Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:521

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
05/740463-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft op 12 februari 2019 een 16-jarige jongen onder meer veroordeeld voor mensenhandel. Hij heeft een seksafspraak tegen betaling geregeld voor een minderjarig meisje. De rechtbank legt een voorwaardelijke jeugddetentie op voor de duur van 4 maanden en daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf van 150 uren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. De rechtbank veroordeelt verdachte ook tot het betalen van € 500,-- schadevergoeding aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740463-18

Datum uitspraak : 12 februari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

raadsman: mr. P.H.W.M. Roelofs, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 29 januari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 25 september 2018 t/m 29 september 2018 te Druten en/of te Lent, gemeente Nijmegen, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,

(sub 2)

- heeft geworven, vervoerd en/of heeft overgebracht, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, en/of

(sub 5)

- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele

handelingen

Immers heeft verdachte

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij geld kon verdienen door met jongens seks te hebben voor geld en/of

- die [slachtoffer] (via Telegram) op de besloten chatgroep "vuurwerkverkoop" aangeboden voor de prostitutie, waarbij hij de volgende tekst heeft gepost: "hoer beschikbaar 15 jr oud stuur me bericht", waarbij tevens een foto van die [slachtoffer] werd gepost en/of waarbij verdachte de naam [schuilnaam] heeft aangenomen en/of

- die [slachtoffer] (via Telegram) op de besloten chatgroep "money making gram" aangeboden voor de prostitutie waarbij hij de volgende tekst heeft gepost: "wie een leuke avond wil met een leuk meisje stuur me een bericht je moet wel 18 jaar of jonger zijn", waarbij tevens een foto van die [slachtoffer] werd gepost en/of waarbij verdachte de naam [schuilnaam] heeft aangenomen en/of

- contact onderhouden met een (potentiële) klant en/of

- bepaald welke handelingen die [slachtoffer] zou moeten verrichten en/of tegen welke prijs en/of

- tegen de klant gezegd dat hij 220 euro zou moeten afrekenen exclusief de kosten voor de hotelkamer en/of

- tegen [slachtoffer] gezegd dat zij voor haar diensten 115 euro zou krijgen en/of

- afspraken gemaakt met de klant waar de prostitutie zou plaats vinden en op welk tijdstip en [slachtoffer] hierover geïnstrueerd en/of

- met [slachtoffer] afgesproken op het station in Lent en/of

- [slachtoffer] begeleid en/of overgebracht naar het [hotel] in Lent waar hij, verdachte met de klant had afgesproken in [hotelkamer] en/of

- met [slachtoffer] naar de betreffende hotelkamer gegaan waarbij het de bedoeling was dat hij tijdens de prostitutieafspraak zou wachten in de badkamer van de hotelkamer;

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2018 t/m 02 oktober 2018 te Druten, althans in Nederland, een (aantal) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 te weten:

- een stroomstootwapen geïntegreerd in een zaklamp, (categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie)

- pepperspray (categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie)

- een kogelpatroon van het merk MEN (Metallwerk Eisenhütte GmbH) 9 mm (Para) (categorie III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 februari 2018 t/m 28 september 2018 te Druten en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2018 t/m 2 oktober 2018 te Druten, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 113.66 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjhies (een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd) en/of hennep, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet;

5.

hij in of omstreeks de periode van 25 september 2018 t/m 2 oktober 2018 te Druten en/of te Lent, althans in Nederland,

(telkens) opzettelijk een tiental, althans een aantal bankbiljetten van 50 euro dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, (telkens) in voorraad heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft in de periode van 25 september 2018 t/m 29 september 2018 te Druten en te Lent, gemeente Nijmegen, contact gehad met de toen 15-jarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , met het doel een afspraak tot stand te brengen tussen haar en een (potentiële) klant bij wie zij tegen betaling seksuele handelingen zou verrichten.2

Verdachte heeft in die periode verder:

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij geld kon verdienen door met jongens seks te hebben voor geld;

- die [slachtoffer] (via Telegram) op een besloten chatgroep aangeboden voor de prostitutie, waarbij hij de volgende tekst heeft gepost: "hoer beschikbaar 15 jr oud stuur me bericht" en/of waarbij verdachte de naam [schuilnaam] heeft aangenomen;3

