Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:55

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1215
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor een pluimveehouderij. Het beroep is gegrond voor zover geen geluidcontrolevoorschrift is opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1215

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2019

in de zaak tussen

[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] , allen te [woonplaats] ,

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., te Nijmegen

eisers

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] ., te Winssen

(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders)

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de activiteit “milieu” voor de oprichting van een pluimveehouderij.

Eisers hebben beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Namens eisers is R. Swaneveld verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. V. Wösten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, P. Rosendaal en L. Zaal. Voorts zijn verschenen [derde belanghebbende 2] , bijgestaan door zijn mr. M.I.J. Toonders en ing. R.J.M.B. Derks.

Overwegingen

1. Op 5 juli 2016 heeft [derde belanghebbende 2] een aanvraag ingediend voor het oprichten van een pluimveehouderij met 84.800 vleeskuikens op het perceel [adres] te [plaats] . De aanvraag ziet op de eerste fase van de vergunningverlening en betreft de omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” (milieuvergunning) op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 1o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de tweede fase zal een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo) worden aangevraagd.

Eisers wonen in de omgeving van het perceel, en zij vrezen overlast door de pluimveehouderij. Zij hebben daarom (tijdig) een zienswijze tegen de ontwerp-milieuvergunning van 3 februari 2017 ingediend en vervolgens beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de verleende milieuvergunning.

Stalsysteem

2.1.

Eisers betogen dat in de vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming uitgegaan wordt van stalsysteem BWL 2017.01, zodat het erop lijkt dat de voorliggende aanvraag achterhaald is.

2.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

De aanvraag heeft betrekking op stalsysteem BWL.2009.14.V5. Dit stalsysteem is ook vergund in voorschrift 1.1.1. Indien de aanvrager een gewijzigd stalsysteem wil realiseren dan zal daartoe een nieuwe aanvraag moeten worden ingediend, resulterend in een nieuw besluit. Dit besluit ligt echter in deze procedure niet voor.

De beroepsgrond slaagt niet.

Geur

3.1.

Eisers betogen dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt uitgegaan van een geuremissienorm van 0,24 odeurunits per m³ (Ou/m³) voor vleeskuikens. Dit moet volgens eisers op grond van de Regeling geurhinder en veehouderij voor stalsysteem E5.10 0,33 Ou/m³ zijn, omdat geen sprake is van een luchtwassysteem, biofilter of uitbroeden of opfokken. De berekende geuremissie op de meest nabijgelegen woning Begijnenstraat 2 bedraagt 5,8 Ou/m³, zodat er rekening mee moet worden gehouden dat de norm van 8,0 Ou/m³ wordt overschreden, aldus eisers.

3.2.

De rechtbank stelt met partijen vast dat in tabel 2.2 op pagina 18 van de omgevingsvergunning staat dat voor wat betreft de berekening van geur wordt uitgegaan van 0,24 Ou/m³ per dierplaats. Dit leidt bij een aantal van 42.400 vleeskuikens per stal tot een toename van (42.400 x 0,24 = 10.176 x 2 stallen =) 20.352 odeurunits.

De rechtbank stelt voorts vast dat in de V-stacksberekening onder 20.1 in de aanvraag van 5 juli 2016 niet is uitgegaan van 0,33 odeurunits per dierplaats, aangezien in de tabel onder “E-aanvraag” uit wordt gegaan van 10.176 per stal, hetgeen resulteert in een geurbelasting van 4,2 odeurunits voor Begijnenstraat 2.

Verweerder heeft echter aangegeven dat per abuis de onjuiste aanvraag is opgestuurd. In de door verweerder met het verweerschrift meegestuurde aanvullende aanvraag van 22 oktober 2016 wordt wel uitgegaan van 0,33 Ou/m³, nu daarin in de tabel onder “E-aanvraag” (42.400 x 0,33 =) 13.992 per stal is vermeld. Deze waarde komt overeen met de V-stacksberekening welke als bijlage 2 bij de omgevingsvergunning is opgenomen. Op grond van deze V-stacksberekening bedraagt de geurbelasting voor Begijnenstraat 2 van 5,8 Ou/m³. Deze uitkomst is ook opgenomen in tabel 2.3 van de omgevingsvergunning.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de berekening van de geurbelasting van 5,8 Ou/m³ is uitgegaan van 0,33 odeurunits per dierplaats. De waarde in tabel 2.2 betreft een verschrijving.

