten op latere tijdstippen aanvullend proces-verbaal van bevindingen hebben opgemaakt, dan wel aangifte hebben gedaan. Nu bovendien in de processen-verbaal van 3 en 4 maart 2019 is beschreven welke strafbare feiten zouden zijn geconstateerd door de opsporingsambtenaren, alsmede onder welke omstandigheden dat geschiedde, is de militaire kamer van oordeel dat is voldaan aan de verbaliseringsplicht krachtens de artikelen 152 en 153 Wetboek van Strafvordering.

De militaire kamer verwerpt deze verweren.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat niet alles wat is vermeld in de processen-verbaal bevestigd wordt door de beeld- en geluidsopnames, zal de militaire kamer dit deel van het verweer opvatten als een betrouwbaarheidsverweer, hetgeen hierna wordt besproken.

Ad E. Onbetrouwbaarheid van de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal?

Anders dan in veel andere landen, is het in het Nederlandse strafrechtsysteem niet gebruikelijk om alle betrokkenen in een strafzaak ten overstaan van de strafrechter te horen. De Nederlandse strafrechter pleegt in hoge mate beslissingen te nemen op basis van schriftelijke processen-verbaal van opsporingsambtenaren. Dit kan enerzijds leiden tot een efficiënte rechtspleging, maar anderzijds maakt dit de Nederlandse strafrechter erg afhankelijk van de juistheid, volledigheid en kwaliteit van die processen-verbaal. Aan een ambtsedig proces-verbaal worden dan ook hoge eisen gesteld.

Ambtsedig opgemaakte processen-verbaal van verbalisanten hebben een sterke bewijskracht, gelet op het bepaalde in artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Dit betekent dat in beginsel uitgegaan wordt van de juistheid van de beschreven waarnemingen, tenzij aangetoond wordt dat aan de betrouwbaarheid ervan dient te worden getwijfeld. Naar het oordeel van de militaire kamer is van dergelijke twijfel in algemene zin niet gebleken in deze zaak.

Allereerst constateert de militaire kamer dat hetgeen in deze zaak is geverbaliseerd grotendeels wordt bevestigd door de beelden van de camera’s.

Daar komt bij dat opsporingsambtenaren strafbaar zijn en hun baan dreigen te verliezen, indien zij bewust onjuistheden vermelden in hun processen-verbaal. De verdediging heeft onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht om aan te nemen dat in onderhavig geval de verbalisanten dit risico hebben willen nemen. Evenmin is aannemelijk geworden dat de verbalisanten onjuistheden in hun processen-verbaal zouden hebben opgenomen, alleen maar om deze specifieke verdachte onrecht aan te doen. De verdediging heeft ook niet verzocht om de desbetreffende verbalisanten hierover ten overstaan van een rechter te horen als getuigen.

Bovendien overweegt de militaire kamer dat het in zijn algemeenheid niet ongebruikelijk is dat processen-verbaal kleine onderlinge discrepanties kunnen bevatten. Het opstellen van een proces-verbaal blijft immers mensenwerk en iedere verbalisant kan slechts verbaliseren wat deze zelf heeft waargenomen.

De door de verdediging opgevoerde discrepanties tussen de processen-verbaal en de beeld- en geluidsopnames kunnen naar het oordeel van de militaire kamer grotendeels worden verklaard doordat het perspectief van de camera’s anders is dan dat van de desbetreffende verbalisant. Dat betekent dat achteraf op de beelden andere dingen te zien zijn dan de desbetreffende verbalisant op het moment zelf heeft kunnen waarnemen. En wat niet door de verbalisant is waargenomen kan en mag niet worden opgenomen in een proces-verbaal.

