Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:520

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3635
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag IB/PVV 2013.

Hoogte regulier voordeel uit aanmerkelijk belang en uitgaven voor onderhoudsverplichtingen.

Eiser en zijn ex-partner waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Tot die gemeenschap behoorden onder meer aandelen in twee bv’s, een woning en schulden waarvan een deel was verhypothekeerd.

Eiser neemt de aandelen over en ook schulden. In geschil is in hoeverre de rente op de schulden aftrekbaar is als kosten van reguliere voordelen. Daarbij is in geschil of de schulden zijn aangegaan tot behoud van het aanmerkelijk belang en zo ja, in welke verhouding de rente aftrekbaar is.

De rechtbank is in een tussenuitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2018:2976) tot het oordeel gekomen dat bij de verdeling een herbeoordelingsmoment plaatsvindt en dat inderdaad een verband bestaat tussen de schulden en het aanmerkelijk belang. In de einduitspraak licht de rechtbank toe dat dit geldt voor het gehele aanmerkelijke belang en niet slechts voor de helft.

Niet het volledige bedrag aan schulden wordt in aanmerking genomen, omdat eiser bij de verdeling is onderbedeeld. Ook is van belang dat eiser naast het aanmerkelijk belang andere activa heeft toegedeeld gekregen. De aandelen vormen 57,5% van de waarde van de totale activa, zodat de schulden ook maar voor dat deel aan de aandelen kunnen worden toegerekend. Omdat eiser is onderbedeeld voor € 400.000, moet vervolgens een bedrag van € 400.000 volledig buiten beschouwing blijven. Eiser had maar € 1.154.731 aan schulden op zich hoeven nemen. Evenredig daaraan wordt het bedrag van de verhypothekeerde schulden verminderd. Van het restantbedrag wordt 57,5% in aanmerking genomen. De rente die daarover verschuldigd is, is aftrekbaar.

Er is over de overbedelingsvordering geen rente afgesproken. Eiser rekent met 4% oftewel € 16.000. De ex-partner heeft dit bedrag als inkomen opgegeven en eiser trekt dit bedrag af als uitgave voor een onderhoudsverplichting, naast een bedrag van € 60.000 dat hij feitelijk aan de ex-partner betaalt. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van kosten die op hem drukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-03-2019
V-N Vandaag 2019/526
FutD 2019-0656
NLF 2019/0717 met annotatie van Rudolf Janssen
NTFR 2019/741 met annotatie van mr. E. Alink RB
Belastingadvies 2019/10.3
V-N 2019/27.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/3635

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 februari 2019

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.639 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.000. Tevens is bij beschikking € 2.010 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 juni 2017 de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 12 juli 2017, ontvangen door de rechtbank op 13 juli 2017, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door drs. [A] . Namens verweerder zijn [gemachtigde] en [B] verschenen.

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Het onderzoek is heropend en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer. Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet te kennen gegeven dat zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Op 6 juli 2018 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gegeven en het onderzoek heropend, omdat zij van oordeel was dat het partijdebat nog niet volledig was geweest. Beide partijen hebben nader gereageerd. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank vervolgens besloten dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Zij heeft het onderzoek opnieuw gesloten.

Overwegingen

De verdere beoordeling van het geschil

1. De rechtbank handhaaft en verwijst naar hetgeen zij in de tussenuitspraak van 6 juli 2018 heeft overwogen.

Kosten van reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang

2. Eiser heeft bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap die tussen hem en zijn ex-partner, [C] (hierna: [C] ), heeft bestaan aandelen in [D] BV en [E] BV toegedeeld gekregen. Hij heeft ook hypothecaire geldleningen tot bedragen van € 845.000 bij de Rabobank en € 50.000 bij [D] BV overgenomen. Over deze leningen betaalt eiser rente. In geschil is of en zo ja tot welk bedrag sprake is van kosten van reguliere voordelen in de zin van artikel 4.15, eerste lid, onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 6 juli 2018 overwogen dat de hypothecaire schulden van oorsprong verband hielden met de aankoop van de echtelijke woning. Bij de verdeling ontstaat een herbeoordelingsmoment. Op dat moment moet beoordeeld worden of sprake is van kosten ter behoud van het aanmerkelijk belang. Verweerder heeft zich in zijn nadere reactie op het standpunt gesteld dat dit slechts voor de helft van de aandelen geldt, omdat eiser al tot de helft van de aandelen gerechtigd was uit hoofde van zijn aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap. Hij heeft daarbij ook gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:BH7197.