De beroepsgrond slaagt niet.

Geluid

4.1.

Aan het bestreden besluit is het geluidonderzoek van Sain milieuadvies van 5 augustus 2016 ten grondslag gelegd. Omdat de gemeente Beuningen geen geluidbeleid heeft is in het geluidonderzoek aangesloten bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en de daarin opgenomen richtwaarden van 40, 35 en 30 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor het maximale geluidsniveau (LAmax) is uitgegaan van de grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode.

In het geluidonderzoek staat dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor de nachtperiode op het perceel Begijnenstraat 2 op 325 meter afstand 28 dB(A) bedraagt. Voor [adres] bedraagt de waarde 23 dB(A), zodat voldaan wordt aan de Handreiking.

In de omgevingsvergunning zijn in voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 geluidnormen opgenomen voor referentiepunten op 50 meter van de inrichting, omdat de geluidsemissies op de omliggende woningen dermate laag zijn dat controlemetingen moeilijk zijn.

4.2.

Eisers betogen – onder verwijzing naar de memo van advies- en ingenieursbureau J.G. De Roever B.V. van 16 april 2018 – dat een onderbouwing voor de geluiddemping van 8 dB(A) voor de windkappen ontbreekt. Omdat deze demping nodig is om te voldoen aan de geluidnorm van 30 dB(A) op het perceel Begijnenstraat 2, staat niet vast dat deze geluidnorm niet wordt overschreden. In het geluidonderzoek is daarnaast ten onrechte de akoestische beoordeling van de biomassaopslag ten behoeve van de biomassaketel en de werking van het noodstroomaggregaat buiten bebouwing gelaten, aldus eisers.

Volgens eisers ontbreekt een geluidcontrolevoorschrift en een toets aan de BBT-conclusies.

4.3.

Verweerder heeft in reactie op de memo van De Roever een notitie van Sain milieuadvies van 8 juni 2018 overgelegd. In deze notitie staat het volgende:

“Werkwijze

De bronvermogens die wij gebruiken bij het uitvoeren van akoestisch onderzoek volgen uit door onszelf uitgevoerde metingen en uit informatie van fabrikanten. Als er sprake is van een bestaande inrichting, heeft het onze voorkeur in-situ metingen te verrichten aan de feitelijke situatie. Als dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de stal nog niet gebouwd is of omdat de ventilatoren worden vervangen, maken wij gebruik van eerder door onszelf uitgevoerde metingen aan vergelijkbare bronnen en/of informatie van fabrikanten.

In de onderhavige situatie is het bronvermogen van de ventilatoren gebaseerd op informatie van de fabrikant Fancom. Het effect van de te installeren winddrukkap is berekend uit het verschil van het bronvermogen van een ventilator dat door een fabrikant wordt opgegeven en het door onszelf berekende bronvermogen (inclusief het effect van de winddrukkap) uit in-situ geluidsmetingen.

Als bijlage bij deze notitie is een overzicht opgenomen van een aantal door ons uitgevoerde metingen en de berekende geluidsreductie ten gevolge van de winddrukkap. In alle gevallen zijn de metingen verricht aan een of meerdere ventilatoren die op 100% van de capaciteit in werking waren. (…).

In de bijlage is voor meerdere ventilatoren het verschil weergegeven, welke varieert van minimaal 8 dB tot maximaal 13,9 dB. Bij de ventilator van Fancom bedraagt het verschil 9,9 dB.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze aanvullende motivering de geluiddemping van 8 dB van de windkappen afdoende heeft gemotiveerd.