Andere discrepanties kunnen wellicht worden aangemerkt als slordigheden en/of vergissingen in de volgorde van gebeurtenissen. Dit zou goed te verklaren zijn in het licht van de drukke carnavalsavond en het feit dat enkele processen-verbaal nog diezelfde avond, vermoedelijk aan het einde van de dienst, nog zijn opgemaakt. Deze slordigheden en/of vergissingen rechtvaardigen niet zonder meer de conclusie dat deze processen-verbaal als onjuist en onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Wel zal de militaire kamer in geval van evidente discrepanties behoedzaam omgaan met het gebruik van het desbetreffende proces-verbaal voor het bewijs. Twijfel aan een correcte beschrijving van gedane waarnemingen kan immers de overtuiging van de strafrechter beïnvloeden.

De militaire kamer zal, gelet op het bovenstaande, geen van de processen-verbaal op voorhand uitsluiten van het bewijs. Tevens ziet de militaire kamer geen aanleiding op voorhand aan deze processen-verbaal de bewijskracht van artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering te onthouden.

Ten aanzien van het voorbeeld van de verdediging dat ten onrechte is geverbaliseerd dat verdachte is gefouilleerd omdat dit niet te zien is op de beelden, overweegt de militaire kamer dat de camerabeelden geen volledig beeld geven van alles wat zich heeft voorgedaan. Immers, op de beelden van de vaste (gemeentelijke) camera zijn verschillende momenten te zien waarop de politiepaarden en andere personen door het beeld lopen, waardoor het zicht van de camera is belemmerd. De beelden van de bodycam geven slechts weer wat zich heeft afgespeeld in het zicht van die camera. En de militaire kamer heeft waargenomen dat de bodycam veelvuldig in beweging was, waardoor de bodycam regelmatig op andere situaties was gericht. Ook bevatten de beelden diverse, verklaarbare, hiaten en is niet de gehele periode tussen het moment van het boeien van verdachte en het moment van het plaatsen van verdachte in het politiebusje zichtbaar. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat het beschreven moment van fouillering niet op camerabeeld is opgenomen. Zoals eerder opgemerkt, betekent het feit dat iets niet te zien is op de beelden niet dat dit ook niet gebeurd is.

De militaire kamer zal daarom uitgaan van de juistheid van het desbetreffende proces-verbaal.

Ad F. Geen opzet op mishandeling en schennis van de eerbaarheid?

De vraag in hoeverre sprake is geweest van opzettelijk handelen door verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, acht de militaire kamer zodanig nauw verweven met de waardering van het bewijs, dat dit punt hierna bij de bespreking van de feiten aan de orde zal komen.

Met inachtneming van het hiervoor overwogene zal de militaire kamer hieronder vervolgens ingaan op de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1: mishandeling

Verbalisant [politieagent 1], inspecteur van politie Eenheid Oost-Brabant, heeft aangifte gedaan van mishandeling.3 Hij heeft verklaard dat hij verdachte geboeid had en tegen het hekwerk aan drukte, omdat verdachte weg wilde lopen. [politieagent 1] stond aan de linkerzijde achter verdachte. Zijn collega [politieagent 4] stond aan de rechterzijde achter verdachte. Uit het niets sloeg verdachte met volle kracht zijn hoofd naar achteren, vol tegen de neus van [politieagent 1] aan. Hij voelde direct een hevige pijn aan zijn neus en zijn ogen begonnen te tranen.4

De militaire kamer heeft ter terechtzitting op de camerabeelden onder meer het navolgende waargenomen. Verdachte maakt met zijn bovenlichaam een beweging naar achteren en vervolgens weer naar voren. Daarna beweegt verdachte zijn lichaam weer naar achteren, kijkt over zijn linkerschouder richting [politieagent 1] en maakt vervolgens een hoofdbeweging schuin links naar achteren, in de richting van het hoofd van verbalisant [politieagent 1]. Daarbij is op de geluidsopname bij de camerabeelden een doffe klap te horen. Er is een langwerpige glinstering zichtbaar aan de zijkant van de neus op de wang onder het rechteroog van [politieagent 1].5

Naar het oordeel van de militaire kamer volgt uit de omstandigheid dat op het moment van de hoofdbeweging een doffe klap te horen is, dat verdachte de verbalisant [politieagent 1] daadwerkelijk heeft geraakt. Het verweer van de verdediging, dat sprake zou zijn geweest van een niet-strafbare poging tot mishandeling, wordt dan ook verworpen.

