Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:5177

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-11-2019
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
NL18.17134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Wijziging van gebruik woning waardoor brandschade aan bijgebouw niet langer is gedekt. Schending zorgplicht assurantietussenpersoon; niet gewaarschuwd dat bijgebouw niet meer onder de dekking viel. Eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORBLAD

Rechtbank Gelderland

Zaaknummer: NL18.17134

[naam eiser] tegen Achmea Schadeverzekeringen e.a.

Vonnis van 11 november 2019

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer: NL18.17134

Vonnis van 11 november 2019

in de zaak van

[naam eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: [naam eiser] ,
advocaat mr. E.C.M.J. van Kempen te Boxmeer,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

verweerder,

advocaat mr. M. Bouman te Eindhoven,
2. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Utrecht,

verweerder,

advocaat mr. M.G.P.F.K.V.N. Dellebeke-van der Veen te Utrecht,

hierna te noemen: Achmea en Rabobank.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidenteel vonnis van 3 april 2019

- de aanvullende producties ‘tbv comparitie na antwoord’ van [naam eiser] van 24 juni 2019

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 4 juli 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam eiser] is samen met zijn echtgenote eigenaar van het woonhuis met

bijgebouwen aan het adres [woonplaats] (hierna: de

woning). [naam eiser] heeft de woning in 2003 gekocht.

2.2.

Op het perceel van [naam eiser] is achter het woonhuis een bijgebouw/loods aanwezig (hierna: de loods).

2.3.

Op 1 september 2003 heeft [naam eiser] als verzekeringnemer met betrekking tot de woning een woonhuisverzekering afgesloten met Achmea (hierna: de verzekering). Het betreft een “Alles in één Polis”. De loods is als bijgebouw meeverzekerd op de polis. De verzekeringsovereenkomst is tot stand gekomen door tussenkomst van Rabobank.

2.4.

De toepasselijke verzekeringsvoorwaarden (WOO-RV-50-171) van de “Alles in één Polis” (productie 6 bij procesinleiding) luiden onder meer als volgt:

2 Welke woning is verzekerd?

De woning die op het verzekeringsbewijs staat.

3 Welke veranderingen meldt u binnen 14 dagen?

(…)

Het gebruik van de woning verandert.

- U gaat bijvoorbeeld de woning voor zakelijke doeleinden gebruiken.

4 Wat als u deze veranderingen niet binnen 14 dagen meldt?
Wij betalen geen schade.

Als wij door de verandering de verzekering gestopt hadden.

Als wij door de verandering de verzekering aangepast hadden.
- Volgens de nieuwe voorwaarden was de schade niet verzekerd.

(…)

5 Wat is verzekerd?

De woning.

(…)

Garages, schuren en bijgebouwen op het verzekerde adres dat op het verzekeringsbewijs staat.

(…)

12 Wanneer is schade aan de woning verzekerd als verzekerde de woning (gedeeltelijk) zakelijk gebruikt?
Bij alle schades genoemd onder “Wanneer is schade aan de woning verzekerd?”.

Als verzekerde het bijgebouw van de woning of maximaal 2 kamers in de woning kleinschalig zakelijk gebruikt
- Het gaat om gebruik als kantoor-, bedrijfs-, of praktijkruimte van psycholoog, schoonheidsspecialist, kapper, pedicure, administratiekantoor.

2.5.

Artikel 5, aanhef en slot van de Algemene Voorwaarden AV-02-171 van Achmea wordt in de procesinleiding (punt 18) als volgt geciteerd:

Wanneer mogen wij uw verzekering meteen stoppen? (…) U meldde een belangrijke verandering niet. Wij mogen de verzekering waarvoor de verandering geldt, stoppen. Te veel betaalde premie krijgt u terug.

2.6.

Bij de aankoop van de woning in 2003 was de loods verhuurd aan een groothandel in automaterialen. De toenmalige huurder heeft tot 1 april 2008 met zijn bedrijf van de loods gebruik gemaakt. Vanaf 1 april 2008 heeft [naam eiser] de loods zelf in gebruik genomen voor opslag en als werkplaats voor zijn transportbedrijf. In 2015 is het transportbedrijf van [naam eiser] verhuisd naar een bedrijfspand in Ochten.

2.7.

De zoon van [naam eiser] , de heer [naam] (hierna: [naam] ), is vanaf 2008 klus- en herstelwerkzaamheden aan auto’s gaan verrichten in een gedeelte van de loods. Sinds 1 januari 2016 exploiteert hij als eenmanszaak een garagebedrijf onder de naam “ [naam] Autobedrijf” (productie 1 bij procesinleiding, uittreksel Kamer van Koophandel). Het garagebedrijf is gevestigd in de loods. In het kader van zijn werkzaamheden heeft [naam] bij ASR een zogenoemde garagepolis afgesloten.

2.8.

Op 3 juni 2010 heeft [naam eiser] een verklaring met betrekking tot de Alles in één Polis ondertekend (productie 1 bij verweerschrift Rabobank), die onder meer als volgt luidt:

Voorwaarden
U verklaart hierbij het volgende te aanvaarden: toepassing van de algemene voorwaarden, de woordenlijst en alle voor de verzekeringsovereenkomst(en) geldende bijzondere voorwaarden. Het is bij u bekend dat deze documenten ter inzage liggen bij Interpolis en dat Interpolis u deze op verzoek onmiddellijk toestuurt.

2.9.

Met ingang van 30 september 2017 is de verzekering van [naam eiser] verlengd tot 30 september 2018. Op blad 2 van het bijbehorende verzekeringsbewijs (productie 7 bij procesinleiding) staat onder het kopje “Woonhuisverzekering, 4043 JD, 46” het volgende vermeld:

Begindatum : 30 september 2017

Adres : [woonplaats]

Type woning : Vrijstaande woning

Rieten dak : Nee

Pers. in uw huishouden : Meer dan 2

Eigen risico bij storm : € 200,- per gebeurtenis

Voorwaarden :

(…)”

2.10.