Het noodstroomaggregaat en de biomassaopslag zijn terecht niet meegenomen in het geluidonderzoek. Het testen van het noodstroomaggregaat zal slechts zeer incidenteel plaatsvinden. Zoals Sain terecht heeft aangegeven is de aanvoer van houtsnippers niet relevant ten opzichte van de overige tien transportbewegingen waarin het rapport van is uitgegaan.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit met betrekking tot het aspect “geluid” in strijd is met de BBT-conclusie “Intensieve pluimvee- of veehouderij”. Zoals verweerder heeft aangegeven wonen eisers op ruime afstand van de inrichting en wordt (ruimschoots) voldaan aan de geluidnormen. In dat geval bestaat geen aanleiding voor het opstellen van een geluidbeheersplan.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

4.5.

De voorliggende omgevingsvergunning heeft betrekking op een IPPC-installatie, nu sprake is van meer dan 40.000 stuks pluimvee. In dat geval dienen op grond van artikel 5.5, vierde lid, van het Besluit omgevingsrecht geluidcontrolevoorschriften in de vergunning te worden opgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit door het ontbreken van dit controlevoorschrift in strijd met artikel 5.5, vierde lid, Bor. Zie ter vergelijking overweging 13 uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 16 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3862).

De beroepsgrond slaagt.

Volksgezondheid

5.1.

Eisers betogen – onder verwijzing naar diverse publicaties – dat omwonenden van veehouderijen een grotere kans hebben op gezondheidsklachten. Volgens eisers heeft verweerder de gevolgen van de veehouderij op de gezondheid van omwonenden onvoldoende meegewogen.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat wat endotoxinen betreft er geen sprake is van een eenduidige wettelijke regeling die bepaalt op welke wijze bestuursorganen de mogelijke gevolgen van de emissie van endotoxinen bij veehouderijen in hun besluitvorming moeten betrekken. Het is aan verweerder om bij het besluit over vergunningverlening te bepalen welke maatregelen bij endotoxinen in het belang van de bescherming van het milieu nodig zijn. Bij die bepaling heeft verweerder beoordelingsruimte.

Het ligt voorts op de weg van degene die zich beroept op het bestaan van een risico voor de volksgezondheid, waaronder vrees voor endotoxinen, om aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk te maken dat de door verweerder gehanteerde toetsingskaders niet toereikend zijn.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2395).

5.3.

Verweerder heeft bij de beoordeling van het aspect “gezondheid” aansluiting gezocht bij de “Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0” van het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van 25 november 2016, en de daarin opgenomen advieswaarde van 30 endotoxine-units per m³ (EU/m³). Volgens verweerder bedraagt de kortste afstand van het emissiepunt op de stal tot de dichtstbijzijnde woning 345 meter, zodat gelet op de berekende fijnstofemissie wordt voldaan aan de waarde van 30 EU/m³.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid kunnen baseren op deze notitie en de daarin opgenomen adviesnorm. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning is zodanig dat deze norm van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Daarnaast heeft verweerder met voorschrift 1.5.1 en 1.5.2 aanvullende maatregelen voorgeschreven, namelijk dat de inrichtinghouder in bezit moet zijn van het Keurmerk Zoönosen.

Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerder gehanteerde toetsingskaders bij een pluimveehouderij niet toereikend zijn.

De beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep van eisers is gegrond, gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder rechtsoverweging 4.5. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover hieraan geen geluidcontrolevoorschrift is verbonden. De rest van het bestreden besluit blijft derhalve in stand. Verweerder dient in een nieuw besluit een geluidcontrolevoorschrift op te nemen.

7. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Eisers hebben voorts verzocht om vergoeding van deskundigenkosten van De Roever. De Roever heeft 6 uur besteed aan de nota. Dit aantal uren acht de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank gaat uit van een forfaitair bedrag van € 75 per uur, zodat € 450 voor vergoeding in aanmerking komt.

8. Voorts bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eisers gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover hieraan geen geluidcontrolevoorschrift is verbonden;

  • -

    draagt verweerder op om met betrekking tot het geluidcontrolevoorschrift een nieuw besluit te nemen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van in totaal € 1452;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 338 aan eisers vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzitter, mr. drs. M.S.T. Belt en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 10 januari 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.