Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:5160

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
ARN 17/5441, 17/5442 en 17/5443
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OB. Naheffingsaanslagen 2009 tot en met 2014.

Eiseres (een vof die vis op de markt verkoopt) heeft geen dan wel nihilaangiften gedaan, behoudens over december 2009. Daar is per saldo zo weinig OB verschuldigd, dat eiseres een beroep doet op de kleine ondernemersregeling. Na boekenonderzoek blijkt aanzienlijk te weinig OB te zijn aangegeven. Omkering en verzwaring bewijslast. Bij gebrek aan een betrouwbare administratie heeft verweerder een theoretische omzetberekening gemaakt, mede gebaseerd op inkoopgegevens van eiseres en prijzen van internet, die in lijn liggen met de door de controleur zelf geconstateerde prijzen. Redelijke schatting. Eiseres doet de onjuistheid niet blijken. Geen strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank vermindert de boete vanwege samenloop met de IB, de financiële omstandigheden van de vennoten en het feit dat de omzet is geschat en vervolgens nog eens met 15% vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Vergoeding immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-04-2020
FutD 2020-1290
V-N Vandaag 2020/1123
V-N 2020/26.30.6
NTFR 2020/1293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/5441, 17/5442 en 17/5443

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

V.O.F. [eiseres] te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [naam gemachtigde] ,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009, 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 naheffingsaanslagen omzetbelasting (hierna: OB) opgelegd van achtereenvolgens € 13.569, € 14.497 en € 30.879. In alle gevallen is bij beschikking heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht. Over de tijdvakken 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 heeft verweerder bij beschikkingen boetes opgelegd van respectievelijk € 7.248 en € 15.439.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 en 7 september 2017 de naheffingsaanslagen en de beschikkingen verminderd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 12 oktober 2017, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2019.

Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [persoon A] en mr. [persoon B] verschenen.

Gelijktijdig en gezamenlijk met deze beroepen zijn de beroepen van [persoon C] en [persoon D] met zaaknummers 17/4234, 17/4235, 17/4237, 17/4262, 17/4264 en 17/4265 op zitting behandeld.

Verweerder heeft ter zitting een nader stuk overgelegd. Eiseres heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is een vennootschap onder firma met twee vennoten: [persoon C] (hierna: [persoon C] ) en zijn partner [persoon D] (hierna: [persoon D] ).

2. Eiseres exploiteerde een markthandel in vis. Zij verkocht in eerste instantie vanuit één viskraam, en vanaf 2012 vanuit twee viskramen, op verschillende markten in Nederland gebakken en verse vis. Betalingen vonden contant plaats.

3. Verweerder heeft in 2009 elke maand aangiftebiljetten OB uitgereikt. Over de eerste elf maanden van 2009 heeft eiseres nihilaangiften ingediend. In de aangiften is ingevuld dat de omzet, de verschuldigde omzetbelasting en de vooraftrek nul euro is. In de aangifte over de laatste maand van 2009 is vermeld dat de omzet € 511.200 bedraagt, de verschuldigde omzetbelasting € 30.672 betreft en de voorbelasting € 30.000 bedraagt. De te betalen omzetbelasting van € 672 heeft eiseres niet betaald met een beroep op de kleine ondernemersregeling.

4. De boekhouder van eiseres, die de aangiften OB namens eiseres heeft ingediend, heeft met betrekking tot de aangiften OB over 2009 in een e-mail van 19 november 2014 het volgende geschreven:

“De omzet die door ons is aangegeven in Januari 2010 over de maand December 2009, was een wilde schatting.

Dit bedrag is volkomen uit de lucht gegrepen en is nergens op gebaseerd.

Aangezien wij geen stukken/administratie hadden over het jaar 2009,heeft mijn collega die bedragen ingevuld en de aangifte verzonden. Dit om boetes te voorkomen, voor het niet doen van aangifte.

In de administratie over het jaar 2009 en 2010 ontbreken veel stukken die belangrijk zijn.”

5. Over de jaren 2010 en 2011 heeft eiseres maandelijks nihilaangiften ingediend. Zij heeft ook feitelijk geen omzetbelasting betaald aan de Belastingdienst. Dit geldt ook voor januari 2012.

