Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:509

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
335846 FZ RK 18-919
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheidingsverzoek met nevenvoorzieningen met een internationaal privaatrechtelijk karakter

Samenvatting: Het betreft een geschil over welk recht van toepassing is op de echtscheiding en de nevenvoorzieningen (Egyptisch, Palestijns of Nederlands recht). Daarnaast bevat de beschikking een uitleg over het Egyptische/Islamitische gezagsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 335846 FZ RK 18-919

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 7 februari 2019

in de zaak tussen:

[verzoekster] ,

wonende te Harderwijk,

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. A.G. Hendriks te Amsterdam,

t e g e n

[verweerder] ,

wonende te Egypte,

verweerder, hierna te noemen de man,

advocaat: mr. J. el Hannouche te Utrecht.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  1. het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 10 april 2018;

  2. het exploot van betekening van 7 mei 2018;

  3. het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingekomen op 6 september 2018;

  4. het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken met bijlagen, ingekomen op 4 oktober 2018;

  5. het journaalbericht met bijlagen van mr. El Hannouche van 8 januari 2018.

1.2.

Gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 18 januari 2018 zijn de vrouw, haar raadsvrouw en de raadsman van de man. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn op 8 november 2005 te Gaza-Stad, Gaza, Palestina met elkaar gehuwd.

2.2.

Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren:

  1. [minderjarige 1]

  2. [minderjarige 2] , en

  3. [minderjarige 3] .

  4. Het verzoek, het verweer tevens zelfstandig verzoek en het verweer daarop

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

  2. primair
    te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van de in dezen te geven beschikking, dan wel een andere datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, over [minderjarige 3] het eenhoofdig gezag zal uitoefenen;

subsidiair

te bepalen dat, met ingang van de datum van de in dezen te geven beschikking, dan wel een andere datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, [minderjarige 3] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

Kosten rechtens.

3.2.

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. primair
    de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen;
    subsidiair
    indien de vrouw ontvankelijk zou worden verklaard verzoekt de man de rechtbank het Egyptisch recht toe te passen en op grond daarvan een verzoeningspoging te doen tussen partijen;
    meer subsidiair
    indien de vrouw ontvankelijk zou worden verklaard en het Egyptisch recht niet zou worden toegepast vanwege het ontbreken van een Egyptische nationaliteit aan de zijde van de vrouw, het Palestijnse recht toe te passen en op grond daarvan een verzoeningspoging te doen tussen partijen;

  2. primair
    te bepalen dat de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats bij de man zullen hebben;
    subsidiair
    indien de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 3] bij de vrouw zou bepalen:

- te bepalen dat de vrouw de man wekelijks informeert over alle belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige 3] via de e-mail;

- te bepalen dat er een contactregeling zal zijn waarbij de man wekelijks op zaterdag van 11.00 uur tot 13.00 uur contact met [minderjarige 3] zal hebben via de telefoon en dat hij haar in Nederland zal kunnen bezoeken in overleg met de vrouw;

Kosten rechtens.

3.3.

De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen, dan wel hem in deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren.

Kosten rechtens.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

echtscheiding

rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Op grond van artikel 3 van EG Verordening 2201/2003 van 27 november 2003 komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, nu
de gewone verblijfplaats van verzoekster sedert tenminste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan het onderhavige verzoek zich in Nederland bevindt.

4.2.

Partijen zijn verdeeld over het toepasselijke recht. Blijkens het eerste lid van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wordt de vraag of ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed kan worden uitgesproken en op welke gronden, bepaald door het Nederlandse recht. Ingevolge artikel 10:56, tweede lid, BW wordt in afwijking van het eerste lid het recht van de staat van een gemeenschappelijke vreemde nationaliteit van de echtgenoten toegepast indien in het geding:

  1. door de echtgenoten gezamenlijk een keuze voor dit recht is gedaan of een dergelijke keuze van een van de echtgenoten onweersproken is gebleven; of

  2. door een van de echtgenoten een keuze voor dit recht is gedaan en beide echtgenoten een werkelijke maatschappelijke band met het land van die gemeenschappelijke nationaliteit hebben.

4.3.