- die [slachtoffer] (via Telegram) op de besloten chatgroep "money making gram" aangeboden voor de prostitutie waarbij hij de volgende tekst heeft gepost: "wie een leuke avond wil met een leuk meisje stuur me een bericht je moet wel 18 jaar of jonger zijn" waarbij verdachte de naam [schuilnaam] heeft aangenomen;4

- contact onderhouden met een potentiële klant;

- bepaald welke handelingen die [slachtoffer] zou moeten verrichten en tegen welke prijs;5

- tegen de klant gezegd dat hij 220 euro zou moeten afrekenen exclusief de kosten voor de hotelkamer;6

- tegen [slachtoffer] gezegd dat zij voor haar diensten 115 euro zou krijgen;7

- afspraken gemaakt met de klant waar de prostitutie zou plaats vinden en op welk tijdstip en [slachtoffer] hierover geïnstrueerd;

- met [slachtoffer] afgesproken op het station in Nijmegen;8

- [slachtoffer] begeleid naar het [hotel] in Lent waar hij, verdachte met de klant had afgesproken in [hotelkamer]9

Verdachte is in het hotel met [slachtoffer] naar de betreffende hotelkamer gegaan waarbij het de bedoeling was dat hij tijdens de prostitutieafspraak zou wachten in de badkamer van de hotelkamer.10

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging vindt het te ver gaan om tot de conclusie te komen dat verdachte [slachtoffer] heeft geworven en vindt niet dat verdachte haar ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling. In dat verband heeft de verdediging opgemerkt dat het initiatief om seksuele handelingen tegen betaling te verrichten vanuit [slachtoffer] kwam. Zij had immers aan verdachte gevraagd hoe ze snel geld kon verdienen omdat hij een jongen was die veel kon regelen.

De rechtbank begrijpt uit die stelling dat de verdediging bepleit dat verdachte ten aanzien van feit 1 partieel dient te worden vrijgesproken, namelijk van de ten laste gelegde onderdelen dat verdachte [slachtoffer] heeft geworven (artikel 273f, lid 1, sub 2 Sr) en dat hij haar ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling (artikel 273f, lid 1, sub 5 Sr).

Voor de overige ten laste gelegde onderdelen van feit 1 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft bekend (en dat staat verder ook niet ter discussie) dat hij (kort gezegd) een seksafspraak met een derde voor [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft geregeld waarbij niet alleen zij, maar ook hij geld zou verdienen. Het bedrag dat verdachte zou verdienen was veel groter dan het bedrag dat [slachtoffer] dacht dat hij zou krijgen. De verklaringen van [slachtoffer] en verdachte over de verdere gang van zaken komen tot op detailniveau overeen. Alleen ten aanzien van de ten laste gelegde onderdelen ‘geworven’ en [slachtoffer] ‘ertoe brengen zich beschikbaar te stellen’ heeft de verdediging partiele vrijspraak bepleit. Om die reden zal de rechtbank die onderdelen hierna in het bijzonder bespreken.

Het werven (artikel 273f, lid 1, sub 2 Sr)

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij aan verdachte heeft gevraagd hoe zij snel geld kon verdienen. Verdachte gaf haar meerdere opties en antwoordde haar dat zij pinpassen kon regelen, drugs kon dealen of seks met jongens kon hebben voor geld. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij niets met pinpassen wilde doen en al helemaal geen drugs wilde dealen en daarom voor het laatste koos. Verdachte heeft dat geregeld.11 [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte eerst heeft aangegeven dat zij het kon doen met twee of drie jongens voor € 200,-- tot € 300,-- maar dat zij dit te heftig vond. Daarna zei hij tegen haar dat zij het met één jongen kon doen voor ongeveer € 100,--.12 Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] aan hem vroeg hoe zij snel geld kon verdienen. Hij ging er vanuit dat dit in het illegale circuit zou zijn. Hij heeft verschillende manieren benoemd, waaronder de prostitutie. Hij heeft toen als tussenpersoon een seksafspraak geregeld.13

