Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:5354

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
22-11-2019
Zaaknummer
326792
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevoegde zaken. Vorderingen tot betaling facturen advocatenkantoor. Eindvonnis na tussenvonnis in de gevoegde zaken van 28 november 2018. De rechtbank komt niet terug op de in het tussenvonnis gegeven oordelen over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en de klachttermijn. Omdat de vorderingen in conventie worden toegewezen bestaat geen aanleiding om conservatoire beslagen op te heffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

Vonnis in gevoegde zaken van 29 mei 2019

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/05/326792 / HA ZA 17-500 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DAAN ADVOCATUUR B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.J. Sark te Arnhem,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HASSEL HOLDING B.V.,

gevestigd te Sleeuwijk,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. S. Mol te Utrecht.

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/05/326795 / HA ZA 17-501 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DAAN ADVOCATUUR B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

advocaat mr. R.J. Sark te Arnhem,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VRIJHEID APELDOORN B.V.,

gevestigd te Hengelo,

gedaagden,

advocaat mr. S. Mol te Utrecht.

Partijen zullen hierna Daan, [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn worden genoemd.

1 De procedure in de gevoegde zaken

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis in de gevoegde zaken van 28 november 2018,

  • -

    de akte houdende overlegging producties in gevoegde zaken, tevens akte houdende vermindering van eis van 9 januari 2019 van de zijde van Daan,

  • -

    de antwoordakte in de beide zaken van 6 februari 2019 van de zijde van [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn.

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van de gevoegde zaken

in conventie

2.1.

In het tussenvonnis van 28 november 2018 heeft de rechtbank onder meer als volgt geoordeeld. Als [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn meenden dat zij niet gehouden waren tot betaling van facturen die Daan uit hoofde van de overeenkomsten met hen aan hen heeft gestuurd, onder meer op de grond dat deze facturen volgens hen aan anderen hadden moeten worden gestuurd, dan hadden zij dat ingevolge artikel 4.7 van de algemene voorwaarden binnen 14 dagen na de desbetreffende factuurdatum schriftelijk en gemotiveerd aan Daan moeten laten weten (rechtsoverweging 4.4). [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn verzoeken de rechtbank dat oordeel te heroverwegen. Daartoe betogen zij dat voor de werkzaamheden die met deze facturen in rekening zijn gebracht een overeenkomst van opdracht tussen Daan en hen ontbreekt, zodat ook de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn en Daan daarop jegens hen dus geen beroep kan doen. Volgens [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn kan niet worden aangenomen dat de ontvanger van een factuur die ziet op werkzaamheden waar geen opdracht voor is gegeven (een spookfactuur) aansprakelijkheid zou erkennen indien hij hier niet tijdig op zou reageren (akte 2.5 tot en met 2.7).

2.2.

De rechtbank zal niet terugkomen van het gegeven oordeel zoals dat is gemotiveerd in rechtsoverweging 4.4. van het tussenvonnis. De facturen die Daan aan [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn heeft gestuurd, zijn gestuurd in het kader van de tussen deze partijen gesloten overeenkomsten. Dat geldt ook voor facturen waarmee [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn het niet eens zijn omdat deze volgens hen niet hadden moeten worden gestuurd aan hen maar aan anderen, in het bijzonder aan andere vennootschappen van de groep waartoe zij behoren. De vraag of [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn deze facturen op basis van de met hen gesloten overeenkomsten verschuldigd zijn, is een vraag van uitleg van deze overeenkomsten. De algemene voorwaarden die van toepassing zijn op deze overeenkomsten zijn daarom ook met betrekking tot de vraag of die facturen verschuldigd zijn van toepassing. Aan Daan komt daarom met betrekking tot deze facturen jegens [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn een beroep toe op het in die algemene voorwaarden opgenomen artikel 4.7.

2.3.

[gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn brengen voorts tegen het tussenvonnis in dat [gedaagde 1] zich in de periode dat Daan hem heeft bijgestaan in een onwerkelijke, zware situatie bevond, waarin veel van hem werd gevergd en waarin bijstand van een advocaat noodzakelijk was vanwege de verschillende juridisch ingewikkelde kwesties en procedures die speelden. Volgens hen kon Daan onder deze omstandigheden niet van [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn verwachten dat zij binnen veertien dagen na de factuurdatum over die facturen zouden klagen (akte 2.3). Voorts hebben zij aangevoerd dat de overschrijding van de termijn van veertien dagen gering was, gerekend vanaf de laatste facturen van Daan van 16 mei 2017 tien dagen en gerekend van de toezending na aanpassing van de tenaamstelling vier dagen. Zij concluderen dat het beroep van Daan op een dergelijke termijnoverschrijding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (akte 2.4).