6. Per 1 februari 2012 heeft verweerder de aangifteplicht van eiseres stopgezet in zijn geautomatiseerde systeem. In september 2013 heeft verweerder ontdekt dat eiseres vanaf februari 2012 nog steeds belaste activiteiten verrichtte. Eiseres is vervolgens opnieuw als ondernemer voor de omzetbelasting opgenomen in het geautomatiseerde systeem. Over de periode februari 2012 tot en met september 2013 zijn handmatig aangiftebiljetten OB uitgereikt aan eiseres. Deze heeft eiseres niet geretourneerd.

7. Vanaf oktober 2013 tot en met het eerste kwartaal 2014 zijn aangiftebiljetten uitgereikt. Eiseres heeft over deze perioden nihilaangiften ingediend.

8. Vanaf het tweede kwartaal 2014 heeft eiseres geen aangiften OB meer ingediend.

9. Op 19 maart 2014 heeft verweerder een boekenonderzoek aangekondigd bij eiseres en haar twee vennoten. Onderzocht zijn de al dan niet gedane aangiften OB over de periode 2009 tot en met 2013, en de al dan niet gedane aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) van beide vennoten over de periode 2009 tot en met 2013. Met dagtekening 27 mei 2015 is het controlerapport aan eiseres verzonden. Vanwege onjuiste dan wel ontbrekende administratie heeft de controlerend ambtenaar theoretische omzetberekeningen gemaakt over de jaren 2009 tot en met 2013. Ook heeft hij zelf in 2014 de kraam van eiseres in [plaats 2] bezocht en de volgende prijzen waargenomen:

  • -

    kibbeling: 300 gram € 5, 500 gram € 8, portie € 3,50

  • -

    haring: per stuk € 2, 4 voor € 7,50 en 6 voor € 10.

De prijs van lekkerbekken stond niet op de bordjes. Desgevraagd deelde de vrouw op de kar mee dat ze € 4 kostten, waarna [persoon C] verklaarde dat dit niet zo was en dat ze € 3 waren.

10. Omdat de termijn voor het opleggen van een naheffingsaanslag over 2009 dreigde te verlopen, heeft verweerder met dagtekening 24 december 2014 een naheffingsaanslag OB ter behoud van rechten opgelegd over 2009. Eiseres heeft op 14 januari 2015 bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag.

11. Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag OB over 2009 heeft geleid tot een beroepsprocedure bij deze rechtbank. In de uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3478, is de uitspraak op bezwaar vernietigd en is bepaald dat verweerder opnieuw uitspraak op bezwaar moest doen. Dat heeft verweerder gedaan. Deze nieuwe uitspraak op bezwaar ligt mede ten grondslag aan de onderhavige procedures.

12. Naar aanleiding van het controlerapport heeft verweerder met dagtekening 25 juni 2015 de naheffingsaanslagen OB over de tijdvakken 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 opgelegd. Deze zijn gebaseerd op de theoretische omzetberekeningen in het controlerapport over de jaren 2009 tot en met 2013. Over 2014 heeft verweerder zonder nader onderzoek op basis van de uitgangspunten voor 2012 en 2013 een geschat bedrag nageheven.

13. Verweerder heeft in het controlerapport vergrijpboetes op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aangekondigd voor de jaren 2010 tot en met 2014.

14. Na uitspraak op bezwaar zijn de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffings- en belastingrente verminderd tot de volgende bedragen:

Periode

Naheffing

Rente

Boete

2009

€ 6.710

€ 962

2010-2011

€ 10.810

€ 1.345

€ 2.702

2012-2014

€ 22.296

€ 1.128

€ 5.574

15. Bij de uitspraken op bezwaar heeft verweerder geen kostenvergoeding toegekend.

Geschil

16. In geschil is of verweerder terecht en tot de juiste hoogte naheffingsaanslagen OB over de jaren 2009 tot en met 2014 heeft opgelegd. Daarnaast zijn de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffings- en belastingrente in geschil. Daarbij is mede is in geschil of de uitspraken op bezwaar in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ten slotte heeft eiseres verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

17. De rechtbank overweegt allereerst dat zij eerder een zitting had gepland op 15 februari 2019. Kort tevoren bleek echter dat het vermogen van [persoon C] onder bewind is gesteld en dat op [persoon D] de wettelijke schuldsanering van toepassing is. Omdat niet duidelijk was of de bewindvoerders op de hoogte waren van de zitting, heeft de rechtbank de zaak aangehouden. Uit kort voor de nieuwe zittingsdatum toegezonden stukken volgt dat ook ten aanzien van [persoon C] inmiddels de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken, en dat de bewindvoerders op de hoogte zijn van en instemmen met de onderhavige procedures.