De man heeft zich primair op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 10:56, tweede lid, BW, Egyptisch recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding, nu zij beiden de Egyptische nationaliteit hebben en met dat land een sterke sociale en economische band hebben. De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt dat zij niet (meer) over de Egyptische nationaliteit beschikt. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het overgelegde rapport van nader gehoor bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) van 22 augustus 2017 volgt dat de vrouw op 23 februari 2017 afstand heeft gedaan van haar Egyptische nationaliteit. Uit de opmerking van de rapporteur van de IND daarbij blijkt dat de rapporteur tijdens het gehoor een document van de Egyptische autoriteiten heeft gezien, waaruit dat blijkt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van een gemeenschappelijke Egyptische nationaliteit, zodat het tweede lid van artikel 10:56 BW niet van toepassing is. De rechtbank zal derhalve voorbijgaan aan het primaire standpunt van de man.

4.4.

Subsidiair heeft de man zich op het standpunt gesteld dat Palestijns recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding, omdat beiden in elk geval de Palestijnse nationaliteit hebben en partijen met Palestina een sterkere band hebben dan met Nederland. Ook hiertegen heeft de vrouw gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank overweegt dat de vrouw als productie 5 een brief van de gemeente Harderwijk heeft overgelegd, waarin is vermeld dat deze gemeente op 9 augustus 2018 een mededeling van de IND heeft ontvangen conform artikel 2.17 van de Wet basisregistratie personen met informatie over de nationaliteit van de vrouw. Naar aanleiding van de mededeling van de IND, heeft de gemeente de nationaliteit van de vrouw gewijzigd van “onbekend” in “Staatloos”. Gelet op de inhoud van deze brief, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de vrouw de Palestijnse nationaliteit heeft. Mitsdien zal de rechtbank ook de subsidiaire stelling van de man passeren.

4.5.

Nu partijen niet over een gemeenschappelijke nationaliteit beschikken, bepaalt – ingevolge artikel 10:56 lid 1 BW – het Nederlandse recht of ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed kan worden uitgesproken en op welke gronden. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

ontvankelijkheid/ouderschapsplan

4.6.

Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen.

4.7.

Hoewel de vrouw geen ouderschapsplan heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat zij kan worden ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. Aan de vrouw is een verblijfsvergunning toegekend op basis van de zogenaamde a-grond van artikel 29 Vreemdelingenwet 2000. Uit het door de IND geloofwaardig bevonden asielrelaas van de vrouw volgt dat er tijdens het huwelijk sprake is geweest van jarenlang (ernstig) huiselijk geweld en nadat de vrouw Egypte heeft verlaten, heeft er nauwelijks tot geen contact met de man plaatsgevonden. Daar komt bij dat uit de stukken blijkt dat de man nog steeds de intentie heeft om het gezinsverband te herstellen, terwijl de vrouw wenst te scheiden. Net als de vrouw is de rechtbank van oordeel dat het vorenstaande ertoe leidt dat voldoende aannemelijk is geworden dat een gezamenlijk ondertekend ouderschapsplan op dit moment redelijkerwijs niet kan worden overgelegd. De rechtbank zal de vrouw derhalve ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot echtscheiding.

duurzame ontwrichting

4.8.

Op grond van artikel 1:151 BW wordt de echtscheiding op verzoek van een van de echtgenoten uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man betwist dat er sprake is van een duurzame ontwrichting.

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt. De essentie van een huwelijk ligt in de bereidheid van beide huwelijkspartners om op een voor elk van beiden bevredigende wijze aan het samenleven inhoud te geven. Indien deze bereidheid bij één van beide huwelijkspartners komt te ontbreken moet het er in beginsel voor gehouden worden dat het huwelijk is ontwricht.

4.10.

Nu partijen sedert circa twee jaar feitelijk uiteen zijn en de vrouw – ook ter gelegenheid van de mondelinge behandeling – duidelijk en herhaaldelijk te kennen heeft gegeven dat zij zich niet meer wenst te herenigen met de man, moet worden aangenomen dat tussen partijen op korte of langere termijn geen huwelijkse samenleving te verwachten is. Hieruit leidt de rechtbank af dat het huwelijk duurzaam is ontwricht zodat de rechtbank het verweer van de man verwerpt en de echtscheiding zal uitspreken.

ouderlijk gezag, hoofdverblijfplaats, informatieregeling dan wel verdeling van zorg- en opvoedingstaken

rechtsmacht en toepasselijk recht

4.11.