De rechtbank stelt voorop dat voor strafbaarheid op grond van artikel 273f, lid 1, sub 2 Sr geen sprake hoeft te zijn van één van de in artikel 273f, lid 1, sub 1, van het Wetboek van Strafrecht vermelde dwangmiddelen nu het gaat om een minderjarig slachtoffer. Dwang is geen onderdeel van de delictsomschrijving. De strekking van artikel 273f, lid 1, sub 2, 5 en 8 van het Wetboek van Strafrecht ziet op de bescherming van kinderen, waarbij de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel vormt (vgl Kamerstukken II 1996/97, 25 437, nr. 3, p. 9). Dat betekent dus dat aan de wil van de minderjarige en de al dan niet bestaande instemming met het werk in de prostitutie geen betekenis toekomt. Het verweer van verdachte, inhoudende dat het initiatief vanuit [slachtoffer] kwam, treft alleen al daarom geen doel. Los daarvan bestond het initiatief van [slachtoffer] enkel uit het snel geld willen verdienen. Het idee van prostitutie kwam toen juist vanuit verdachte en hij heeft [slachtoffer] grote geldbedragen in het vooruitzicht gesteld. Verdachte heeft vervolgens geacteerd door te adverteren, prijsafspraken te maken en contact te onderhouden met een potentiele klant. Daarmee heeft verdachte [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank geworven voor de prostitutie. Daarna heeft verdachte [slachtoffer] vanaf het treinstation in Nijmegen overgebracht naar het [hotel] in Lent waar de seksuele handelingen tegen betaling door [slachtoffer] verricht zouden worden.

[slachtoffer] ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot prostitutie (artikel 273f, lid 1, sub 5 Sr)

De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘ertoe brengen’ ruim (en naar gewoon spraakgebruik) moet worden uitgelegd. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1174) vallen ook ‘faciliterende activiteiten’ onder de reikwijdte van artikel 273f, lid 1, sub 5, Sr. In dat verband stelt de rechtbank vast dat verdachte (seksuele activiteiten met) [slachtoffer] heeft aangeboden in diverse chatgroepen op Telegram, contact heeft onderhouden met een klant, de seksafspraak heeft gemaakt en de prijs voor de seksuele handelingen met de klant heeft afgesproken. Bovendien is besproken welke seksuele handelingen [slachtoffer] precies zou verrichten. Wat verdachte heeft gedaan is naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan te merken als faciliterende activiteiten. Bovendien heeft de rechtbank hiervoor ook overwogen dat juist het initiatief tot prostitutie kwam van verdachte en dat aan de instemming van [slachtoffer] hiermee geen betekenis toekomt. Dat initiatief, in combinatie met die faciliterende activiteiten, zijn voldoende om daarmee bewezen te zijn dat verdachte [slachtoffer] ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. De rechtbank passeert dan ook het verweer van de verdediging dat hiervan geen sprake zou zijn.

Oogmerk van seksuele uitbuiting

Ten slotte overweegt de rechtbank met betrekking tot het oogmerk van seksuele uitbuiting het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij € 220,-- zou krijgen van de potentiele klant voor de seksuele handelingen die [slachtoffer] zou verrichten. [slachtoffer] zou hier € 115,-- voor krijgen en verdachte had [slachtoffer] gevraagd of hij € 5,-- voor zichzelf mocht houden. Verdachte zou zelf de rest van de
€ 220,-- houden. [slachtoffer] wist dat niet en ging ervanuit dat verdachte slechts € 5,-- zou ontvangen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het oogmerk van seksuele uitbuiting.

Partiële vrijspraak

De rechtbank kan aan de hand van het dossier niet vaststellen of verdachte foto’s van [slachtoffer] in de beide in de tenlastelegging genoemde besloten chatgroepen heeft geplaatst en spreekt verdachte daarom partieel vrij van die onderdelen in de tenlastelegging.

Ten aanzien van feit 2:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 124-125;

- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 139;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 januari 2019.

Ten aanzien van feit 3:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal doorzoeking en inbeslagneming in de woning p. 191- 201;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 142-157;

- het proces-verbaal bevindingen drugs in WhatsApp-gesprekken, p. 158-168;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 januari 2019.