Hoogte naheffingsaanslagen

18. Verweerder heeft de naheffingsaanslagen opgelegd op basis van een schatting. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat eiseres niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Eiseres heeft daartegen niet afzonderlijk verweer gevoerd. Verweerder heeft eiseres in de jaren 2009 tot en met 2014 maandelijks uitgenodigd om aangiften OB in te dienen. Eiseres heeft in de regel nihilaangiften gedaan, soms in het geheel geen aangifte ingediend en eenmaal een aangifte ingediend op grond waarvan weliswaar een klein bedrag verschuldigd zou zijn, maar dat bedrag is niet betaald en bovendien heeft de adviseur van eiseres verklaard dat die aangifte foutief was. Niet is in geschil dat eiseres feitelijk omzet heeft gehad in alle periodes en dat er per saldo wel degelijk omzetbelasting verschuldigd was. De rechtbank acht ook aannemelijk dat als gevolg van het aangiftegedrag van eiseres aanzienlijke bedragen aan omzetbelasting niet zijn betaald. Hierin ziet de rechtbank aanleiding inderdaad te oordelen dat eiseres niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Dit leidt ertoe dat op grond van artikel 27e van de AWR de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Dat betekent dat eiseres moet doen blijken (dat wil zeggen: overtuigend moet aantonen) dat de naheffingsaanslagen te hoog zijn.

19. Bij gebrek aan een betrouwbare administratie van eiseres heeft verweerder een theoretische omzetberekening gemaakt. Er is dus sprake van een schatting van de verschuldigde belasting. Ondanks de omkering en verzwaring van de bewijslast dient verweerder een redelijke schatting te maken en mag deze niet willekeurig zijn. Daarbij dient verweerder zoveel mogelijk gebruik te maken van de gegevens die in de administratie van eiseres aanwezig zijn, voor zover die gegevens voldoende betrouwbaar zijn.

20. Partijen zijn het uiteindelijk eens over de hoeveelheden vis die het uitgangspunt zijn voor de berekening. Van de inkoop van vis zijn betrouwbare gegevens te herleiden uit de administratie van eiseres. In feite is alleen de discussie wat de winstmarge op die vis is geweest, mede gelet op enerzijds lekverlies en bederf (onverkochte vis), en anderzijds de prijzen waarvoor eiseres de vis heeft verkocht.

21. Voor 2009 is de omzet in het controlerapport geschat op € 402.342. Rekening houdend met voorbelasting leverde dit per saldo een verschuldigde omzetbelasting van € 8.033 op. Naar aanleiding van een brief van [persoon C] van 24 december 2016 heeft de controlerend ambtenaar een nieuwe schatting gemaakt van de omzet. Deze komt uit op € 380.280. Dit bedrag bestaat uit € 90.362,50 omzet haring, € 107.315,57 omzet pollack, € 90.686,79 omzet panga en € 91.915,18 omzet restverkoop. Deze bedragen zijn stuk voor stuk berekend aan de hand van de inkoopgegevens.

22. Bij de haring is verweerder uitgegaan van 130 emmers à 39 stuks en 64 emmers à 44 stuks, in totaal 7.886 haringen. Daarnaast is er 5.920 kilogram niet schoongemaakte haring gekocht. Uitgaand van 45% afval resteert daarvan schoon 3.256 kilogram. Uitgaand van een schoon gewicht van 70 gram per haring komt dat neer op nog eens 46.514 haringen. Vermeerderd met 100 schone haringen komt het totaal aantal ingekochte haringen volgens de schatting van verweerder uit op 54.500. Rekening houdend met 5% bederf en weggooi, zijn er 51.775 haringen verkocht. Uitgaand van een prijs van € 1,85 (inclusief omzetbelasting) is de omzet exclusief omzetbelasting € 90.362,50.

23. Bij de pollack is verweerder uitgegaan van 6.512 kilogram inkoop bij Koelewijn en 1.840 kilogram inkoop bij Rutger Kooij. Rekening houdend met 7,5% glacering en 5% bederf resteert 7.339 kilogram. De verkoopprijs is € 15,50 per kilogram (€ 1,50 per ons) inclusief omzetbelasting. Dit leidt tot een omzet exclusief omzetbelasting van € 107.315,57.