Op grond van de artikelen 5 en 15 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Den Haag, 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299, “Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996”) komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om met toepassing van het Nederlandse recht op het onderhavige verzoek te beslissen, nu [minderjarige 3] in Nederland haar gewone verblijf heeft.

gezagsverhouding [minderjarige 3]

4.12.

Voordat de rechtbank het verzoek van de vrouw inhoudelijk kan behandelen, moet worden onderzocht naar welk recht de gezagsverhouding dient te worden beoordeeld. Ingevolge artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 wordt dit volgens lid 2 beheerst door het recht van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment waarop de eenzijdige rechtshandeling van kracht wordt. Het op grond van het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere Staat, lid 3. Ingevolge lid 4 wordt het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst door het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats indien de gewone verblijfplaats van het kind wordt verplaatst.

4.13.

Vast staat dat in ieder geval de man de Egyptische nationaliteit heeft, dat beide partijen moslim zijn en dat derhalve het hanefitische systeem van toepassing is. Ouderlijk gezag en voogdij worden in Egypte voor moslims ten dele geregeld in Decreet-wet 118 van 1952 betreffende de ontzetting uit de ouderlijke macht, en in Decreet-wet 119 van 1952 betreffende de wettelijke vertegenwoordiging van handelingsonbekwamen. Ten dele worden ouderlijk gezag en voogdij ook in het religieuze recht geregeld. Volgens het hanefitische recht geldt dat de wettelijk vertegenwoordiger van een kind in beginsel een man is. De wettelijke vertegenwoordiging wordt ook wel “wilaya” genoemd. In de eerste plaats is dat de vader van het kind en in zijn afwezigheid de (over)grootvader van vaders zijde (artikel 1 Decreet-wet 119). Vrouwen zijn in beginsel belast met het zorgrecht over kinderen. Het zorgrecht wordt ook wel “hadana” genoemd. Het zorgrecht over zowel jongens als meisjes eindigt op het moment bij het bereiken van de leeftijd van vijftien jaar (art. 20 Wet 25 van 1929). De rechter kan het zorgrecht verlengen voor jongens tot de meerderjarige leeftijd en voor meisjes tot zij in het huwelijk treden. De personen belast met het zorgrecht zijn in eerste instantie de moeder van het kind en in haar afwezigheid de (over)grootmoeder van moeders zijde (art. 20 Wet 25 van 1929). In hun afwezigheid komt het zorgrecht toe aan vrouwelijke familieleden van de vader van het kind (in eerste instantie de grootmoeder).

4.14.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw conform het hanefitische systeem niet belast was met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3]. Evenmin is tussen partijen in geschil dat het ontbreken van ouderlijk gezag aan de zijde van de vrouw ertoe heeft geleid dat – conform het vierde lid van artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 – de vraag of de vrouw op dit moment met het ouderlijk gezag is belast, moet worden beantwoord naar Nederlands recht. Ingevolge het eerste lid van artikel 1:251 BW oefenen de ouders gedurende het huwelijk gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. Gelet hierop komt de rechtbank – net als partijen – tot de conclusie dat er op dit moment sprake is van gezamenlijk ouderlijk gezag, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek omtrent het eenhoofdig gezag over [minderjarige 3].

inhoudelijke beoordeling ouderlijk gezag

4.15.

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen ouders in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent voorleggen aan de rechtbank. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

- een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

- de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

- de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

- de wijze waarop informatie door derden wordt verschaft.

4.16.

Blijkens het tweede lid van artikel 1:251 BW blijven ouders na het huwelijk het ouderlijk gezag in beginsel gezamenlijk uitoefenen. Ingevolge artikel 1:251a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.17.

De vrouw stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat zij in september 2016 met [minderjarige 3] naar Nederland is gevlucht, omdat zij slachtoffer was van ernstig huiselijk geweld van de zijde van de man. Als gevolg van het geweld van de man en het feit dat de vrouw wenst te scheiden, is de vrouw haar leven in Egypte niet zeker. Haar asielverzoek in Nederland is om die reden ingewilligd. Daarnaast stelt de vrouw dat [minderjarige 3] pas zes maanden oud was toen de vrouw met haar naar Nederland is gevlucht. Inmiddels is [minderjarige 3] bijna drie jaar oud en heeft zij geen beeld van haar vader, laat staan een band met hem. Verder stelt de vrouw dat de man ieder contact met haar weigert en dat hij niet reageert op haar verzoeken. De vrouw kan hem niet bereiken voor overleg, hetgeen in acute situaties tot problemen kan leiden. Gelet op deze omstandigheden en de afstand (in alle opzichten), acht de vrouw het niet in het belang van [minderjarige 3] dat de man haar wettelijke vertegenwoordiger blijft. Zij stelt dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 3] klem of verloren raakt tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt.