Ten aanzien van feit 4:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal doorzoeking en inbeslagneming in de woning p. 191- 201;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 142-157;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 januari 2019.

Ten aanzien van feit 5:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal forensisch technisch onderzoek valse bankbiljetten d.d. 17 oktober 2018, p. 176;

- het proces-verbaal forensisch technisch onderzoek valse bankbiljetten d.d. 8 november 2018, p. 178;

- het proces-verbaal aantreffen 10 valse bankbiljetten van 50 euro, p. 179-180;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 januari 2019.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 25 september 2018 t/m 29 september 2018 te Druten en/of te Lent, gemeente Nijmegen, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,

(sub 2)

- heeft geworven, vervoerd en/of heeft overgebracht, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, en/of

(sub 5)

- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele

handelingen

Immers heeft/is verdachte

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij geld kon verdienen door met jongens seks te hebben voor geld en/of

- die [slachtoffer] (via Telegram) op de een besloten chatgroep "vuurwerkverkoop" aangeboden voor de prostitutie, waarbij hij de volgende tekst heeft gepost: "hoer beschikbaar 15 jr oud stuur me bericht", waarbij tevens een foto van die [slachtoffer] werd gepost en/of waarbij verdachte de naam [schuilnaam] heeft aangenomen en/of

- die [slachtoffer] (via Telegram) op de besloten chatgroep "money making gram" aangeboden voor de prostitutie waarbij hij de volgende tekst heeft gepost: "wie een leuke avond wil met een leuk meisje stuur me een bericht je moet wel 18 jaar of jonger zijn", waarbij tevens een foto van die [slachtoffer] werd gepost en/of waarbij verdachte de naam [schuilnaam] heeft aangenomen en/of

- contact onderhouden met een (potentiële) klant en/of

- bepaald welke handelingen die [slachtoffer] zou moeten verrichten en/of tegen welke prijs en/of

- tegen de klant gezegd dat hij 220 euro zou moeten afrekenen exclusief de kosten voor de hotelkamer en/of

- tegen [slachtoffer] gezegd dat zij voor haar diensten 115 euro zou krijgen en/of

- afspraken gemaakt met de klant waar de prostitutie zou plaats vinden en op welk tijdstip en [slachtoffer] hierover geïnstrueerd en/of

- met [slachtoffer] afgesproken op het station in Lent en/of

- [slachtoffer] begeleid en/of overgebracht naar het [hotel] in Lent waar hij, verdachte met de klant had afgesproken in [hotelkamer] en/of

- met [slachtoffer] naar de betreffende hotelkamer gegaan waarbij het de bedoeling was dat hij tijdens de prostitutieafspraak zou wachten in de badkamer van de hotelkamer;

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2018 t/m 02 oktober 2018 te Druten, althans in Nederland, een (aantal) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 te weten:

- een stroomstootwapen geïntegreerd in een zaklamp, (categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie)

- pepperspray (categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie)

- een kogelpatroon van het merk MEN (Metallwerk Eisenhütte GmbH) 9 mm (Para), (categorie III van de Wet wapens en munitie), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 februari 2018 t/m 28 september 2018 te Druten en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2018 t/m 2 oktober 2018 te Druten, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 113.66 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjhies (een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd) en/of hennep, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet;

5.

hij in of omstreeks de periode van 25 september 2018 t/m 2 oktober 2018 te Druten en/of te Lent, althans in Nederland,

(telkens) opzettelijk een tiental, althans een aantal bankbiljetten van 50 euro dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, (telkens) in voorraad heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Mensenhandel jegens een persoon beneden de achttien jaar.

Ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie en het feit is begaan met betrekking tot een wapen van Categorie II, meermalen gepleegd

en

Handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 5:

Opzettelijk bankbiljetten waarvan hem de valsheid bekend was toen hij ze ontving, in voorraad hebben met het oogmerk ze als echt en onvervalst te doen uitgeven.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die zijn strafbaarheid uitsluit.