Daarnaast overweegt de militaire kamer dat de langgerekte glinstering aan de zijkant van de neus kan duiden op de aanwezigheid van traanvocht. De militaire kamer is van oordeel dat dit past bij de beschrijving van [politieagent 1] dat zijn ogen als gevolg van de kopstoot traanden. Zijn collega [politieagent 4] bevestigt dat er tranen in de ogen stonden van [politieagent 1] 6. Dat de glinstering iets anders is dan door de militaire kamer aangenomen, is niet aannemelijk geworden.

Gelet op het feit dat de verklaringen van verbalisant [politieagent 1] worden ondersteund door hetgeen op de camerabeelden zichtbaar is, ziet de militaire kamer geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid en juistheid van zijn verklaringen. De stelling van de verdediging dat de processen-verbaal, opgemaakt door [politieagent 1], onbetrouwbaar moeten worden geacht omdat [politieagent 1] in een proces-verbaal van 3 maart 2019 verwijst naar een - volgens de verdediging toekomstig - proces-verbaalnummer, is feitelijk onjuist en wordt dan ook niet gevolgd. Immers, op 3 maart 2019 bestond er al een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [politieagent 4], voorzien van proces-verbaalnummer 2019044993 met volgnummer 7, waarin over de kopstoot is gerelateerd.

De omstandigheid dat op de beelden niet te zien is dat er een beetje bloed uit de neus van [politieagent 1] kwam, zoals verbalisanten [politieagent 1] en [politieagent 4] wel hebben verklaard - zoals benadrukt door de verdediging - kan niet leiden tot de conclusie dat de processen-verbaal van beide verbalisanten onbetrouwbaar zijn, gelet op hetgeen de militaire kamer hierboven onder E. heeft overwogen ten aanzien van verschillen tussen waarnemingen op beeldmateriaal en waarnemingen die in een proces-verbaal worden beschreven.

Of de verbalisant daadwerkelijk gebloed heeft, doet overigens ook niet ter zake, nu niet ten laste is gelegd dat bij [politieagent 1] sprake was van letsel. Het verweer dat de jas van aangever ten onrechte niet is aangeboden voor nader bloedsporenonderzoek kan in dit licht dan ook onbesproken blijven.

Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de militaire kamer vast dat verdachte verbalisant [politieagent 1] een kopstoot heeft gegeven, dat deze kopstoot het hoofd van [politieagent 1] raakte en dat de verbalisant hierdoor pijn heeft ondervonden.

De vraag die de militaire kamer vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte opzet had op het toebrengen van deze pijn.

Verdachte heeft in zijn verhoor op 4 maart 2019 verklaard dat hij zich het voorval niet kan herinneren omdat hij erg dronken was, maar ter terechtzitting heeft hij ontkend dat sprake is geweest van opzet. Hij heeft gesuggereerd dat zijn hoofdbeweging, de kopstoot, het gevolg kan zijn geweest van een reflexbeweging door een pijnprikkel die zou zijn toegebracht doordat de handboeien te strak zaten.

Voor de vraag of sprake was van opzettelijk handelen, acht de militaire kamer van belang dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte eerst zijn hoofd naar links beweegt en richting verbalisant [politieagent 1] kijkt, alvorens hij hem een kopstoot geeft.7 Naar het oordeel van de militaire kamer volgt hieruit dat verdachte de verbalisant [politieagent 1] heeft zien staan, waarna hij zijn hoofd bewust in de richting van deze verbalisant heeft bewogen. Het feit dat verdachte met zijn bovenlichaam naar achteren en naar voren bewoog, zoals hierboven beschreven, interpreteert de militaire kamer als het nemen van een aanloop om kracht te zetten bij het geven van de kopstoot. De handelingen van verdachte, zoals hiervoor genoemd, naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezien, duiden er reeds op dat verdachte de verbalisant [politieagent 1] opzettelijk een kopstoot heeft gegeven.