4.18.

De man voert verweer en stelt dat de vrouw [minderjarige 3] zonder geldige reden aan zijn gezag heeft onttrokken. Volgens de man is de vrouw met [minderjarige 3] naar Nederland vertrokken om haar kansen op een asielstatus, dan wel verblijfsvergunning te vergroten. De man acht dit niet in het belang van [minderjarige 3]. Hij is van mening dat het voor [minderjarige 3] belangrijk is dat zij zich weer voegt bij haar broer en zus in Egypte, alsmede bij de man en zijn familie. Daarnaast stelt de man dat er tijdens het huwelijk geen geweld heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing heeft hij naar voren gebracht dat het gerechtshof in Egypte de aantijgingen van de vrouw heeft onderzocht en dat hij daarvan is vrijgesproken. Tot slot stelt de man dat er wel enig contact heeft plaatsgevonden met de vrouw, namelijk via e-mail of telefonisch. Indien er beslissingen over [minderjarige 3] genomen moeten worden, kan er volgens de man overleg plaatsvinden.

4.19.

De vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad/raadsvertegenwoordigster) heeft ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige 3] al ruim twee jaar in Nederland verblijft en dat zij geen band met en herinneringen heeft aan de man. Daarnaast is er geen mogelijkheid tot overleg tussen de ouders. Beide ouders hebben hierin de afgelopen periode te weinig geïnvesteerd. Zij acht het in het belang van [minderjarige 3] dat het verzoek van de vrouw wordt toegewezen.

4.20.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de verstandhouding tussen partijen niet goed is en dat er tussen partijen een gebrek is aan constructieve communicatie. Gezien het verleden van partijen en de rolverdeling ten tijde van het huwelijk, valt niet te verwachten dat daarin op korte termijn verandering zal komen. Daarbij overweegt de rechtbank dat gelet op de leeftijd van [minderjarige 3] de komende jaren in toenemende mate beslissingen genomen dienen te worden. Daar komt bij dat de man in Egypte woonachtig is en hij geen aansluiting heeft bij de Nederlandse maatschappij. De fysieke afstand in combinatie met het gebrek aan constructieve communicatie, maakt bovendien dat er bij een medische noodsituatie zelfs een levensbedreigende situatie voor [minderjarige 3] kan ontstaan.

4.21.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat gezamenlijk gezag niet langer in het belang van [minderjarige 3] is, nu er een onaanvaardbaar risico aanwezig is dat zij klem of verloren zal raken wanneer de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag blijven belast. Met name nu niet te verwachten is dat de verhouding tussen ouders binnen afzienbare tijd voldoende zal verbeteren. Mitsdien zal de rechtbank het verzoek van de vrouw dienaangaande toewijzen. Dit betekent dat het geschilpunt ten aanzien van de hoofdverblijf van [minderjarige 3] bij de man onbesproken kan blijven. Zijn verzoek zal worden afgewezen.
hoofdverblijf [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

4.22.

Ten aanzien van het verzoek van de man omtrent de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht zich niet bevoegd om een beslissing te nemen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2], nu zij hun gewone verblijfplaats in Egypte hebben. Het bepaalde in artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering maakt dat niet anders. Om die reden zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren voor zover zijn verzoek betrekking heeft op [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

informatieregeling en omgangsregeling

4.23.

De man heeft subsidiair, voor zover de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 3] bij de vrouw zou bepalen, een informatie- en omgangsregeling verzocht. De rechtbank zal dit verzoek aldus verstaan, dat het ook beoordeeld dient te worden wanneer het verzoek van de vrouw om eenhoofdig gezag wordt toegewezen.

4.24.

Ter gelegenheid van de zitting is gebleken dat de vrouw reeds is gestart met het informeren van de man. Zij stuurt hem eenmaal per maand een e-mailbericht, waarin zij hem informeert over alle belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige 3]. De man verzoekt een wekelijkse informatieregeling, maar net als de vrouw acht de rechtbank een wekelijkse update te belastend voor de vrouw. Mitsdien zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen, aldus dat de vrouw hem eenmaal per maand per e-mailbericht zal informeren over [minderjarige 3].