De (ongedateerde) begeleidende brief bij het verzekeringsbewijs (productie 8 bij procesinleiding) luidt onder meer als volgt:

De dekkingen van uw verzekering(en) zijn gewijzigd

In de bijlage ‘Wat verandert er voor u?’ leest u de wijzigingen. De wijzigingen zijn soms in uw voordeel. Zoals een verruiming van de dekking zonder premieverhoging. En soms is uw premie hoger.

Op uw verzekeringsbewijs ziet u de verzekeringen van uw vernieuwde Alles in één Polis

U ziet in één oogopslag wat u wel en wat u niet bij ons verzekerd hebt en welke dekking daarbij hoort. Ook ziet u hier de premie van uw Alles in één Polis. Wilt u meer weten over de vernieuwde Alles in één Polis? Ga dan naar www.rabobank.nl/allesineenpolis .

Bekijk de voorwaarden van uw Alles in één Polis op www.interpolis.nl/voorwaarden

Op uw verzekeringsbewijs staat een voorwaardennummer achter iedere verzekering. Met dit nummer kunt u uw voorwaarden terugvinden. Wilt u de voorwaarden op papier ontvangen? Belt u dan met uw Rabobank.

2.11.

In de (ongedateerde) bijlage “Wat verandert er voor u?” bij het verzekeringsbewijs (productie 9 bij procesinleiding) staat onder meer vermeld:

Bijgebouwen Vanaf nu is schade die ontstaat door zakelijk gebruik niet meer verzekerd. Dit geldt alleen voor uw bijgebouwen of wanneer u meer dan 2 kamers in uw woning zakelijk gebruikt. Klein zakelijk gebruik is wel verzekerd. Bijvoorbeeld een bedrijfs- of praktijkruimte van een psycholoog, schoonheidsspecialist of administratiekantoor.

Hierbij is een rondje met pijl naar beneden vermeld. De uitleg hiervan is : “U gaat er door wijziging op achteruit.

2.12.

Het nieuwe verzekeringsbewijs, de begeleidende brief en de bijlage “Wat verandert er voor u” zijn op 23 september 2017 aan [naam eiser] toegezonden via de “Rabo berichtenbox” van internetbankieren.

2.13.

Op 6 november 2017 is in de loods brand uitgebroken. Als gevolg van de

brand is de loods volledig verloren gegaan.

2.14.

[naam eiser] heeft bij Achmea melding gemaakt van de brand en aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade. [naam eiser] heeft Coolen Expertise B.V. te ’s-Hertogenbosch ingeschakeld om zijn belangen in verband met de vaststelling van de schade te behartigen. De schade is in overleg met de schade-expert van Achmea bepaald op een totaalbedrag van € 359.982,00 (productie 3 bij procesinleiding, akte van taxatie).

2.15.

Bij e-mail van 14 november 2017 (productie 5 bij procesinleiding) heeft Achmea aan [naam eiser] onder meer geschreven:

Uw schade betalen wij helaas niet

Er is brand uitgebroken in een voormalig kippenschuur op uw perceel. Dit gebouw is standaard meeverzekerd als bijgebouw op uw particuliere polis.
Er is onderzoek gedaan naar de oorzaak van de brand. De brand is ontstaan in een kunststof verrijdbare container. Deze container stond in het gedeelte van het bijgebouw waar het autobedrijf van uw zoon gevestigd is.
Op maandagmiddag 6 november werd er as uit een stalen ton in de container geleegd. De as is afkomstig van het opgestookte afval in die stalen ton van vrijdag 3 november. Klaarblijkelijk was de as niet volledig uit of is dit als gevolg van zuurstoftoevoeging weer gaan opgloeien, waarna het in de container met daarin aanwezig brandbare materiaal heeft doen ontbranden.

Waarom betalen wij uw schade niet?

De brand ontstond in het gedeelte dat in gebruik is door uw zoon voor zijn bedrijf; ‘Autobedrijf [naam] ’. Onder deze particuliere Woonhuisverzekering verzekeren wij geen bedrijfsmatige activiteiten.
Wij betalen alleen voor schade als het bijgebouw van de woning kleinschalig zakelijk gebruikt wordt. Het gaat om gebruik als kantoor-, bedrijfs-, of praktijkruimte van psycholoog, schoonheidsspecialist, kapper, pedicure, administratiekantoor.
Het autobedrijf van uw zoon valt niet onder kleinschalig zakelijk gebruik. Als wij wisten dat een dergelijk bedrijf in het bijgebouw gevestigd was, hadden wij dit pand niet langer verzekerd op een particuliere polis.
U heeft niet gemeld dat er een bedrijf gevestigd was.

U had een dergelijke verandering moeten melden.
Ik verwijs u hiervoor in het bijzonder naar vraag 3, 4 en 12 van de bijgevoegde polisvoorwaarden.

2.16.

Op 19 december 2017 heeft [naam eiser] gesproken met een medewerker van Achmea.