Verdachte heeft ter zitting nog gesteld dat hij al direct, op 3 maart 2019, meermalen had aangegeven dat de handboeien te strak zaten, wat zou bevestigen dat hij uit reactie op een pijnprikkel zijn hoofd richting [politieagent 1] heeft bewogen. Maar deze stelling is niet aannemelijk geworden. Uit de weergave van de ter plaatse gevoerde gesprekken8 blijkt niet dat verdachte klachten heeft geuit over de handboeien. Op de beeld- en geluidsopnames is daarentegen wel te zien dat verdachte tot het moment van de kopstoot meermalen lacht, en te horen dat verdachte de opmerking maakt: ‘ik ga weer bier drinken’. Dit duidt naar het oordeel van de militaire kamer op een ontspannen en gemoedelijke sfeer.

Concluderend heeft de militaire kamer de overtuiging dat verdachte verbalisant [politieagent 1] met opzet de kopstoot op zijn neus heeft gegeven.

Ten overvloede overweegt de militaire kamer dat de verslagen die door de verdediging zijn ingediend, dit oordeel niet anders maken. Naar het oordeel van de militaire kamer bevatten deze verslagen weinig meer dan opinies van de rapporteurs. De militaire kamer deelt deze opinies - voorzover afwijkend van het oordeel van de militaire kamer - niet, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2 primair: schennis van de eerbaarheid

Verbalisant [politieagent 2] heeft verklaard dat verdachte, nadat zij hem een beschikking had gegeven voor wildplassen, terugliep naar het hekwerk en zijn handen naar zijn kruis bracht. Zij ging op haar paard op een meter afstand van verdachte staan om hem ervan te weerhouden opnieuw een overtreding te begaan. Verdachte draaide zich om terwijl hij zijn geslachtsdeel in zijn rechterhand vasthield. Hij keek haar aan en schudde zijn geslachtsdeel op en neer.9 Deze beweging was duidelijk naar haar gericht.10 Aangeefster voelde zich zeer opgelaten door de handelingen van verdachte en voelde zich aangetast in haar goede naam en eer.11

De verklaring van verbalisant [politieagent 2] wordt ondersteund door de camerabeelden. De militaire kamer heeft daarop immers het navolgende waargenomen.12 Verdachte staat met zijn benen iets gespreid bij het hekwerk en draait zich op enig moment naar rechts in de richting van de verbalisant te paard. Met zijn rechterhand maakt hij een lichte op en neer gaande beweging ter hoogte van zijn kruis.

De militaire kamer ziet, gelet op deze camerabeelden, geen reden om te twijfelen aan de verklaring van verbalisant [politieagent 2] dat zij het geslachtsdeel van verdachte heeft waargenomen. De stelling van de verdediging dat [politieagent 2] zichzelf hieraan heeft blootgesteld, volgt de militaire kamer niet omdat op de beelden duidelijk te zien is dat verdachte zich naar [politieagent 2] toedraait terwijl hij zijn handen bij zijn kruis heeft en vervolgens de schuddende beweging maakt.

De verdediging betwist niet dat verdachte zijn geslachtsdeel in zijn hand(en) had en met zijn geslachtsdeel op en neer heeft gezwaaid. De verdediging stelt echter dat deze handelingen niet zijn verricht met het opzet om schennis te plegen. De militaire kamer is echter van oordeel dat verdachte wel met opzet zijn ontblote geslachtsdeel heeft getoond aan de verbalisant te paard. Immers, de verbalisant te paard stond, zijwaarts, dicht bij verdachte om hem te controleren, zoals zij ook had medegedeeld. Verdachte moet zich dus van haar aanwezigheid bewust zijn geweest. Door zich desondanks, zonder eerst zijn geslachtsdeel te verbergen, met ontbloot geslachtsdeel in zijn hand(en) richting de verbalisant te draaien, heeft hij op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij hiermee zou worden geconfronteerd.

Naar het oordeel van de militaire kamer zijn deze gedragingen van verdachte te kwalificeren als schennis van de eerbaarheid, nu het hier gaat om een handelen dat in Nederland kwetsend is voor het normaal ontwikkeld schaamtegevoel.