24. Bij de panga is verweerder uitgegaan van 7.905 kilogram inkoop, 20% glacering en 5% bederf, privé en dergelijke. Er resteert dan 6.008 kilogram. Bij een prijs van € 1,60 per ons inclusief omzetbelasting bedraagt de omzet exclusief omzetbelasting € 90.686,79.

25. De overige inkoop (natte vis en paling) bedraagt na aftrek van 5% uitval € 69.369,95. Uitgaand van een bruto winst van 30-35% levert dit een omzet restverkoop van € 91.915,18 op.

26. Voor de daaropvolgende jaren is verweerder op vergelijkbare wijze te werk gegaan.

27. In het controlerapport is vermeld dat uit gegevens van de groothandel volgt dat het afval dat van een haring afkomt zo’n 40 tot 45% is. Een schone haring weegt volgens informatie van internet 65 tot 70 gram. Uit de AD-haringtest volgt een gemiddelde verkoopprijs van € 1,85. Het percentage bederf/privé is afkomstig uit een gesprek met [persoon C] . Uit informatie van internet heeft verweerder de percentages glacering bij pollack (5-10%) en panga (20%, overeenkomstig de verklaring van [persoon C] ) afgeleid. De verkoopprijs van pollack (in de vorm van kibbeling) is afkomstig van internet voor de jaren 2009 en 2010. Eiseres heeft volgens haar verklaring regelmatig pangafilet gebruikt voor lekkerbekken, die een verkoopprijs van € 3 per stuk en € 2,50 bij acties hebben. Gebruikte internetpagina’s zijn in het rapport genoemd.

28. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het voorgaande op basis van de voorhanden gegevens een alleszins redelijke schatting gemaakt. Hij heeft aansluiting gezocht bij de inkoopcijfers die volgen uit de administratie. Voor de berekening van de omzet heeft hij vervolgens zo goed mogelijk geprobeerd betrouwbare informatie te raadplegen, wat maakt dat de schatting in elk geval niet willekeurig is. Bij marges heeft verweerder ofwel het midden gekozen (glacering bij pollack) dan wel in het voordeel van eiseres gerekend (meer afval per haring, hoger gewicht per stuk dus minder haringen). De gevonden verkoopprijzen sluiten ook in voldoende mate aan bij de bevindingen van de controlerend ambtenaar bij zijn bezoek aan de marktkraam in 2014. Het is juist zorgvuldig dat verweerder heeft geprobeerd ook rekening te houden met verkoopprijzen in eerdere jaren, omdat de naheffingsaanslagen de periode vanaf 2009 bestrijken. Bovendien heeft verweerder een nieuwe berekening uitgevoerd met inachtneming van hetgeen [persoon C] in de brief van 24 december 2016 heeft aangevoerd. Dit heeft geleid tot de verminderingen die zijn verwerkt in de uitspraken op bezwaar.

29. Hiertegenover heeft eiseres onvoldoende aangevoerd. Volgens eiseres zijn de verkoopprijzen een stuk lager dan waar verweerder van uitgaat. Eiseres heeft in eerste instantie gesteld dat de prijzen niet van internet kunnen worden gehaald omdat vis in de Randstad duurder is en dat de verkoopprijs van haring € 1,50 per stuk is, die van kibbeling € 13 per kilo en van lekkerbekken 3 stuks voor € 5. Dit zou dienen te leiden tot lagere brutowinstpercentages. In zijn brief van 24 december 2016 heeft [persoon C] de brutowinstpercentages als zodanig niet meer uitdrukkelijk bestreden, maar lijkt het verschil van inzicht zich te concentreren op de vraag waarover die percentages gerekend dienen te worden mede in het licht van de kosten. In beide gevallen heeft eiseres de onjuistheid van de naheffingsaanslagen niet doen blijken. Zij is niet met stukken ter onderbouwing gekomen waaruit hogere uitval, lagere aantallen of lagere prijzen blijken. De blote stelling dat vis in de Randstad duurder is dan in het oosten van het land is volstrekt onvoldoende, te meer daar eiseres ook in het westen van het land vis heeft verkocht. Daarnaast volgt uit het bezoek aan de marktkraam in 2014 dat eiseres toen in elk geval hogere prijzen hanteerde dan eiseres heeft bepleit in de stukken. Voor de omzetbelasting is de hoogte van de kosten slechts relevant voor zover eiseres van mening is dat sprake is van een hoger bedrag aan aftrekbare voorbelasting. Zij heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt en te minder doen blijken.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