Van dit gesprek is een verslag opgemaakt (productie 4 bij procesinleiding). In het gesprek is naar voren gekomen dat [naam eiser] een aantal dagen vóór de brand aan [naam] heeft gevraagd om een houten tuinhuisje en een oude schutting bij de woning af te breken en te verbranden. [naam] is daarmee begonnen en heeft de restanten van het tuinhuisje verbrand in een oud olievat. Vervolgens heeft [naam] aan een oude jeugdvriend, de heer [naam] gevraagd om verder te gaan met het afbreken en verbranden van het tuinhuisje. In dit verband luidt het gespreksverslag, voor zover relevant:

“(…) Die maandag is [naam] op aangeven van [naam] ( [naam] – toevoeging rechtbank) verder gegaan met het afbreken er van. (…) Ik heb begrepen dat [naam] asresten uit die ton in één van beide afvalcontainers heeft gegooid. En dat volgens de technisch onderzoeker die u hebt ingeschakeld daardoor de brand is ontstaan. (…)

U vraagt mij of ik op de hoogte was van recente wijzigingen in mijn opstalverzekering bij Interpolis. Nee, ik was daar niet van op de hoogte. Ik heb nooit iets op schrift ontvangen en ook nooit via de mail.

2.17.

Bij brief van 15 januari 2018 heeft de advocaat van [naam eiser] Rabobank aansprakelijk gesteld voor de door [naam eiser] geleden en nog te lijden schade wegens schending van haar zorgplicht als assurantietussenpersoon. Volgens de brief is de afwijzing van de schadeclaim van [naam eiser] door Achmea te wijten aan nalatigheid van Rabobank, omdat Rabobank niet heeft gezorgd voor een adequate dekking op de polis. Daarmee heeft Rabobank niet de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot in acht genomen en daarmee heeft zij haar zorgplicht geschonden, aldus de brief. Rabobank is verzocht binnen veertien dagen na datum van de brief schriftelijk aansprakelijkheid voor de door Achmea afgewezen schadeclaim als gevolg van de brand te erkennen, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen zullen worden genomen.

2.18.

Rabobank heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert, samengevat:

I. een verklaring voor recht dat Achmea is gehouden tot uitkering van de schade van [naam eiser] voortvloeiend uit het hierboven beschreven schadeveroorzakende voorval op basis van de verzekeringsovereenkomst met polisnummer 00055586291;

II. de veroordeling van Achmea om tegen behoorlijk bewijs van kwijting uit hoofde van de hierboven genoemde verzekeringspolis aan [naam eiser] te betalen een bedrag van € 359.982,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de weigering tot schade-uitkering bij brief van 14 november 2017, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot de dag van de algehele voldoening;

III. de veroordeling van Achmea tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 15.793,92 en subsidiair tot betaling van een bedrag van € 4.325,64 conform artikel 6:96 lid 5 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van weigering tot schade-uitkering bij brief van 14 november 2017, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot de dag van de algehele voldoening;

IV. de veroordeling van Achmea in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening vonnis;

subsidiair, indien en voor zover Achmea niet is gehouden tot uitkering van schade:

V. een verklaring voor recht dat Rabobank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [naam eiser] en/of onrechtmatig heeft gehandeld ex artikel 6:162 BW, alsmede dat Rabobank niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht en dat Rabobank uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door [naam eiser] geleden schade;

VI. de veroordeling van Rabobank om tegen behoorlijk bewijs van kwijting uit hoofde van schadevergoeding aan [naam eiser] te betalen een bedrag van € 359.982,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat Rabobank in verzuim is (29 januari 2018), althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot de dag van de algehele voldoening;

VII. de veroordeling van Rabobank tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 15.793,92 en subsidiair tot betaling van een bedrag van € 4.325,64 conform artikel 6:96 lid 5 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat Rabobank in verzuim is (29 januari 2018), althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot de dag van de algehele voldoening;

VIII. de veroordeling van Achmea in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening vonnis.

3.2.

Voor zover de vorderingen van [naam eiser] zijn gericht tegen Achmea, legt hij daaraan ten grondslag dat tussen hem en Achmea een woonhuisverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen en dat hij op grond van deze verzekeringsovereenkomst aanspraak kan maken op uitkering van de schade die hij heeft geleden als gevolg van de brand in de loods.

[naam eiser] voert hiertoe aan dat hij ten tijde van de brand niet op de hoogte was van wijzigingen in de dekking van de woonhuisverzekering. [naam eiser] stelt dat hij zowel de door Achmea genoemde polisvoorwaarden WOO-RV-50-171 als de Algemene Voorwaarden AV-02-171 bij de prolongatie van de polis niet heeft ontvangen en dat Achmea hem ook geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van deze polisvoorwaarden kennis te nemen. [naam eiser] beroept zich op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b in samenhang met artikel 6:234 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dan ook op de vernietigbaarheid van de artikelen 3, 4 en 12 van de polisvoorwaarden en artikel 5, aanhef en slot, van de algemene voorwaarden. Daarnaast voert [naam eiser] aan dat de clausules niet kunnen worden aangemerkt als kernbedingen, en dus algemene voorwaarden betreffen die onder het regime van afdeling 6.5.3 BW vallen. Ook indien zou komen vast te staan dat het wél om kernbedingen gaat, geldt volgens [naam eiser] nog steeds dat de clausules geen deel uitmaken van de verzekeringsovereenkomst, omdat daarover geen wilsovereenstemming tussen [naam eiser] en Achmea bestaat.

Verder betoogt [naam eiser] dat de clausules jegens hem als onredelijk bezwarend moeten worden aangemerkt en op grond van artikel 6:233 onder a in samenhang met artikel 6:237 sub h BW vernietigbaar zijn.

Indien de rechtbank hierin niet meegaat, meent [naam eiser] dat in de concrete omstandigheden van het geval een beroep van Achmea op de betreffende clausules naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is op grond van artikel 6:248 BW.

Indien en voor zover komt vast te staan dat de clausules zijn overeengekomen en deel uitmaken van de verzekeringsovereenkomst, dan biedt de woonhuisverzekering volgens [naam eiser] nog steeds volledige dekking, omdat geen sprake is geweest van een verandering van het gebruik van de woning. De loods is vanaf het begin van de verzekering tot aan de brand onafgebroken gebruikt voor zakelijke doeleinden.

