Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:532

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
C/05/348891 KZ RK 19-9
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking. Niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/348891 KZ RK 19-9

Beslissing van 7 februari 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker,

gemachtigde: [gemachtigde] (praktijk voor rechtsbijstand [naam])

strekkende tot de wraking van

mr. J.S.W. Lucassen,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de kantonrechter.

1 De procedure

1.1

Namens verzoeker is op 1 februari 2019 schriftelijk een wrakingsverzoek ingediend. Dit verzoek is die dag om 16.36 uur per mail verzonden naar het bewindsbureau van de rechtbank.

1.2

De wrakingskamer beslist op het verzoek zonder mondelinge behandeling.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer BM49120. In die zaak heeft verzoeker, bewindvoerder, verzocht om het bewind om te zetten in curatele. Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, kort samengevat, het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.

2.2

Volgens verzoeker heeft de kantonrechter bij het huisbezoek aan de rechthebbende op 1 februari 2019 aan de verschillende (proces)partijen vragen gesteld, waaronder de huisarts van de rechthebbende. Deze huisarts is een heksenjacht tegen verzoeker gestart, wat bij de rechtbank bekend moet zijn, aldus verzoeker. De kantonrechter heeft er voor gekozen veel waarde toe te kennen aan de mededelingen van de huisarts. Verzoeker was niet aanwezig bij dit huisbezoek en de kantonrechter heeft hem niet in de gelegenheid gesteld hierop nader te reageren. Daardoor ontstaat er volgens verzoeker een in appel laakbare beslissing en heeft hij tenminste de schijn van partijdigheid opgeroepen.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. Bovendien voorziet de wet niet in de mogelijkheid om een wrakingsverzoek in te dienen, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak.

De wrakingskamer overweegt verder op basis van de dossierstukken als volgt.

3.2

Verzoeker is bij beschikking van 8 december 2017 benoemd tot (opvolgend) bewindvoerder van de rechthebbende. Op 14 januari 2019 heeft verzoeker de kantonrechter verzocht het bewind om te zetten naar curatele. Hangende het onderzoek naar dat verzoek heeft de kantonrechter bij beslissing van 18 januari 2019 verzoeker benoemd tot provisioneel bewindvoerder.

Op 1 februari 2019 heeft de kantonrechter tijdens een huisbezoek de rechthebbende gehoord. Vervolgens heeft de kantonrechter de bewindvoerder telefonisch gehoord. Dit telefoongesprek vond – zo blijkt uit een telefoonnotitie van de kantonrechter – diezelfde dag rond 14.30 uur plaats. In dit telefoongesprek heeft de kantonrechter verzoeker als zijn overweging medegedeeld dat curatele niet daadwerkelijk nodig is, omdat het met minder bescherming ook gaat lukken. Daarnaast heeft de kantonrechter medegedeeld dat hij het idee heeft dat de rechthebbende gebaat zou zijn bij een meer onafhankelijke bewindvoerder en eventueel een mentor. Daarop heeft verzoeker medegedeeld dat dit uiteindelijk de beslissing van de kantonrechter is en dat hij zich daaraan refereert. Vervolgens heeft de kantonrechter medegedeeld dat van provisioneel bewind dus geen sprake meer is, dat verzoeker terugvalt op zijn taken als bewindvoerder en dat hij (de kantonrechter) gaat kijken naar een goed moment voor de overdracht van het bewind. Op de opmerking van verzoeker dat zijn werkzaamheden dan met onmiddellijke ingang stoppen, heeft de kantonrechter medegedeeld dat verzoeker tot de datum van opheffing nog verantwoordelijk is voor zijn taken als bewindvoerder en dat er voor 14 februari een beslissing is over zijn rol. Op de vraag van verzoeker wanneer het bewind dan overgaat omdat hij dan ook alles stopt, heeft de kantonrechter geantwoord: per 1 maart of per 14 februari aanstaande, zo snel als er een beslissing is.

Onder verwijzing naar dit telefoongesprek heeft verzoeker de kantonrechter om 15.11 uur gemaild waarin hij spreekt over “de taken die Uw rechtbank mij heeft opgedragen - die thans eindig zijn –” en “met het door u beëindigen van mijn betrokkenheid bij het gezin”.

De beslissing van de kantonrechter is uitgewerkt in de beschikking van 1 februari 2019. Daarin is vermeld dat de kantonrechter een verstrekkende maatregel als curatele niet noodzakelijk acht, dat het provisioneel bewind wordt gewijzigd, dat verzoeker tot bewindvoerder wordt benoemd en dat de kantonrechter voornemens is om op een later tijdstip een andere, professionele, bewindvoerder te benoemen alsook een mentor, waarvoor eerst de benodigde bereidverklaringen moeten worden ontvangen zodat iedere verdere beslissing wordt aangehouden. De beschikking vermeldt dat daartegen hoger beroep kan worden ingesteld.

3.3

Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat de kantonrechter op 1 februari 2019 een eindbeslissing heeft genomen op het verzoek van verzoeker van 14 januari 2019 met wat daarbij komt. De beslissing strekt immers feitelijk tot afwijzing van het verzoek het bewind om te zetten naar curatele. Daarnaast heeft de kantonrechter beslist dat verzoeker als bewindvoerder zal worden vervangen; de formalisering van die beslissing hangt af van omstandigheden onafhankelijk van verzoeker. Deze beslissingen zijn verzoeker op 1 februari 2019 rond 14.30 uur door de kantonrechter telefonisch medegedeeld. Dat deze beslissingen als eindbeslissingen zijn aan te merken, is gezien de mail van verzoeker van 15.11 uur diezelfde dag door hem ook zo opgevat.

Dit betekent dat verzoeker het verzoek tot wraking te laat heeft ingediend. De kantonrechter had op dat moment immers al eindbeslissingen (geen curatele en vervanging van verzoeker als bewindvoerder) genomen en die beslissingen waren voor verzoeker ook kenbaar. De omstandigheid dat de eerste beslissing (feitelijk neerkomend op: geen curatele) wel in het dictum van de beschikking van 1 februari 2019 is uitgewerkt en de tweede beslissing (vervanging van verzoeker als bewindvoerder) niet in het dictum is uitgewerkt, doet hier niet aan af. Duidelijk was immers dat verzoeker zal worden vervangen en dat de formalisering van die beslissing alleen afhankelijk is van de bereidverklaring van een opvolger.

3.4

Het vorenstaande brengt mee dat verzoeker niet in zijn verzoek tot wraking van de kantonrechter kan worden ontvangen. Nu aanstonds duidelijk is dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek, zal worden afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek. Wat meer of anders is aangevoerd, behoeft daarom evenmin nadere bespreking. De wrakingskamer beslist daarom als volgt.

4 De beslissing

De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. P.J.C. Cremers en mr. E. Schippers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.C. Korevaar en in openbaar uitgesproken op 7 februari 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.