4.25.

De man heeft tevens een omgangsregeling verzocht waarbij de man wekelijks op zaterdag van 11.00 uur tot 13.00 uur telefonisch contact met [minderjarige 3] zal hebben. De vrouw heeft aangegeven dat zij openstaat voor een dergelijk contactmoment, maar dat de verzochte regeling te lang duurt voor [minderjarige 3].

4.26.

De raadsvertegenwoordigster heeft ter zitting aangegeven dat [minderjarige 3] te jong is voor een dergelijke regeling. Zij heeft geadviseerd om een regeling vast te stellen, waarbij er via Skype tien minuten tot een half uur omgang is. De duur van dit moment is afhankelijk van de vraag of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij het omgangsmoment betrokken worden. Wanneer zij betrokken worden, kan [minderjarige 3] haar aandacht mogelijk langer bij het gesprek houden. Ook acht de raadsvertegenwoordigster het van belang dat de vrouw bij het moment worden betrokken, zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op die manier het contact met de vrouw kunnen hervatten. Ten aanzien van het door vader verzochte contact in Nederland heeft de raadsvertegenwoordigster geadviseerd om de omgang onder begeleiding van familieleden te laten plaatsvinden, dan wel een professionele instantie. Daarbij acht de Raad het van belang dat wanneer de man naar Nederland komt, hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meeneemt zodat zij de vrouw kunnen zien.

4.27.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. [minderjarige 3] is op dit moment bijna drie jaar oud. Gelet op haar jonge leeftijd, acht de rechtbank de door de man verzochte omgangsregeling te ruim. Mitsdien zal de rechtbank het advies van de Raad volgen en een omgangsregeling bepalen waarbij wekelijks op zaterdag contact plaatsvindt via telefoon, Skype of Facetime gedurende tien tot dertig minuten. De duur van het moment is afhankelijk van de vraag hoe lang [minderjarige 3] haar aandacht bij het moment kan houden, alsmede of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij het contact worden betrokken. Dit laatste acht de rechtbank overigens wel in het belang van [minderjarige 3]. Verder overweegt de rechtbank dat de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat wanneer de man naar Nederland komt, zij het contact tussen de man en [minderjarige 3] niet in de weg zal staan. Wel acht de rechtbank het van belang dat deze omgang alsdan onder begeleiding plaatsvindt. Indien mogelijk kunnen de familieleden (van de vrouw) deze omgang begeleiden en wanneer dat niet mogelijk is, dienen partijen zich te melden tot een professionele instantie. Het een en ander dienen partijen in onderling overleg nader af te stemmen. Overigens merkt de rechtbank hierbij op dat het in het belang van alle kinderen zou zijn wanneer de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meeneemt naar Nederland, zodat zij alsdan het contact met de vrouw en [minderjarige 3] kunnen hervatten.

4.28.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank beslissen als na te melden.

proceskosten

4.29.

In de omstandigheid dat de man en de vrouw echtelieden zijn, ziet de rechtbank aanleiding de kosten van deze procedure als volgt te compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op 8 november 2005 te Gaza-Stad, Gaza, Palestina;

5.2.

bepaalt dat de vrouw na ontbinding van het huwelijk alleen het ouderlijk gezag uitoefent over de minderjarige:

- [minderjarige 3];

5.3.

bepaalt dat de vrouw eenmaal per maand de man per e-mailbericht zal informeren over gewichtige aangelegenheden die de persoon of het vermogen van voornoemde minderjarige betreffen;

5.4.

bepaalt het recht van omgang aldus dat voornoemde minderjarige:

  1. wekelijks op zaterdag gedurende tien tot dertig minuten omgang heeft met de man via de telefoon, Skype of Facetime, in onderling overleg nader af te stemmen;

  2. onder begeleiding van familieleden (van de vrouw) ofwel een professionele instantie omgang heeft met de man, wanneer hij haar in Nederland kan bezoeken, in onderling overleg nader af te stemmen;

5.5.

verklaart de man niet-ontvankelijk voor zover zijn verzoek betrekking heeft op [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

5.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing omtrent de echtscheiding;

5.7.

compenseert de kosten van dit geding aldus dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft;

5.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J.P. Lambooij, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van [naam griffier], griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2019.