Indien de rechtbank zou oordelen dat het gebruik van de loods wel is veranderd, voert [naam eiser] aan dat het causaal verband tussen deze verandering en het ontstaan dan wel vergroten van de schade ontbreekt en dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het beroep van Achmea op de risicowijzigingsclausule onaanvaardbaar is.

Indien de rechtbank zou oordelen dat het gebruik van de woning is veranderd en Achmea een geslaagd beroep kan doen op de risicowijzigingsclausule, betwist [naam eiser] dat, indien het zakelijk gebruik van de loods zou zijn gemeld, een redelijk handelend verzekeraar de verzekering niet zou hebben voortgezet. Volgens [naam eiser] zou Achmea – na melding van de verandering van het gebruik van het bijgebouw – de verzekering hebben aangepast en zou volgens de nieuwe voorwaarden de schade verzekerd zijn geweest.

Ten aanzien van de omvang van de schade voert [naam eiser] aan dat de schade in overleg tussen de schade-experts is vastgesteld op € 359.982,00 en dat de opruimingskosten zouden worden vastgesteld op basis van nacalculatie tot een bedrag van ten hoogste € 91.602,00 inclusief btw na overlegging van nota’s. [naam eiser] heeft nota’s van Ureco B.V. overgelegd, waaruit blijkt dat hij een bedrag van € 96.077,61 inclusief btw aan opruimingskosten heeft betaald.

3.3.

Indien en voor zover de rechtbank zou oordelen dat de schade niet is gedekt onder de verzekeringspolis van Achmea, richt [naam eiser] zijn vordering tegen Rabobank. [naam eiser] legt dan aan zijn vordering ten grondslag dat Rabobank in haar hoedanigheid van assurantietussenpersoon niet de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot in acht heeft genomen. [naam eiser] betoogt dat Rabobank in haar zorgplicht is tekortgeschoten doordat zij [naam eiser] in de periode vanaf 1 september 2003 niet, althans onvoldoende, heeft gewezen op het risico dat de loods bij zakelijk gebruik onverzekerd zou zijn. Rabobank wist, althans behoorde te weten, van de ontoereikendheid van de woonhuisverzekering van [naam eiser] en de eventueel te verwachten vormen van schade waarmee [naam eiser] zou kunnen worden geconfronteerd, aldus [naam eiser] . Volgens [naam eiser] mocht hij in redelijkheid verwachten dat Rabobank hem tijdig zou informeren dat er bij schade aan de loods risico’s bestonden ten aanzien van de dekking. Indien Rabobank niet over voldoende gegevens beschikte of indien zij twijfelde of de bij haar bekende gegevens juist en volledig waren, had Rabobank daarnaar bij [naam eiser] moeten informeren. Door het nalatig handelen van Rabobank heeft [naam eiser] naar eigen zeggen niet de mogelijkheid gehad te zorgen voor een aanvullende (zakelijke) dekking voor de loods. [naam eiser] voert aan dat hij niet datgene heeft kunnen doen wat nodig was om te voorkomen dat Achmea zich er naderhand op kon beroepen dat een schade als waar het hier om gaat niet is gedekt. Volgens [naam eiser] is hij hierdoor ernstig in zijn belangen geschaad. Indien hij tijdig was geïnformeerd over het risico dat de loods niet adequaat was verzekerd, had hij hierop actie ondernomen. [naam eiser] houdt Rabobank op grond van artikel 6:74 BW in verbinding met artikel 7:401 BW en/of artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de schade die hij als gevolg van haar nalatig handelen heeft geleden.

3.4.

Achmea en Rabobank voeren ieder afzonderlijk verweer en zijn beide van mening dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

3.5.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover van belang voor de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak gaat over de vraag of [naam eiser] recht heeft op vergoeding van de schade als gevolg van brand in een bijgebouw. Jegens Achmea stelt [naam eiser] zich op het standpunt dat de schade onder de dekking van de woonhuisverzekering valt. Als de schade niet is gedekt onder de woonhuisverzekering, maakt [naam eiser] aanspraak op schadevergoeding door Rabobank, omdat Rabobank haar verplichtingen als assurantietussenpersoon jegens hem heeft geschonden.

Ten aanzien van Achmea

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Achmea op basis van de bepalingen van de woonhuisverzekering op goede gronden geweigerd de schade van [naam eiser] als gevolg van de brand te vergoeden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.3.

Niet in geschil is dat [naam eiser] de woonhuisverzekering heeft afgesloten in de hoedanigheid van natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat sprake is van een consumentenovereenkomst.

4.4.

Achmea voert als verweer aan dat zij met betrekking tot de brandschade geen dekking hoeft te verlenen onder de woonhuisverzekering, kort gezegd, omdat sprake is van een wijziging van het gebruik van de woning. Het betreft het op de polis meeverzekerde bijgebouw, de loods, die door de wijziging van het gebruik niet onder de dekking van de verzekering valt. De verzekering biedt immers geen dekking voor het grootschalige zakelijk gebruik van het bijgebouw waarvan sprake is. Bovendien heeft [naam eiser] deze wijziging ten onrechte niet gemeld. Gelet op de artikelen 3, 4 en 12 van de polisvoorwaarden (zie 2.4) had [naam eiser] de gewijzigde bestemming van de woning – in dit geval het meeverzekerde bijgebouw in de vorm van de loods – binnen veertien dagen moeten melden en dat heeft hij niet gedaan, aldus Achmea.

4.5.