7a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte in verband met het onder feiten 1 tot en met 5 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden dat verdachte meewerkt aan jeugdreclasseringstoezicht en behandeling door het jeugd-FACT van Iriszorg of een soortgelijke instantie en meewerkt aan urinecontroles als de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarbij geldt dat voor elke dag twee uur werkstraf in mindering wordt gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen poeder en het in beslag genomen valse geld worden onttrokken aan het verkeer. De overige inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen kunnen teruggeven worden aan de rechthebbenden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van de feiten die bewezen zijn verklaard, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, mede gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals van een en ander uit de stukken en bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Hierbij is onder meer gelet op:

- het plan van aanpak van de jeugdreclassering van Jeugdbescherming Gelderland van
8 januari 2019;

- de NIFP-rapportage van 16 januari 2019, opgesteld door [naam] , GZ-psycholoog;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 23 januari 2019.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 20 december 2018 (het ‘strafblad’ van verdachte) volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting verder rekening gehouden met de volgende ‘ad informandum’ gevoegde zaken. Verdachte heeft erkend dat hij deze strafbare feiten heeft gepleegd. De officier van justitie heeft toegezegd dat zij ter zake van deze feiten geen afzonderlijke strafvervolging zal instellen indien ze worden meegenomen bij de strafoplegging. Het gaat om de volgende feiten - die eveneens zijn voorzien van parketnummer 05/740463-18:

  1. Het voorhanden hebben van een creditcard-mes, een wapen van categorie I onder 4 (art. 13 lid 1 jo. artikel 55 lid 1 WWM), gepleegd op 2 oktober 2018 te Druten;

  2. Het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, gepleegd op 2 oktober 2018 te Druten (artikel 9.2.2.1 Wet Milieubeheer).

De rechtbank heeft verder met het volgende rekening gehouden.

Het is duidelijk geworden dat verdachte een bijzondere belangstelling voor criminaliteit heeft ontwikkeld. Het is daarbij niet alleen bij interesse gebleven want verdachte heeft ook activiteiten op crimineel gebied ondernomen. Verdachte heeft zich op de eerste plaats schuldig gemaakt aan mensenhandel van een 15-jarig – kwetsbaar – slachtoffer. Dat is een zeer ernstig strafbaar feit. Verdachte heeft het slachtoffer geworven voor de prostitutie door haar op het idee te brengen en grote geldbedragen in het vooruitzicht te stellen. Hij heeft haar vervolgens in diverse chatgroepen aangeboden met een advertentie. Verdachte heeft contact gehad met een potentiele klant en hij is degene geweest die voor diverse seksuele handelingen een prijs overeen is gekomen met die klant. Hij heeft die klant ook een foto van het slachtoffer gestuurd. Daarna heeft verdachte het slachtoffer naar de door hem gemaakte seksafspraak gebracht. Bovendien heeft verdachte het slachtoffer een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld dat aanmerkelijk lager lag dan het geldbedrag dat hij zou ontvangen van de klant. Hij zou dus zelf ook flink geld verdienen aan de door het slachtoffer te plegen seksuele handelingen, namelijk de helft van het overeengekomen bedrag. Dat het niet tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling is gekomen, is te danken aan adequaat politieoptreden (de klant waarmee verdachte dacht te communiceren was in werkelijkheid een politierechercheur). Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, een meisje waarvan hij wist dat ze niet altijd ‘lekker in haar vel zat’; zij had verdachte immers verteld dat zij wekelijks naar therapie ging. Deze gebeurtenis heeft een grote impact op het leven van het slachtoffer en haar familieleden. Dat zij zelf bij verdachte had aangegeven dat zij snel geld wilde verdienen, doet daar niet aan af. Van verdachte mag een andere reactie worden verwacht op de vraag hoe een meisje van 15 jaar oud (snel) geld kon verdienen dan het regelen van een prostitutieafspraak.