De militaire kamer acht feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3 - vrijspraak

Met betrekking tot feit 3 (belediging van een politiefunctionaris) is de militaire kamer, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat overtuigend bewijs ontbreekt. Verbalisante [politieagent 3] heeft verklaard dat verdachte zijn middelvinger naar haar heeft opgestoken. Het op ambtsbelofte opgestelde proces-verbaal van verbalisante [politieagent 3] levert krachtens artikel 344 lid 2 Wetboek van Strafvordering wel voldoende wettig bewijs op. Echter, de militaire kamer heeft niet ook de noodzakelijke overtuiging dat verdachte zijn middelvinger naar [politieagent 3] heeft opgestoken. Op de camerabeelden is immers te zien dat verdachte veelvuldig drukke bewegingen met zijn armen en handen heeft gemaakt. Nu de door verbalisante [politieagent 3] beschreven opgestoken middelvinger niet door anderen is waargenomen en sprake was van matige verlichting, kan de militaire kamer niet uitsluiten dat de verbalisante de drukke handbewegingen van verdachte abusievelijk heeft aangezien voor het opsteken van een middelvinger.

Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van feit 3.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 3 maart 2019 te 's -Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, een ambtenaar, [politieagent 1] (inspecteur van Politie Eenheid Oost-Brabant), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door die [politieagent 1] éénmaal (met kracht), tegen diens hoofd en/of neus, althans in het gezicht, een (zogenoemde)

kopstoot te geven;

2. primair

hij op of omstreeks 3 maart 2019 te 's -Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten De Parade en/of de Lange Putstraat in elk geval op of aan een openbare weg, door zijn, verdachtes, ontblote geslachtsdeel te tonen en/of (met behulp van zijn hand) zwaaiende bewegingen

met zijn ontblote geslachtsdeel te maken.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Mishandeling, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Ten aanzien feit 2, primair:

Schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en onder feit 2, primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, ingeval van een bewezenverklaring, toepassing dient te worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel. Hiertoe is aangevoerd dat het disproportionele optreden van de verbalisanten heeft geleid tot blijvend letsel bij verdachte, het openbaar ministerie de reputatie en integriteit van verdachte ernstig heeft geschaad door na zijn aanhouding een relatie te leggen tussen het incident en vermeend drugsgebruik en verdachte via de media heeft moeten vernemen dat zijn commandant hem zou schorsen uit zijn ambt.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 3 oktober 2019;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 22 oktober 2019.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, terwijl hij onder invloed was van alcohol, op één avond schuldig gemaakt aan twee misdrijven. Eerst heeft hij zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid tegenover een politieambtenaar die hem kort daarvoor nog een bekeuring had gegeven. Nadat verdachte voor dit misdrijf was aangehouden, heeft hij een politieambtenaar mishandeld door hem zonder aanleiding een kopstoot op zijn neus te geven. Dergelijk agressief gedrag van verdachte richting politiefunctionarissen die slechts hun werk doen ten behoeve van een gezellig carnavalsfeest, is op geen enkele wijze te rechtvaardigen.

De militaire kamer vindt het zeer ernstig dat verdachte zo respectloos heeft gehandeld, en dat hij de lichamelijke integriteit van een politieambtenaar zo ernstig heeft aangetast. Juist van verdachte, een gewaardeerd officier van de Koninklijke Landmacht, waar respect voor het gezag hoog in het vaandel staat, mocht in de gegeven situatie ander gedrag verwacht worden. Als militair is hij juist opgeleid om de-escalerend op te treden in bepaalde (gewelds)situaties. Daar komt bij dat aan verdachte een hoge militaire onderscheiding is uitgereikt. Verdachte is daardoor een bekend persoon in Nederland en in die hoedanigheid had hij er op bedacht moeten zijn dat zijn handelen in het openbaar bijzondere aandacht zou krijgen.