[naam eiser] stelt zich op het standpunt dat Achmea hem de wijziging in de dekking van de woonhuisverzekering niet kan tegenwerpen, omdat hij ten tijde van de brand niet van die wijziging op de hoogte was. [naam eiser] voert daartoe aan dat hij de polisvoorwaarden WOO-RV-50-171 en de Algemene Voorwaarden AV-02-171 bij de verlenging van de polis niet heeft ontvangen en dat Achmea hem ook geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van deze polisvoorwaarden kennis te nemen. [naam eiser] beroept zich op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b in samenhang met artikel 6:234 BW dan ook op de vernietigbaarheid van de artikelen 3, 4 en 12 van de polisvoorwaarden en van artikel 5, aanhef en slot, van de algemene voorwaarden.

4.6.

De op Achmea rustende verplichting om [naam eiser] een redelijke mogelijkheid te bieden tot kennisneming van de polisvoorwaarden is relevant als het gaat om algemene voorwaarden. Op grond van artikel 6:231, aanhef en onder a, BW en artikel 4 lid 2 van de richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) waarop dat artikel is gebaseerd, is afdeling 6.5.3 van het BW dan wel de richtlijn niet van toepassing op kernbedingen. Voor kernbedingen geldt nog de eis dat deze duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.

4.7.

De eerste vraag die de rechtbank dus moet beantwoorden, is of deze polisvoorwaarden moeten worden aangemerkt als kernbedingen, zoals Achmea betoogt, of als algemene voorwaarden, zoals [naam eiser] meent.

4.8.

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad moet het begrip kernbeding, mede gelet op de ontstaansgeschiedenis van artikel 6:231, aanhef en onder a, BW in het licht van artikel 4 lid 2 van de richtlijn, zo beperkt mogelijk worden opgevat. Daarbij kan als vuistregel worden gesteld dat kernbedingen veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt (MvT II, Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1521). Van kernbedingen in verzekeringsovereenkomsten is sprake als het gaat om een beding dat zo wezenlijk is voor de afbakening van de verzekerde risico’s dat het al dan niet deel uitmaken van de polisvoorwaarden de schadelast en daarmee de premiestelling rechtstreeks beïnvloedt. Dat is in beginsel aan de orde bij bedingen die betrekking hebben op de primaire dekkingsomschrijving en bij bedingen die betrekking hebben op tussentijdse risicoverzwaring.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de artikelen 3 en 4 van de polisvoorwaarden niet worden aangemerkt als kernbedingen. De omvang van de verzekeringsdekking wordt immers niet van meet af aan bepaald of beperkt door de inhoud van de genoemde polisvoorwaarden. Artikel 3 houdt slechts een meldingsplicht in van wijzigingen gedurende de looptijd. De in artikel 4 opgenomen gevolgen van het niet melden van de veranderingen uit artikel 3 houden geen directe beperking van de dekking in, in die zin dat de omvang van de dekking daardoor van meet af aan wordt bepaald dan wel beperkt. Het gaat hier om een eventueel nader te bepalen verval van de dekking ingeval de verzekerde de meldingsplicht niet nakomt. Hierin ligt het verschil met preventieve garantieclausules, die doorgaans wel kwalificeren als kernbeding.

4.10.

Dit maakt dat de artikelen 3 en 4 van de polisvoorwaarden moeten worden aangemerkt als algemene voorwaarden. De rechtbank komt dan toe aan de vraag of [naam eiser] een redelijke mogelijkheid heeft gekregen om van deze polisvoorwaarden kennis te nemen als bedoeld in artikel 6:233, aanhef en onder b, BW.

4.11.

Achmea stelt zich op het standpunt dat dat het geval is. Zij voert aan dat in de brief van (volgens Achmea) 22 september 2017, waarin de verlenging van de verzekeringspolis per 30 september 2017 wordt aangekondigd (zie 2.10), wordt verwezen naar de website www.interpolis.nl/voorwaarden. Op die internetpagina staan onder meer hyperlinks naar de verzekeringsvoorwaarden voor woonhuizen vermeld, waaronder de voorwaarden WOO-RV-50-171. Via deze hyperlink kon [naam eiser] de voorwaarden opslaan ten behoeve van latere kennisneming, zoals bedoeld in artikel 6:234 lid 2 BW, aldus Achmea.

4.12.

De rechtbank is het daarmee niet eens. Zoals [naam eiser] terecht aanvoert, geldt als minimumvereiste voor het bieden van een redelijke mogelijkheid tot kennisneming van de algemene voorwaarden door middel van een hyperlink dat die hyperlink direct naar de betreffende set algemene voorwaarden leidt. De hyperlink waarop Achmea doelt, leidde echter naar een algemene webpagina, waarop verschillende sets algemene voorwaarden waren te vinden. Dat is een onvoldoende rechtstreekse verwijzing, omdat [naam eiser] dan vervolgens op die pagina nog zou moeten gaan zoeken naar de op zijn verzekering toepasselijke voorwaarden. Hierbij komt nog dat op het verzekeringsbewijs (zie 2.9) achter de rubriek “Voorwaarden” niet staat vermeld welke algemene voorwaarden op de verzekering van toepassing zijn. Voor [naam eiser] was dus niet duidelijk welke voorwaarden hij op de betreffende webpagina zou moeten aanklikken. Achmea voert in dit verband nog aan dat op die pagina drie sets voorwaarden werden getoond en dat in elk van die sets polisvoorwaarden staan met een strekking zoals in de artikelen 3 en 4 (en 12) waar het hier om gaat en dat die voorwaarden deels gelijk genummerd en deels exact gelijkluidend waren als de artikelen 3 en 4 (en 12) in de polisvoorwaarden die op de verzekering van [naam eiser] van toepassing zijn. Wat daarvan verder ook zij, daarmee is voor [naam eiser] nog altijd niet duidelijk welke van de vermelde sets algemene voorwaarden op zijn verzekeringsovereenkomst van toepassing is. Al met al heeft Achmea aan [naam eiser] geen redelijke mogelijkheid geboden om van de toepasselijke polisvoorwaarden kennis te nemen. Het voorgaande leidt ertoe dat Achmea de artikelen 3 en 4 van de polisvoorwaarden niet aan [naam eiser] kan tegenwerpen. Achmea kan dan ook geen consequenties verbinden aan het feit dat [naam eiser] een melding van gewijzigd gebruik van de loods achterwege heeft gelaten.