30. Eiseres heeft gesteld dat de uitspraken op bezwaar in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn gedaan en dat verweerder geen of een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Zij heeft die stelling niet verder toegelicht, behoudens dat zij heeft betoogd dat de naheffingsaanslagen dienen te worden vernietigd omdat sprake is van zeer fors tijdsverloop tussen het eind van het boekenonderzoek en het opleggen van de naheffingsaanslagen. Op grond van artikel 20, derde lid, van de AWR vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag pas door het verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar, waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggave is verleend. De rechtbank constateert dat de naheffingsaanslagen binnen de hiervoor vermelde termijnen en dus tijdig zijn opgelegd. Van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Voor een belangenafweging bestaat daarnaast in het belastingrecht in de regel geen ruimte. Daar komt bij dat niet aannemelijk is dat het tijdsverloop van invloed is geweest op de hoogte van de naheffingsaanslagen. Vernietiging daarvan biedt dus geen compensatie voor dat tijdsverloop. Voor zover ná de oplegging van de naheffingsaanslagen veel tijd is verstreken, komt dat aan de orde bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn.

Tussenconclusie

31. Gelet op het voorgaande blijven de naheffingsaanslagen in stand. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

32. Aangezien eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente en belastingrente heeft aangevoerd, dienen de beroepen ook op dat punt ongegrond te worden verklaard.

Vergrijpboetes

33. Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 vergrijpboetes opgelegd op grond van artikel 67f van de AWR en paragraaf 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst ter hoogte van 50% op de grond dat eiseres opzettelijk geen of onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend. Verweerder voert aan dat eiseres nihilaangiften heeft ingediend, terwijl niet in geschil is dat eiseres een lopend, actief bedrijf runde. Daarnaast zijn opgevraagde bescheiden niet door eiseres overgelegd en zijn transacties niet in de administratie verwerkt. In de uitspraak op bezwaar zijn de vergrijpboetes verlaagd tot 25%, omdat er ook voor de inkomstenbelasting vergrijpboetes zijn opgelegd. Ook speelt de duur van de afwikkeling van de fiscale geschillen mee.

34. Eiseres betwist dat er sprake is van opzet die een vergrijpboete zou rechtvaardigen. Indien en voor zover dat wel het geval zou zijn, dient de boete gematigd te worden tot nihil, dan wel tot maximaal 10% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM). Ter zitting is ook gewezen op het gebrek aan draagkracht van de vennoten.

35. De rechtbank is van oordeel dat eiseres wist dat zij onjuiste aangiften deed. Nihilaangiften zijn per definitie onjuist bij een lopend, actief bedrijf. In feite heeft eiseres dat ook niet bestreden. Eiseres moet zich ook bewust zijn geweest van het feit dat hierdoor te weinig (zelfs helemaal geen) omzetbelasting werd betaald. Dit geldt met name voor [persoon C] , die van de financiële situatie volledig op de hoogte was. [persoon D] heeft aangevoerd dat zij hiervan niet op de hoogte was en niet bij de aangiften betrokken was, maar voor haar blijft van belang dat zij medevennoot en daarom medeverantwoordelijk was. Zij kan zich daaraan niet onttrekken en haar treft evenzeer een verwijt door dit over te laten aan [persoon C] .

36. In de samenloop met de boetes in de inkomstenbelasting en de beperkte financiële draagkracht van de vennoten, die de boetes uiteindelijk zullen moeten dragen, en het feit dat de naheffingen door middel van omkering van de bewijslast tot stand zijn gekomen, ziet de rechtbank aanleiding de boetes te matigen tot 20% van de nageheven omzetbelasting. Dat betekent dat de boete over de jaren 2010 en 2011 wordt gematigd tot € 2.162 en die over de jaren 2012 tot en met 2014 tot € 4.459. Deze boetes acht de rechtbank passend en geboden. Gelet hierop zijn de beroepen ter zake van de boetebeschikkingen gegrond.