Daarnaast blijkt de interesse van verdachte in de criminele wereld uit andere strafbare feiten. Verdachte heeft zich namelijk ook schuldig gemaakt aan handel in softdrugs, het bezit van softdrugs en het bezit van diverse wapens en een kogelpatroon. Tot slot had verdachte valse bankbiljetten in zijn bezit met het doel deze uit te geven en had hij illegaal vuurwerk op zijn slaapkamer. Bij de aanhouding van verdachte in de hotelkamer waar de seksuele handelingen zouden plaatsvinden, is gebleken dat verdachte op dat moment pepperspray en een stroomstootwapen bij zich droeg. Na de doorzoeking van de slaapkamer van verdachte bij zijn moeder thuis bleek dat hij vanuit die plek een handeltje in softdrugs exploiteerde. Hij kocht softdrugs ‘groot’ in bij zijn leverancier en verdiende vervolgens geld door kleine hoeveelheden door te verkopen aan vrienden en bekenden. Uit WhatsApp gesprekken volgt dat hij daarbij (telkens) een prijslijst doorstuurde, wat naar het oordeel van de rechtbank onderstreept dat verdachte niet ‘af en toe’ iets verkocht maar dit min of meer op structurele basis deed. Dit rekent de rechtbank hem in strafverzwarende zin aan.

De valse bankbiljetten heeft verdachte kort voor zijn aanhouding aangeschaft via één de chatgroepen waarin hij actief was. Verdachte heeft vanuit puur financieel gewin gemeend tien valse bankbiljetten van € 50,-- te moeten aanschaffen voor € 8,-- per stuk. Door dit geld in voorraad te hebben met het doel dit uit te geven, heeft verdachte een inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat kan worden gesteld in chartaal geld. Dat vertrouwen is van groot belang voor het algemene betalingsverkeer.

Over de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte volgt uit de rapportages en wat de jeugdreclassering ter zitting naar voren heeft gebracht dat verdachte maatschappelijk gezien eigenlijk goed functioneert. Zijn moeder en zijn mentor op school werden totaal verrast door de aanhouding van verdachte. Uit het rapport van de GZ-psycholoog blijkt niet dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens heeft. Wel constateert de psycholoog dat verdachte emotioneel beperkt is. Hij heeft een onvoldoende ontwikkeld gevoelsleven en ook een beperkt contact met zijn gevoelsleven. Vanwege deze vorm van emotionele leegheid kan hij zich slecht verplaatsen in de ander en ontwikkelt hij zich niet met een positieve zelfwaardering. Achter zijn sociaal wenselijk gedrag schuilt angst en daarnaast is hij manipulatief. Zijn ontwikkeling is zorgelijk maar hij voldoet (nog) niet aan de criteria van een gedragsstoornis of een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis. Hij wordt volledig toerekeningsvatbaar geacht.

Gerapporteerd wordt dat verdachte impulsief, naïef en onnadenkend kan handelen zonder de risico’s daarvan in te zien. Daarbij is hij gevoelig voor antisociale activiteiten. Verdachte lijkt daar een zekere status en identiteit aan te ontlenen. Het geweten van verdachte is daarbij slechts beperkt ontwikkeld. Begeleiding vanuit de jeugdreclassering en behandeling op het gebied van emotionele/affectieve beperkingen wordt dan ook noodzakelijk gevonden. Die begeleiding en behandeling zal de rechtbank daarom ook opleggen als bijzondere voorwaarde.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank verder rekening met de omstandigheid dat verdachte 20 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een deel daarvan in beperkingen heeft gezeten. Daarnaast heeft verdachte sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis huisarrest en is er jeugdreclasseringstoezicht ingezet.

Al het voorgaande in aanmerking genomen komt de rechtbank net als de officier van justitie tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met als bijzondere voorwaarde behandeling door het jeugd-Fact van Iriszorg en een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende jeugddetentie. De voorwaardelijke jeugddetentie legt de rechtbank aan verdachte, in deze strafzaak een first-offender, op om de ernst van de feiten te benadrukken en om hem er van te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.

Voorlopige hechtenis

Het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

7b. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 500,--, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. De officier van justitie heeft daarnaast verzocht te bevelen dat vervangende jeugddetentie ten aanzien van dit bedrag kan worden toegepast.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het betalen van schadevergoeding aan de benadeelde partij te ver zou gaan. Ter toelichting daarvan heeft de verdediging aangegeven dat het initiatief tot de seksafspraak vanuit de benadeelde partij kwam. De verdediging heeft verzocht de vordering om die reden af te wijzen dan wel te matigen. In het geval de rechtbank toch overgaat tot het toewijzen van (een deel van) de vordering, heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de draagkracht van verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. Deze schade bestaat uit immateriële schade.