4.13.

Een en ander gaat echter niet op voor polisvoorwaarde 12, waarin is bepaald wanneer schade aan de woning is verzekerd bij (gedeeltelijk) zakelijk gebruik van de woning. Dit beding beperkt de omvang van de dekking. Het beding houdt namelijk in dat schade is verzekerd bij kleinschalig zakelijk gebruik van het bijgebouw van de woning of maximaal twee kamers in de woning. Met een dergelijke begrenzing van de omvang van de dekking zijn de verzekerde risico’s duidelijk afgebakend. Een dergelijke primaire dekkingsomschrijving geeft dan ook (mede) de kern van de prestatie weer. Het ligt daarnaast voor de hand dat deze afbakening van de dekking is betrokken in de premiestelling. Naar het oordeel van de rechtbank moet artikel 12 van de polisvoorwaarden dan ook worden aangemerkt als een kernbeding. Het beding is verder duidelijk en begrijpelijk geformuleerd, zodat de regeling voor algemene voorwaarden in het BW daarop niet van toepassing is.

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt het feit dat vaststaat dat tussen [naam eiser] en Achmea een verzekeringsovereenkomst is gesloten, mee dat ook het kernbeding in kwestie is overeengekomen, als zijnde één van de essentialia zonder welke een overeenkomst niet tot stand komt. Achmea kan zich tegenover [naam eiser] dan ook in beginsel op het kernbeding beroepen.

4.15.

De vraag is dan of sprake is van (gedeeltelijk) zakelijk gebruik van de woning dat valt onder de dekking volgens het kernbeding. De rechtbank is het met Achmea eens dat dat niet het geval is. Volgens artikel 12 is schade bij (gedeeltelijk) zakelijk gebruik van de woning verzekerd als de verzekerde het bijgebouw van de woning of maximaal twee kamers in de woning kleinschalig zakelijk gebruikt. Het gaat volgens de bepaling om gebruik als kantoor-, bedrijfs- of praktijkruimte van een psycholoog, schoonheidsspecialist, kapper, pedicure of administratiekantoor. Naar het oordeel van de rechtbank kan het garagebedrijf van [naam] niet worden aangemerkt als “kleinschalig zakelijk gebruik” van het bijgebouw als bedoeld in artikel 12. Er werden immers klus- en herstelwerkzaamheden aan auto’s verricht. De aard van deze werkzaamheden zijn wat betreft risico niet vergelijkbaar met de werkzaamheden van de in de polis opgenomen beroepen. Voor zover [naam eiser] aanvoert dat de loods altijd al zakelijk is gebruikt, slaagt dit argument niet. Het gaat niet zozeer om de vraag of het bijgebouw zakelijk gebruikt mocht worden, dat was op zich toegestaan, maar van belang is de aard en omvang van het zakelijk gebruik. Voorts was Achmea er niet van op de hoogte dat de loods altijd “bedrijfsmatig” werd gebruikt. [naam eiser] heeft ook niet onderbouwd gesteld hoe Achmea daarvan op de hoogte moest zijn.

4.16.

[naam eiser] betoogt nog dat, indien hij het zakelijk gebruik van de loods zou hebben gemeld, Achmea de dekking zou hebben gecontinueerd, mogelijk tegen een hogere premie en/of een hoger eigen risico en met een aanvullende opstalverzekering voor de loods, maar met ongewijzigde voortzetting van de verzekering voor het woonhuis en de overige bijgebouwen. Achmea heeft daartegen aangevoerd dat bij bekendheid met het zakelijk gebruik door de zoon van [naam eiser] de huidige woonhuisverzekering niet zou zijn voortgezet, omdat bedrijfsmatige activiteiten niet worden verzekerd op een particuliere polis als waar het hier om gaat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Achmea in aanvulling hierop naar voren gebracht dat in dat geval een zogenoemde Bedrijven Compact Polis zou zijn aangeboden, tegen een hogere premie. Tegenover deze gemotiveerde betwisting door Achmea heeft [naam eiser] zijn standpunt onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. De rechtbank concludeert dan ook dat het melden van het zakelijk gebruik van de loods, anders dan [naam eiser] kennelijk meent, wel degelijk gevolgen zou hebben gehad voor de verzekering.

4.17.

Voor het geval de rechtbank zou oordelen dat (één van) de clausule(s) niet als (een) algemene voorwaarde(n) moet(en) worden aangemerkt, is [naam eiser] van mening dat een beroep van Achmea op deze clausule(s) in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 12 van de polisvoorwaarden niet als algemene voorwaarde, maar als kernbeding moet worden beschouwd, ligt het beroep van [naam eiser] op artikel 6:248 lid 2 BW in zoverre ter beoordeling voor.

4.18.

Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechter moet hierbij de nodige terughoudendheid in acht nemen. Ook een beroep op een kernbeding kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, al zal zich dat alleen in uitzonderlijke gevallen voordoen. [naam eiser] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat van een dergelijk uitzonderlijk geval sprake is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat artikel 12 van de polisvoorwaarden een primaire dekkingsomschrijving inhoudt. Een beroep op de primaire dekkingsomschrijving kan niet met succes worden afgeweerd met de stelling dat een beroep van de verzekeraar daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is met als argument dat de redenen waarom de verzekeraar dit soort evenementen niet wil verzekeren zich in het concrete geval niet voordoen. Uitgangspunt is dat het een verzekeraar vrij staat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen (vgl. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435). Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij – op een wijze die voor de verzekeringnemer voldoende duidelijk kenbaar is – binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten en omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht tegen elkaar aan liggen (vgl. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793). Het beroep van [naam eiser] op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt dan ook niet.