Redelijke termijn

37. De rechtbank ziet vervolgens aanleiding de boetes verder te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het EVRM. In beginsel is daarvan sprake indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd, in dit geval de aankondiging in het controlerapport van 27 mei 2015. Sindsdien zijn meer dan vier jaren verstreken. Daarmee is in beginsel de redelijke termijn overschreden.

38. De rechtbank ziet wel aanleiding de termijn van twee jaren te verlengen. In de bezwaarfase heeft eiseres uitstel van de hoorzitting gevraagd en is zij pas na de hoorzitting met nadere cijfers en een nadere onderbouwing gekomen. Dit heeft de afdoening van het bezwaar ernstig vertraagd. Daarin ziet de rechtbank een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft de termijn in de bezwaarfase met zes maanden te verlengen. In de beroepsfase wordt de termijn verlengd met zeven maanden, zijnde de periode tussen de oorspronkelijk geplande zittingsdatum 15 februari 2019 en de uiteindelijke zittingsdatum 27 september 2019, omdat dit uitstel veroorzaakt is door een situatie die voor rekening en risico van eiseres dient te blijven. De gemachtigde heeft zich hier ter zitting desgevraagd niet tegen verzet. De redelijke termijn bedraagt daarmee drie jaren en een maand. Die termijn is met ruim een jaar maar minder dan twee jaar overschreden. Daarin ziet de rechtbank aanleiding de boetes te matigen met 15% tot respectievelijk € 1.837 en € 3.790.

39. Eiseres heeft daarnaast verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Op basis van dezelfde uitgangspunten als hiervoor is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn drie jaren en een maand bedraagt, te weten een jaar in bezwaar en twee jaren en een maand in beroep. Er is sprake van negen samenhangende beroepen, bestaande uit zowel de beroepen van eiseres als de beroepen van [persoon C] en [persoon D] . In dat geval vangt de termijn aan op de datum van ontvangst van het oudste bezwaarschrift, zijnde 14 januari 2015. Sindsdien zijn vier jaren en bijna tien maanden verstreken. Dat betekent dat de overschrijding meer dan anderhalf jaar maar minder dan twee jaar bedraagt. Dit leidt tot een vergoeding van in totaal € 2.000, waarvan de rechtbank € 667 aan eiseres zal toekennen, € 666 aan [persoon C] en € 666 aan [persoon D] .

40. De bezwaarfase is geëindigd met het doen van uitspraak op bezwaar. De uitspraken op bezwaar dateren van tussen 1 en 7 september 2017. De overschrijding van de termijn in de bezwaarfase is dus een jaar en bijna acht maanden (afgerond twintig maanden), die in de beroepsfase is afgerond een maand. Dat betekent dat verweerder 20/21 van de vergoeding dient te betalen en de Staat 1/21. Dit komt voor eiseres neer op bedragen van respectievelijk € 635 en € 32.

Proceskostenvergoeding

41. Eiseres heeft gesteld dat verweerder ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend in de uitspraak op bezwaar, terwijl de bezwaren wel gegrond zijn verklaard. Verweerder heeft erkend dat ten onrechte geen kostenvergoeding is toegekend. Ook in zoverre zijn de beroepen gegrond. De rechtbank zal dat in haar kostenveroordeling meenemen.

42. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. In de beroepsfase zijn de zaken gelijktijdig met die van [persoon C] en [persoon D] behandeld, zodat voor de beroepsfase sprake is van negen samenhangende zaken. In de bezwaarfase is dit niet het geval, zodat daar sprake is van drie samenhangende zaken.

43. De te vergoeden kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 508 voor de bezwaarfase (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254 en een wegingsfactor 1) en op € 512 voor de beroepsfase, zijnde ⅓ van € 1.536. Dat bedrag bestaat uit 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1,5 voor negen samenhangende zaken en wordt gelijkelijk verdeeld over eiseres, [persoon C] en [persoon D] . De totale vergoeding voor eiseres voor bezwaar en beroep komt daarmee op € 1.020. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen de boetebeschikkingen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar in zoverre;

  • -

    vermindert de boete over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 tot € 1.837;

  • -

    vermindert de boete over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 tot € 3.790;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 635;

  • -

    veroordeelt de Staat tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 32;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.020;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. A.M.F. Geerling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Roosma, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.