2.4.

De rechtbank zal ook niet terugkomen van het gegeven oordeel over de klachttermijn zoals dat is gemotiveerd in rechtsoverweging 4.4. van het tussenvonnis. Ook als de overschrijding van de klachttermijn ter zake van deze facturen gering was en [gedaagde 1] destijds onder druk stond, is toepassing van artikel 4.7 van de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar vanwege het redelijke doel dat deze bepaling dient, zoals gemotiveerd in de genoemde rechtsoverweging.

2.5.

De rechtbank blijft aldus bij het in het tussenvonnis gegeven oordeel dat van de facturen waarvan Daan in deze procedure betaling vordert de klachttermijn van artikel 4.7 van de algemene voorwaarden van Daan is overschreden. Tegen die facturen kunnen [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn daarom geen bezwaar meer maken op de door hen aangevoerde gronden (rechtsoverweging 4.5). [gedaagde 1] heeft evenwel ook ronde bedragen aan Daan betaald die zij heeft afgeboekt op facturen waarvan zij in deze procedure geen betaling vordert. Als [gedaagde 1] terecht bezwaar kan maken tegen die facturen en de klachttermijn met betrekking tot die facturen is niet overschreden, dan heeft Daan die bedragen niet op die facturen mogen afboeken, en dienen zij alsnog te worden afgeboekt op de facturen waarvan Daan in deze procedure betaling vordert. Om dit te kunnen beoordelen, heeft de rechtbank Daan op grond van artikel 22 Rv bevolen een overzicht in het geding te brengen van alle facturen die zij aan [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn heeft gestuurd, waarbij zij diende te vermelden wanneer en op welke wijze zij de facturen heeft verstrekt. Deze facturen dienden te zijn voorzien van specificaties en van de vermelding hoe en wanneer Daan de ontvangen ronde bedragen op die facturen in mindering heeft gebracht. Daan heeft met haar akte van 9 januari 2019 en de daarbij gevoegde producties aan dit bevel voldaan.

2.6.

[gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn betogen bij antwoordakte dat Daan met haar akte een aantal nieuwe facturen in het geding heeft gebracht. Zij geven op die facturen in hun antwoordakte commentaar. De facturen met nummers 111583, 111585 en 111590 van 16 januari 2017 zijn volgens [gedaagde 1] ten onrechte gefactureerd aan hem privé. Deze facturen hebben volgens [gedaagde 1] betrekking op werkzaamheden verricht in opdracht van [naam bedrijf] Vrijheid Apeldoorn betoogt dat de factuur met nummer 111871 van 23 februari 2017 ten onrechte is gefactureerd aan haar. Die factuur ziet op de verkoop van de activiteiten van [naam bedrijf] en [naam bedrijf] Tilburg B.V. Daarom waren volgens Vrijheid Apeldoorn deze vennootschappen opdrachtgever (akte 3.2 en 3.3).

2.7.

[gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn betogen voorts dat de factuur met nummer 111072 van 6 oktober 2016 gedeeltelijk onjuist is. Zij leiden uit verschillende tijdregels in de specificatie af dat met deze factuur werkzaamheden in rekening zijn gebracht waarvan [naam bedrijf] opdrachtgever was. Voorts staan er in de specificatie werkzaamheden waarvan niet duidelijk is op welke specifieke procedure zij betrekking hebben. Ook is volgens hen factuur nummer 111591 van 16 januari 2017 gedeeltelijk onjuist. Zij leiden uit de specificatie af dat verschillende werkzaamheden op deze factuur in opdracht van [naam bedrijf] zijn verricht.

2.8.