4. De rechtbank volgt verweerder niet in die stelling. Het arrest van de Hoge Raad betreft een situatie waarin het huwelijk van een man en een vrouw eindigde door het overlijden van de vrouw. De man was uit hoofde van het huwelijksvermogensrecht gerechtigd tot de helft van het totale vermogen. De vrouw had daarnaast bij testament over haar nalatenschap beschikt en had een ouderlijke boedelverdeling tot stand gebracht, waarbij de man haar vermogen verkreeg en de kinderen een niet-opeisbare vordering. Verdeling had niet plaatsgevonden. De man verhuisde naar het Verenigd Koninkrijk en hertrouwde. Door het hertrouwen werd de vordering van de kinderen opeisbaar. De man ging hiervoor een lening aan, deels versterkt met hypotheek op een in Nederland gelegen onroerende zaak. Voor het overige waren er geen vermogensbestanddelen van de man in de Nederlandse inkomstenbelasting betrokken. De Hoge Raad oordeelde dat de hypotheekrente aftrekbaar was in de verhouding tussen de waarde van de onroerende zaak en de totale waarde van de nalatenschap. Die verhouding wordt niet anders afhankelijk van de vraag of alleen de (50%) erfrechtelijke verkrijging hierin betrokken wordt of ook de verkrijging op grond van het huwelijksvermogensrecht. Hieruit is dus geen aanwijzing af te leiden dat alleen voor de aanwas een herbeoordeling plaatsvindt.

5. Ook voor het overige heeft verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar erfrechtelijke verkrijgingen. Op grond van artikel 3:80, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is bij een verkrijging op grond van erfrecht sprake van een verkrijging onder algemene titel. Dan ligt het voor de hand dat het historische verband tussen een schuld en een zaak gehandhaafd blijft. Een verkrijging op grond van een verdeling is een verkrijging onder bijzondere titel. Alle aandelen, en niet de helft van de aandelen, zijn in het kader van die verdeling aan eiser geleverd. Hierin ziet de rechtbank aanleiding te oordelen dat voor het geheel, en niet slechts voor de helft, een herbeoordelingsmoment plaatsvindt.

6. De rechtbank is van oordeel dat niet zonder meer het volledige bedrag aan schulden in aanmerking kan worden genomen bij de bepaling of sprake is van kosten ter behoud van het aanmerkelijk belang. Daarbij is van belang dat eiser is onderbedeeld. Ook is van belang dat eiser naast de aandelen andere activa toegedeeld heeft gekregen. Daar staat tegenover dat eiser zou zijn overbedeeld als aan hem alleen de aandelen waren toegedeeld zonder enige schuld, zoals is overwogen in de tussenuitspraak.

7. Aan eiser zijn activa toegedeeld met een totale waarde van € 2.039.342. Naast de aandelen in [D] BV en [E] BV zijn aan hem activa toegedeeld met een waarde van € 866.710. Naast de hypothecaire schulden heeft eiser nog voor een bedrag van € 659.731 aan schulden overgenomen. De aandelen hebben een waarde van € 1.172.632. Afgezet tegen de totale activa van € 2.039.342 maakt de waarde van de aandelen 57,5% van de totale verkrijging uit. Gelet op de uitgangspunten van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 20 januari 1988 kunnen de schulden dan ook voor 57,5% aan de aandelen worden toegerekend.

8. Eiser is bij de verdeling echter onderbedeeld. De keuze om extra schulden op zich te nemen houdt geen verband met de wens tot behoud van het aanmerkelijk belang. Aannemelijk is dat deze keuze heeft te maken met de wens van [C] in de voormalige echtelijke woning te blijven en de onmogelijkheid voor haar de rentelast daarvan volledig te financieren. Eiser heeft meer schulden op zich genomen dan voor de verdeling en het behoud van het aanmerkelijk belang nodig was. Voorkomen moet worden dat de onderbedeling van invloed is op de hoogte van de aftrekbare kosten ter zake van het aanmerkelijk belang. Bij een verdeling bij helfte zou eiser € 400.000 minder aan schulden op zich hebben hoeven nemen, oftewel € 1.154.731 in plaats van € 1.554.731. De rechtbank rekent dit verschil evenredig toe aan de wel en niet verhypothekeerde leningen. Van het bedrag van € 895.000 mag het 1.154.731/1.554.731 gedeelte (oftewel 74,27%) in aanmerking worden genomen. Dit komt neer op € 664.735.