De militaire kamer is van oordeel dat een, door de verdediging bepleite, schuldigverklaring zonder oplegging van straf geen recht doet aan de ernst van de feiten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de straffen, die doorgaans in vergelijkbare zaken door rechters worden opgelegd, is de militaire kamer van oordeel dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een taakstraf een passende sanctie is.

Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten van andere aard.

Ten voordele van verdachte weegt de militaire kamer mee dat onderhavige zaak reeds gevolgen voor het leven van verdachte heeft gehad. Verdachte is door zijn commandant geschorst als militair en deze strafzaak heeft veel aandacht gekregen in de media.

Voor zover de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat in de strafmaat moet worden verdisconteerd dat het politieoptreden op enig moment disproportioneel zou zijn geweest, overweegt de militaire kamer dat hier nog een separaat onderzoek naar loopt, zodat het niet aan de militaire kamer is hier op dit moment over te oordelen.

Alles afwegend acht de militaire kamer een onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uren, zoals geëist door de officier van justitie, passend en geboden.

De militaire kamer merkt hierbij nog op dat het passend is in het kader van de militaire strafrechtspleging een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, voor het geval de taakstraf niet naar behoren zou worden uitgevoerd, te doen plaatsvinden in het Militair Penitentiair Centrum.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [politieagent 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 223,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij [politieagent 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 150,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geadviseerd de vordering van de benadeelde partijen [politieagent 1] en [politieagent 2] tot betaling van bedragen van respectievelijk € 223,- en € 150,- toe te wijzen, inclusief de gevorderde wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen, omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle feiten.

Subsidiair is ten aanzien van de vordering van [politieagent 1] aangevoerd dat de vordering niet is onderbouwd met enig (medisch) document ter zake het opgelopen letsel.

Ten aanzien van de vordering van [politieagent 2] is subsidiair aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat geen sprake is van shockschade.

Beoordeling door de militaire kamer

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is vast komen te staan dat benadeelde [politieagent 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen pijn heeft ondervonden en dat deze daarmee op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Een medische verklaring ter zake letsel is dan ook niet noodzakelijk. Naar het oordeel van de militaire kamer is de vordering van [politieagent 1] voldoende onderbouwd. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van de vordering van [politieagent 2] overweegt de militaire kamer als volgt. Anders dan de verdediging kennelijk begrijpt, heeft benadeelde niet gesteld dat sprake is van zogenaamde shockschade. Naar het oordeel van de militaire kamer is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wel voldoende aannemelijk geworden dat benadeelde door het handelen van verdachte op andere wijze is aangetast in haar persoon. Derhalve heeft de benadeelde partij [politieagent 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot het immateriële schade geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Die schade begroot de militaire kamer naar billijkheid op het gevorderde bedrag, zodat de vordering voor toewijzing vatbaar is.

De militaire kamer zal telkens de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 3 maart 2019 en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen ter zake de toegekende bedragen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 239, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De meervoudige militaire kamer:

 spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [politieagent 1]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [politieagent 1], van een bedrag van € 223,00 (tweehonderddrieëntwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [politieagent 1], een bedrag te betalen van € 223,00 (tweehonderddrieëntwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 4 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [politieagent 2]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [politieagent 2], van een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [politieagent 2], een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 3 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter) en mr. Y. van Wezel, rechters, en kapitein ter zee logistieke dienst mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, militair lid, in tegenwoordigheid van

mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de militaire kamer op

9 december 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door wachtmeester der eerste klasse [wachtmeester] van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 19-000752, gesloten op 18 april 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 november 2019.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 56.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 53-54.

5 Rechterlijke waarneming ter terechtzitting van 25 november 2019.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 51.

7 Rechterlijke waarneming ter terechtzitting van 25 november 2019.

8 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door wachtmeester der eerste klasse [wachtmeester], nummer 1910310830.0922, d.d. 31 oktober 2019.

9 Proces-verbaal van aangifte, p. 37, alsmede proces-verbaal van bevindingen, p. 43.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 44.

11 Proces-verbaal van aangifte, p. 37.

12 Rechterlijke waarneming ter terechtzitting van 25 november 2019.