4.19.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat Achmea zich terecht op het standpunt stelt dat geen dekking wordt verleend omdat geen sprake is van kleinschalig zakelijk gebruik van de loods in de zin van artikel 12 van de polisvoorwaarden. Hieruit volgt dat de rechtbank de vordering van [naam eiser] , voor zover die is gericht tegen Achmea, zal afwijzen. Hetgeen [naam eiser] meer of anders heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.

4.20.

[naam eiser] wordt ten aanzien van Achmea in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Achmea dragen. De rechtbank begroot deze kosten op:

- griffierecht € 3.946,00

- salaris advocaat 4.804,00 (2,0 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 8.750,00

4.21.

De door Achmea gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als vermeld onder de beslissing.

Ten aanzien van Rabobank

4.22.

Nu de rechtbank in het voorgaande tot de conclusie is gekomen dat de schade niet is gedekt onder de woonhuisverzekering van Achmea, komt zij toe aan de subsidiaire vordering van [naam eiser] , die is gericht tegen Rabobank. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Rabobank in haar hoedanigheid van assurantietussenpersoon haar zorgplicht tegenover [naam eiser] geschonden. Daartoe, en over de implicaties daarvan, overweegt de rechtbank het volgende.

4.23.

Tussen partijen is niet in geschil dat de verzekeringsovereenkomst van [naam eiser] met Achmea waar het in deze zaak om gaat, is tot stand gekomen door tussenkomst van Rabobank als assurantietussenpersoon van [naam eiser] . Ook is niet in geschil dat de rechtsverhouding tussen [naam eiser] en Rabobank moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW en dat in dat kader op Rabobank als opdrachtnemer een zorgplicht rust.

4.24.

In de jurisprudentie is de zorgplicht voor assurantietussenpersonen nader uitgewerkt in die zin dat een assurantietussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. De zorgplicht vergt een actieve en voortdurende bemoeienis door de assurantietussenpersoon met alle tot zijn portefeuille behorende verzekeringen om zo te bewerkstelligen dat de belangen van zijn opdrachtgever met betrekking tot elk van die verzekeringen steeds adequaat zijn gediend. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten kunnen hebben voor de dekking van de verzekeringen die tot zijn portefeuille behoren. Dit brengt mee dat hij erop toeziet dat door of namens de verzekeringnemer aan de verzekeraar tijdig alle mededelingen worden gedaan waarvan hij, als bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon, moet begrijpen dat die de verzekeraar ervan zullen (kunnen) weerhouden om, voor zover in deze zaak van belang, een beroep te doen op het vervallen van het recht op schadevergoeding. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122). De assurantietussenpersoon mag in ieder geval niet blijven stilzitten ingeval hij kennis neemt van feiten die meebrengen dat door hem beheerde polissen moeten worden aangepast.

4.25.

[naam eiser] heeft aangevoerd dat medewerkers van Rabobank geregeld een bezoek hebben gebracht aan de woning en de loods en dat deze medewerkers er kennis van hebben genomen dat de loods bedrijfsmatig werd gebruikt. Ter onderbouwing heeft [naam eiser] een foto in het geding gebracht (productie 26 bij procesinleiding), die volgens hem dateert van 24 september 2011 en waarop zou zijn te zien dat nieuwe vrachtwagens bij de loods worden afgeleverd. De rechtbank stelt vast dat op de foto twee vrachtwagens te zien zijn waar twee mannen voor staan. Volgens [naam eiser] is de persoon links op de foto een medewerker van Rabobank, namelijk de heer [naam] , de toenmalige bedrijfsadviseur van [naam eiser] . Rabobank heeft ter zitting ook bevestigd dat zij op de hoogte was van het feit dat [naam eiser] zijn transportbedrijf in Opheusden had voordat het bedrijf in 2015 naar Ochten is verhuisd. De rechtbank is van oordeel dat Rabobank zich als assurantietussenpersoon op enig moment heeft moeten realiseren dat de grootschalige aanwezigheid van vrachtwagens in/bij de loods in strijd was met de woonhuisverzekering van [naam eiser] , waar onder de polis immers alleen “kleinschalig zakelijk gebruik” van de loods was toegestaan. Op dat moment had Rabobank [naam eiser] moeten waarschuwen dat de loods niet meer onder de dekking viel. Had Rabobank dit gedaan, dan had [naam eiser] de mogelijkheid gehad om de verzekering aan te passen, zodanig dat de loods onder de dekking van een verzekering zou blijven vallen. Dit heeft Rabobank echter nagelaten. Daarmee heeft Rabobank naar het oordeel van de rechtbank niet de zorg betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht en is zij dus tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis tegenover [naam eiser] . Dat de Alles in één Polis een product is dat eenvoudig zelf wordt afgesloten door particulieren, zoals Rabobank aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel.

4.26.

Op grond van artikel 6:74 BW verplicht iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar om de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (artikel 6:101 BW; eigen schuld).