De facturen waarop [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn commentaar leveren, dateren van 6 oktober 2016 (111072), 16 januari 2017 (111583, 111585, 111590 en 111591) en 23 februari 2017 (111871). Daan heeft in haar akte bij deze facturen prints gevoegd van de e-mailberichten waarmee zij deze facturen heeft verzonden. Die prints vermelden de data van de gezonden facturen en het adres [e-mailadres] dat is het adres dat Daan volgens afspraak voor de facturatie zou gebruiken (zie het tussenvonnis van 28 november 2018 onder 2.2). [gedaagde 1] , Hassel Holding Vrijheid Apeldoorn hebben gesteld dat Daan ‘een aantal nieuwe facturen’ heeft ingebracht. De vraag is of met ‘nieuw’ door hen is bedoeld dat zij de hier genoemde facturen niet eerder hebben ontvangen, maar dat hebben zij niet gesteld, laat staan toegelicht. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat met ‘nieuw’ is bedoeld dat deze facturen niet reeds bij dagvaarding waren overgelegd. Ook hebben [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn niet gesteld dat zij het commentaar dat zij hier op deze facturen geven eerder hebben gegeven, meer in het bijzonder dat zij dat hebben gedaan met inachtneming van hetgeen is opgenomen in artikel 4.7 van de algemene voorwaarden. Zij hebben integendeel gesteld dat zij op deze facturen nog niet hadden gereageerd (antwoordakte 3.1). Reeds daarom kan op grond van hetgeen [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn in hun akte hebben gesteld, niet worden geoordeeld dat Daan door hen betaalde bedragen heeft afgeboekt op facturen waartegen [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn binnen de voorwaarden van artikel 4.7 van de algemene voorwaarden bezwaar heeft gemaakt (vergelijk rechtsoverweging 4.5 van het tussenvonnis van 28 november 2018).

2.9.

De conclusie is dat de verweren van [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn tegen de vordering van Daan tot betaling van haar facturen falen.

conclusie met betrekking tot de vordering onder A in de zaak met rolnummer 17-500

2.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de primaire vordering onder A in de zaak met rolnummer 17-500 zal worden toegewezen, dat is € 31.063,55, te vermeerderen met de niet afzonderlijk betwiste rente als primair gevorderd, dat is vanaf de respectievelijke vervaldata van de openstaande facturen. Op grond van de algemene voorwaarden bedraagt de betalingstermijn van de facturen veertien dagen (zie het tussenvonnis van 28 november 2018 onder 2.3). De data van de facturen staan vermeld in het overzicht dat in het tussenvonnis van 28 november 2018 is opgenomen onder 2.12. Dat overzicht, voor zover het betrekking heeft op Hassel Holding, wordt hier opnieuw opgenomen:

2.11.

Bij akte houdende wijziging van eis van 7 september 2018 heeft Daan haar primaire vordering onder A om [gedaagde 1] en Hassel Holding te veroordelen tot betaling van € 31.063,55 ‘subsidiair’ vermeerderd met € 24.073,14 tot € 55.136.69. Dat heeft zij gedaan voor het geval dat de rechtbank zou oordelen dat Daan niet gerechtigd was tot verrekening van het bedrag van € 24.073,14 op haar derdengeldenrekening met openstaande declaraties (akte onder 25). De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van deze vordering omdat de voorwaarde waaronder Daan deze heeft ingesteld niet is ingetreden (zie het tussenvonnis van 28 november 2018 onder 4.10).

conclusie met betrekking tot de vordering onder A in de zaak met rolnummer 17-501

2.12.

Dat de verweren van [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn tegen de vordering van Daan tot betaling van haar facturen falen, leidt er voorts toe dat de primaire vordering onder A in de zaak met rolnummer 17-501 zal worden toegewezen. Bij akte houdende wijziging van eis van 7 september 2018 heeft Daan deze vordering van € 108.013,27 verminderd met € 1.986,22 tot € 106.027,05. Dat heeft zij gedaan omdat zij op de factuur met nummer 111072 een te hoog uurtarief in rekening had gebracht (akte onder 26). Bij akte houdende vermindering van eis van 9 januari 2019 heeft Daan haar vordering verder verminderd met € 1.203,75 tot € 104.823,30. Het bedrag van € 1.203,75 is het restant van de betaling van € 50.000,00 van 25 november 2016 na afboeking op de facturen met nummers 111072 en 111337, welk restant is aangewend ter voldoening van de voorschotnota met nummer 111033. Daan heeft haar vordering met dit bedrag verminderd omdat zij in haar administratie niet heeft kunnen vaststellen dat dit voorschotbedrag is verrekend (akte onder 13). De conclusie is dat de primaire twee maal verminderde vordering onder A zal worden toegewezen, dat is € 104.823,30, te vermeerderen met de niet afzonderlijk betwiste rente als gevorderd, dat is vanaf de respectievelijke vervaldata van de openstaande facturen. Op grond van de algemene voorwaarden bedraagt de betalingstermijn van de facturen veertien dagen (zie het tussenvonnis van 28 november 2018 onder 2.3). De data van de facturen staan vermeld in het overzicht dat in het tussenvonnis van 28 november 2018 is opgenomen onder 2.12. Dat overzicht, voor zover het betrekking heeft op Vrijheid Apeldoorn, wordt hier opnieuw opgenomen (waarbij in de tweede kolom de factuurdata zijn opgenomen, zoals in het overzicht dat is weergegeven onder 2.9):