9. Omdat de rechtbank het bedrag van € 400.000 buiten beschouwing laat, ziet zij geen aanleiding afzonderlijk de lening van € 50.000 van [D] BV buiten beschouwing te laten, zoals verweerder heeft gedaan in zijn berekeningen. Ook is zij van oordeel dat het feit dat het vermogen van de bv’s mede bestaat uit deze lening en een rekening-courantverhouding met eiser niet van invloed is. Het vermogen van de bv’s wijzigt immers niet als een bedrag wordt uitgeleend of in rekening-courant wordt geboekt. In plaats van een bedrag in contanten is sprake van een vordering voor hetzelfde bedrag.

10. Van het bedrag van € 664.735 kan 57,5% aan de aandelen worden toegerekend, oftewel € 382.223. De rente over dat deel van de schuld is aftrekbaar als kosten ter behoud van het aanmerkelijk belang. De totale rente bedroeg € 34.127. Daarvan is 382.223/895.000 deel, oftewel € 14.575 aftrekbaar.

Onderhoudsverplichting

11. Op grond van artikel 3.1, tweede lid, onder j, en artikel 6.1. van de Wet IB 2001 komen als persoonsgebonden aftrek in aanmerking de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten. Uitgaven voor onderhoudsverplichtingen worden als persoonsgebonden aftrek aangemerkt.

12. Gelet op artikel 6.3, eerste lid, van de Wet IB 2001 zijn onderhoudsverplichtingen, voor zover hier van belang, onder meer periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting en in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

13. Eiser stelt zich op het standpunt dat rekening dient te worden gehouden met 4% rente op de onderbedelingsvordering van € 400.000. Volgens eiser is het niet bedingen van rente overeengekomen om te bewerkstelligen dat [C] zonder financiële problemen in de woning kon blijven wonen. Deze afspraak vloeit voort uit de wederzijdse zorgplicht dan wel een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van [C] . Het moet niet uitmaken of [C] eerst € 16.000 aan eiser betaalt en hij dit vervolgens weer aan haar terugbetaalt of dat eiser afziet van rente.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor het bedrag van € 16.000 geen aftrek mogelijk is, omdat sprake is van een fictieve rente en de kosten niet op eiser drukken omdat er geen betalingen zijn gedaan.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aftrek terecht heeft gecorrigeerd. Om voor aftrek in aanmerking te komen moet er sprake zijn van op eiser drukkende kosten. Daarvan is sprake als de lasten in financiële zin ten laste van eiser komen: de uitgaven moeten werkelijk door hem zijn gedaan en ook door hem worden gedragen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van kosten die op hem drukken. Voor zover eiser stelt dat het geen verschil moet maken of [C] € 16.000 aan rente betaalt die hij meteen weer terugbetaalt of dat het tegen elkaar wordt weggestreept, overweegt de rechtbank dat uit niets volgt dat een afspraak is gemaakt om bedragen tegen elkaar weg te strepen. Er is niet afgesproken dat eiser € 76.000 partneralimentatie betaalt en dat [C] rente verschuldigd is en dat dit verrekend wordt. Of in dat geval € 76.000 voor aftrek in aanmerking was gekomen doet dus niet ter zake. In het echtscheidingsconvenant is overeengekomen dat [C] geen rente verschuldigd is. Dat hieraan een gedachte ten grondslag ligt die samenhangt met de onderhoudsverplichting die eiser jegens [C] heeft, is niet aannemelijk geworden. Voor zover ter zitting is gesteld dat hierover mondelinge afspraken zijn gemaakt, is niet aannemelijk geworden dat die afwijken van hetgeen op papier staat. Het enkele feit dat [C] in haar belastingaangifte ook het bedrag van € 16.000 als inkomen heeft opgenomen acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Uit niets volgt immers dat [C] de mogelijkheid had te vorderen dat eiser meer dan € 60.000 aan haar zou betalen.

16. Gelet op het voorgaande heeft verweerder deze aftrekpost terecht gecorrigeerd.

Conclusie en bijkomende beslissingen

17. Rekening houdend met de kosten ter behoud van het aanmerkelijk belang dient het belastbaar inkomen daaruit te worden verminderd met € 14.575 tot € 25.425. Voor het overige blijft de aanslag in stand.

18. Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking belastingrente heeft aangevoerd, dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

19. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.280 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het nadere stuk met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Het nadere stuk beschouwt de rechtbank daarbij als schriftelijke inlichtingen in de zin van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Zo is niet gebleken dat eiser in de bezwaarfase om een kostenvergoeding heeft verzocht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2013 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.639 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 25.425;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.280;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. P.J. Tikken en mr. A.P. Vaatstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 11 februari 2019

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.