De benadeelde partij is door het bewezenverklaarde feit in ernstige mate aangetast in haar persoon en heeft hierdoor psychisch letsel geleden. Zij is vanuit een al kwetsbare positie slachtoffer geworden van mensenhandel. Zij schaamt zich voor hetgeen is gebeurd en heeft via de huisarts psychische hulp ingeschakeld. De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen redenen om het toe te wijzen bedrag te matigen in de zin van artikel 6:109 BW omdat hiertoe geen redengevende omstandigheden zijn aangevoerd. Het gevorderde bedrag van € 500,-- acht de rechtbank alleszins redelijk. Evenmin kan bij het bepalen van schade rekening worden gehouden met de draagkracht van verdachte, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Die zijn niet gebleken. Daar is te meer geen aanleiding voor nu verdachte een baan heeft in een restaurant waarmee hij geld verdient. Bovendien is ten behoeve van het slachtoffer conservatoir beslag gelegd op bankbiljetten die in het bezit waren van verdachte waaruit de schadevergoedingsvordering mogelijk kan worden voldaan. De rechtbank zal daarom de vordering van de benadeelde partij integraal toewijzen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De rechtbank zal daarbij bevelen dat – indien verdachte niet betaalt – vervangende jeugddetentie kan worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt. De duur van die vervangende jeugddetentie bepaalt de rechtbank overeenkomstig de daarvoor geldende landelijke oriëntatiepunten op tien dagen.

8 Beslag

Er is een groot aantal voorwerpen in beslag genomen. Verdachte heeft van een deel daarvan afstand gedaan, waarop de beslissing is genomen die voorwerpen te vernietigen. Ook is een deel van de voorwerpen al aan verdachte teruggegeven.

Op diverse bankbiljetten rust nog conservatoir beslag. Er zijn tien bankbiljetten van € 50,-- in beslag genomen waarvan inmiddels is vast komen te staan dat die vals zijn. Die inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet en met betrekking tot welke het onder feit 5 bewezenverklaarde is begaan.

De overige in beslag genomen voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbenden.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 209 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

 stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarde dat verdachte:

o zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 en onder de voorwaarden dat verdachte:

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

o zijn medewerking zal verlenen aan het door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, afdeling jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 en onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte:

o meewerkt aan behandeling door jeugd-FACT van Iriszorg of een soortgelijke instantie zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

 geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland te Arnhem, afdeling jeugdreclassering, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde (bijzondere) voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tevens tot een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

 beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 40 (veertig) uren, zijnde 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Voor het beslag:

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- € 50,-- vals geld (IBN-code V01.02.001);

- € 50,-- vals geld (IBN-code V01.02.002);

- € 50,-- vals geld (IBN-code V01.02.003);

- € 50,-- vals geld (IBN-code V01.02.004);

- € 50,-- vals geld (IBN-code V01.02.005);

- € 50,-- vals geld (IBN-code W01.001.001);

- € 50,-- vals geld (IBN-code W01.001.002);

- € 50,-- vals geld (IBN-code W01.001.003);

- € 50,-- vals geld (IBN-code W01.001.004);

- € 50,-- vals geld (IBN-code W01.001.005).

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbenden, te weten:

- Samsung witte telefoon (IBN-code W01.010);

- Blauw tasje spijkerstof (IBN-code W01.023);

- Zak met onbekend wit poeder (IBN-code W01.028).

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (t.a.v. feit 1).

wijst de vordering van de benadeelde partij toe

- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

Maatregel van schadevergoeding

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 10 (tien) dagen vervangende jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J.T. van Belzen en mr. M.E. Snijders, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D.G. van IJzendoorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 februari 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), opgemaakte proces-verbaal met dossiernummer PL 0600-2018439569, gesloten op 15 november 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2019.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2019; het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 240; het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten, p. 33.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2019; het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten, p. 27-28 en 33-34; het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten, p. 68-71.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2019; het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 238; het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten, p. 70-71.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2019; het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 238; het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten, p. 70.

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2019; het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 52.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 237-238.

9 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten, p. 84-86; het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 237-238.

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 239; het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten, p. 46.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 45.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 43.

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 235 en 238.