2.13.

In de akte van 7 september 2018 heeft Daan haar vordering in de zaak met rolnummer 17-501 ‘subsidiair’ vermeerderd van € 106.027,05 met € 5.463,75 tot € 111.490,80 (na de hierboven vermelde vermindering met € 1.203,75 is dat € 110.287,05). Dat heeft zij gedaan voor het geval dat de rechtbank zal oordelen dat de facturen met nummers 111861 en 111995 van samen € 5.463,75 niet aan Hassel Holding maar aan Vrijheid Apeldoorn hadden moeten worden gefactureerd (akte onder 27). De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van deze vordering omdat de voorwaarde waaronder Daan deze heeft ingesteld niet is ingetreden.

in reconventie (in de zaak met rolnummer 17-500)

2.14.

Met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juni 2017 heeft Daan ten laste van Hassel Holding bij exploot van 12 juni 2017 conservatoir derdenbeslag gelegd onder [naam] , voormalig vennoot, op al hetgeen deze aan Hassel Holding verschuldigd is en bij exploot van 13 juni 2017 conservatoir beslag op aandelen van Hassel Holding in Vrijheid Apeldoorn.

2.15.

Hassel Holding vordert dat de rechtbank deze beslagen opheft. Daartoe voert zij aan dat de vorderingen in conventie (tot zekerheid waarvan de beslagen zijn gelegd) moeten worden afgewezen.

2.16.

Zoals hiervoor overwogen, zullen de vorderingen in conventie worden toegewezen. Er is daarom geen aanleiding om de conservatoire beslagen die Daan heeft gelegd op te heffen. De vordering tot opheffing zal daarom worden afgewezen.

buitengerechtelijke incassokosten in de beide zaken

2.17.

Daan heeft als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten veroordeling gevorderd van € 4.659,53 (in de zaak met rolnummer 17-500) en € 16.201,99 (in de zaak met rolnummer 17-501). Zij heeft daartoe in beide zaken gesteld dat zij vergeefs heeft geprobeerd om buiten rechte met [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn tot een regeling te komen en dat zij in het kader daarvan daadwerkelijk de nodige kosten heeft gemaakt. Zij baseert haar vordering tot vergoeding daarvan op artikel 6:96 lid 2 sub c BW en op artikel 4.5 van haar algemene voorwaarden. Dat artikel luidt:

Indien ook na aanmaning betaling uitblijft, zijn alle (buiten)gerechtelijke incassokosten verschuldigd die hierbij worden vastgesteld op 15% van het factuurbedrag, met een minimum van € 50.

2.18.

[gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn hebben hiertegen geen verweer gevoerd. Het is hun echter niet duidelijk waarom Daan de onderhavige vorderingen in twee afzonderlijke procedures heeft ingesteld. Die wijze van procederen leidt volgens hen voor alle betrokkenen tot extra kosten. [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn betogen dat daarmee rekening moet worden gehouden voor zover Daan meent dat de buitengerechtelijke incassokosten geheel voor rekening van hen dienen te komen.

2.19.

Nu [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn niet hebben betwist dat Daan buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen, zal de vordering tot vergoeding daarvan worden toegewezen en wel op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden van Daan tot 15% van de toegewezen factuurbedragen, dat is € 4.659,53 (zaak met rolnummer 17-500) en € 15.723,50 (zaak met rolnummer 17-501). Dat Daan haar vorderingen op [gedaagde 1] en Hassel Holding respectievelijk op [gedaagde 1] en Vrijheid Apeldoorn heeft ingesteld in afzonderlijke procedures, heeft op de hoogte van deze bedragen geen invloed.

proceskosten en nakosten in de beide zaken

2.20.

[gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn worden in de beide procedures in conventie in het ongelijk gesteld. Zij worden daarom veroordeeld in de proceskosten daarvan. Hassel Holding wordt daarom ook veroordeeld in de beslagkosten als gevorderd.

2.21.

Hassel Holding wordt voorts in het ongelijk gesteld in de procedure met rolnummer 17-500 in reconventie. Zij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten daarvan.

2.22.

Ook de rente over de proceskosten is toewijsbaar als gevorderd, met dien verstande dat de ingangsdatum daarvan niet heden is maar veertien dagen na heden, omdat het verzuim ter zake van de proceskosten pas dan intreedt.

2.23.

Bij vonnis van 14 februari 2018 heeft de rechtbank de incidentele vordering van [gedaagde 1] en Vrijheid Apeldoorn tot voeging van de beide zaken toegewezen en de beslissing omtrent de kosten in het incident aangehouden tot in de hoofdzaak zal worden beslist. Omdat geen van de partijen kan worden beschouwd als in het ongelijk gesteld met betrekking tot de voeging, zullen de proceskosten van het incident worden gecompenseerd, zo dat de partijen de eigen kosten dragen.

2.24.

Ook de door Daan gevorderde nakosten zijn toewijsbaar, met dien verstande dat daarvoor in de beide procedures in conventie en in de procedure in reconventie het tarief wordt gehanteerd voor nakosten in conventie en reconventie.

3 De beslissing

De rechtbank

in de zaak met rolnummer 17-500 (Daan / [gedaagde 1] en Hassel Holding)

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en Hassel Holding hoofdelijk, zo dat als een van hen betaalt ook de ander is gekweten, om aan Daan te voldoen € 31.063,55, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke vervaldata van de openstaande facturen tot aan de dag der algehele voldoening,

3.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en Hassel Holding hoofdelijk, zo dat als een van hen betaalt ook de ander is gekweten, om aan Daan te voldoen € 4.659,53 als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten,

3.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en Hassel Holding hoofdelijk, zo dat als de een betaalt ook de ander is gekweten, in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van Daan begroot op € 160,84 aan explootkosten (twee maal € 80,42), € 1.924,00 aan vast recht en € 1.737,50 aan salaris voor de advocaat (2½ punt, tarief III), te voldoen binnen veertien dagen na heden en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,

3.4.

veroordeelt Hassel Holding in de beslagkosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van Daan begroot op € 695,00 aan salaris voor de advocaat en € 534,52 aan explootkosten,

in reconventie

3.5.

wijst de vordering af,

3.6.

veroordeelt Hassel Holding in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van Daan begroot op € 543,00 (de helft van 2 punten, tarief II) aan salaris voor de advocaat,

in de zaak met rolnummer 17-501 (Daan / [gedaagde 1] en Vrijheid Apeldoorn)

3.7.

veroordeelt [gedaagde 1] en Vrijheid Apeldoorn hoofdelijk, zo dat als een van hen betaalt ook de ander is gekweten, om aan Daan te voldoen € 104.823,30, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke vervaldata van de openstaande facturen tot aan de dag der algehele voldoening,

3.8.

veroordeelt [gedaagde 1] en Vrijheid Apeldoorn hoofdelijk, zo dat als een van hen betaalt ook de ander is gekweten, om aan Daan te voldoen € 15.723,50 als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten,

3.9.

veroordeelt [gedaagde 1] en Vrijheid Apeldoorn hoofdelijk, zo dat als de een betaalt ook de ander is gekweten, in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van Daan begroot op € 160,84 aan explootkosten (twee maal € 80,42), € 3.894,00 aan vast recht en € 4.267,50 aan salaris voor de advocaat (2½ punt, tarief V), te voldoen binnen veertien dagen na heden en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,

3.10.

compenseert de kosten in het voegingsincident, zo dat Daan, [gedaagde 1] en Vrijheid Apeldoorn daarvan de eigen kosten dragen,

voorts in beide zaken

3.11.

veroordeelt [gedaagde 1] , Hassel Holding en Vrijheid Apeldoorn in de nakosten, aan de zijde van Daan bepaald op € 246,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 82,00 voor nasalaris advocaat,

3.12.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en

3.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.