4.27.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de schade niet volledig voor rekening van Rabobank worden gebracht, maar is deels sprake van eigen schuld van [naam eiser] in de zin van artikel 6:101 BW. [naam eiser] had er namelijk van op de hoogte kunnen zijn dat de polisvoorwaarden van de verzekering waren gewijzigd waardoor de loods niet langer onder de dekking viel. Daarover heeft Rabobank hem immers op 22 september 2017 een bericht gestuurd in de Rabo berichtenbox. [naam eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat hij er nooit mee heeft ingestemd dat de communicatie met Rabobank over de verzekering zou verlopen via de Rabo berichtenbox. Wat daarvan ook zij, op zichzelf is niet in geschil dat [naam eiser] wel toegang had tot de Rabo berichtenbox en dat hij de berichten over internetbankieren die hij langs die weg van Rabobank ontving heeft gezien en geopend. Het kan hem dan niet zijn ontgaan dat in die berichtenbox ook berichten over de verzekering binnenkwamen. Deze omstandigheid aan de zijde van [naam eiser] kan hem worden toegerekend. Dat [naam eiser] het bericht van 22 september 2017 pas ruim een jaar later heeft geopend – op 17 november 2018, zoals Rabobank onweersproken heeft aangevoerd – komt immers in de relatie tot Rabobank voor risico van [naam eiser] . Indien [naam eiser] er bezwaar tegen had dat ook berichten met betrekking tot de verzekering via de Rabo berichtenbox aan hem werden gestuurd, had het op zijn weg gelegen die bezwaren aan Rabobank kenbaar te maken. Dat heeft hij niet gedaan. [naam eiser] kan zich er daarom in dit stadium niet meer met succes op beroepen dat hij niet heeft gewild dat berichten over zijn verzekering via de Rabo berichtenbox aan hem werden gestuurd.

4.28.

Gezien het voorgaande zal de vergoedingsplicht van Rabobank worden verminderd door de schade over [naam eiser] en Rabobank te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Het gaat daarbij om een afweging van de mate waarin Rabobank en [naam eiser] de kans op de schade, zoals die is ontstaan, in het leven hebben geroepen. Zowel voor het nalaten van Rabobank als voor het nalaten van [naam eiser] geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de kans hierop even groot is. Voor een andere verdeling op grond van de billijkheid ziet de rechtbank geen aanleiding. De schade die [naam eiser] heeft geleden komt dus voor 50% voor rekening van Rabobank en [naam eiser] zal de resterende schade op grond van artikel 6:101 BW zelf moeten dragen.

4.29.

Resteert nog de vraag naar de omvang van de schade.

[naam eiser] betoogt dat hij, indien Rabobank aan haar zorgplicht had voldaan, op grond van de akte van taxatie van 10 juli 2018 (productie 3 bij procesinleiding) een schadevergoeding van € 359.982,00 zou hebben ontvangen. Volgens [naam eiser] bestaat zijn schade uit het mislopen van dat schadebedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat Rabobank in verzuim is, te weten 29 januari 2018. Daarnaast wijst [naam eiser] erop dat in de akte van taxatie is vermeld dat de opruimingskosten zullen worden vastgesteld op basis van nacalculatie tot een bedrag van ten hoogste € 91.602,00 inclusief btw na overlegging van nota’s. Onder verwijzing naar nota’s van Ureco B.V. die [naam eiser] heeft overgelegd, voert hij aan dat hij € 96.077,61 aan opruimingskosten heeft betaald.

4.30.

Rabobank heeft de omvang van het schadebedrag van € 359.982,00 op zichzelf niet betwist. Zij heeft als verweer met betrekking tot de schade enkel aangevoerd dat de facturen ten aanzien van de asbestverwerking deels aan [naam eiser] in privé en deels aan zijn transportbedrijf zijn gedeclareerd. Rabobank stelt zich op het standpunt dat het transportbedrijf van [naam eiser] geen partij is in deze procedure en dus niet rechtstreeks iets kan vorderen. Verder betwist Rabobank dat de kosten die op de facturen van het transportbedrijf zichtbaar zijn door [naam eiser] in privé zijn gemaakt en vallen onder het bereik van de Alles in één Polis. Dit verweer slaagt. Bij de vaststelling van de omvang van het totale schadebedrag zal de rechtbank de factuur die is gesteld op naam van [naam eiser] Transport B.V., ter hoogte van € 25.000,00, dan ook buiten beschouwing laten. Daarmee komt de totale schade op een bedrag van € 359.982,00 + (€ 91.602,00 – € 25.000,00) = € 426.584,00. Daarvan zal Rabobank de helft moeten dragen, oftewel € 213.292,00. De andere helft blijft voor rekening van [naam eiser] .

4.31.

De slotsom is dat de rechtbank de vordering van [naam eiser] in die zin zal toewijzen, dat zij voor recht zal verklaren dat Rabobank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [naam eiser] , dat Rabobank niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht en dat Rabobank uit dien hoofde aansprakelijk is voor de helft van de door [naam eiser] geleden schade, oftewel een bedrag van € 213.292,00. Daarnaast zal de rechtbank Rabobank veroordelen om dit schadebedrag aan [naam eiser] te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat Rabobank in verzuim is (29 januari 2018).

4.32.

[naam eiser] heeft verder een bedrag aan buitengerechtelijke kosten gevorderd. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [naam eiser] heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden leidt de rechtbank het tegendeel af. Zij zal de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten daarom afwijzen.

4.33.

Rabobank wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [naam eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- betekening oproeping € 98,01

- griffierecht 1.565,00

- salaris advocaat 4.804,00 (2,0 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 6.467,01

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat Rabobank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [naam eiser] , dat Rabobank niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht en dat Rabobank uit dien hoofde aansprakelijk is voor de helft van de door [naam eiser] geleden schade, te weten een bedrag van € 213.292,00,

5.2.

veroordeelt Rabobank om aan [naam eiser] te betalen een bedrag van € 213.292,00 (tweehonderddertienduizendtweehonderdtweeënnegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 29 januari 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Rabobank in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 6.467,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten van Achmea, tot op heden begroot op € 8.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [naam eiser] in de voor Achmea na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.6.

verklaart de onderdelen 5.2, 5.3, 5.4 en 5.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2019.

JE/St