Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:487

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3677
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat man en vrouw zijn ingekeerd. De rechtbank gaat voorbij aan eerdere anonieme meldingen. Van de latere brief is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat deze daadwerkelijk correct is verzonden. Onder de gegeven omstandigheden is een verzendbewijs van een aangetekende verzending hiervoor niet voldoende. Navorderingsaanslagen blijven volledig in stand. Ook niet aannemelijk dat er sprake is van een gebrek aan voortvarend handelen. Boeten blijven ook volledig in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-03-2019
FutD 2019-0677
V-N Vandaag 2019/552
NTFR 2019/652
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/3677, 17/3678, 17/4921, 18/320, 18/321, 18/322, 18/323, 18/324 en 18/326

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 30 januari 2019

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres (burgerservicenummer [000] ) de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente/belastingrente opgelegd:

Jaar

Dagtekening

Belastbaar inkomen werk en woning

Belastbaar inkomen sparen en beleggen

Vergrijpboete

Heffingsrente/

Belastingrente

2004

30-12-2016

€ 5.186

€ 698

2005

15-11-2017

€ 9.593

€ 5.981

€ 897

€ 779

2006

15-11-2017

€ 12.239

€ 5.125

€ 768

€ 639

2007

15-11-2017

€ 10.340

€ 5.963

€ 894

€ 664

2008

15-11-2017

€ 25

€ 6.117

€ 2.749

€ 585

2009

02-12-2017

€ 5.993

€ 2.695

€ 492

2010

02-12-2017

€ 636

€ 5.836

€ 2.625

€ 413

2011

31-12-2016

€ 6.297

€ 5.323

€ 92

2012

29-07-2017

€ 9.685

€ 1.813

€ 192

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 8 juni 2017 (2004 en 2011), van 29 december 2017 (2005 tot en met 2010) en van 4 september 2017 (2012) de bezwaren van eiseres afgewezen.

Eiseres heeft daartegen per faxberichten van 17 juli 2017 (2004 en 2011), van 10 januari 2018 (2005 tot en met 2010) en van 14 september 2017 (2012) telkens tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019. Eiseres is verschenen met haar echtgenoot [Y] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [A] .

De beroepen met nummers AWB 17/3675, 17/3676, 17/4920, 18/313, 18/314, 18/315, 18/316, 18/317 18/318, 17/3677, 17/3678, 17/4921, 18/320, 18/321, 18/322, 18/323, 18/324 en 18/326 zijn vrijwel gelijktijdig behandeld.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres en haar echtgenoot hebben beschikt over vermogen op bankrekeningen van Dexia Bank en KBC te België. Dat vermogen hebben zij in het verleden niet in hun aangiften IB/PVV aangegeven.

2. Op 7 maart 2014 heeft de Belastingdienst de aangifte IB/PVV 2013 van de echtgenoot van eiseres ontvangen. In die aangifte is een bedrag van € 310.341 opgenomen bij bank- en spaartegoeden in het buitenland, met landcode België. Ook in de aangiften IB/PVV 2014 (ontvangen op 13 maart 2015) en 2015 (ontvangen op 9 maart 2016) heeft de echtgenoot een bedrag aan buitenlands vermogen in box 3 vermeld.

3. Op 1 juni 2016 is aan eiseres in het kader van het project ‘vermogen in het buitenland (stille inkeer)’ informatie gevraagd over de buitenlandse tegoeden en de herkomst van de gelden.

4. Bij brief van 17 juni 2016 heeft de gemachtigde gereageerd op het verzoek om informatie. In die brief wordt verwezen naar een brief van 27 februari 2012 waarin namens eiseres de intentie tot vrijwillige verbetering kenbaar wordt gemaakt, en naar brieven van november en december 2011 waarin namens niet nader genoemde cliënten om vooroverleg is verzocht.

5. Nadien is informatie verstrekt en is (tevergeefs) gepoogd de zaak in de vorm van een vaststellingsovereenkomst af te doen. Vervolgens heeft verweerder de onderhavige navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente/belastingrente opgelegd.

Geschil

6. In geschil is:

- of met betrekking tot alle jaren sprake is van inkeer;

- of verweerder in 2004 tot en met 2010 voldoende voortvarend heeft gehandeld;

- of in 2005 t/m 2010 en 2012 terecht vergrijpboeten zijn opgelegd; en

- of in alle jaren de heffingsrente/belastingrente terecht in rekening is gebracht.

Beoordeling van het geschil

7. De rechtbank heeft heden uitspraak gedaan in de zaken van de echtgenoot van eiseres, over hetzelfde feitencomplex en over dezelfde geschilpunten als in de zaken van eiseres. Een kopie van die uitspraak is aan deze uitspraak gehecht. De overwegingen en oordelen in de zaken van de echtgenoot van eiseres moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

8. De rechtbank concludeert dat eiseres niet is ingekeerd en dat de navorderingsaanslagen over 2004 tot en met 2010 niet vanwege een gebrek aan voortvarend handelen moeten worden vernietigd.

Vergrijpboeten (2005 t/m 2010 en 2012)

9. Ook voor de beoordeling van de aan eiseres opgelegde vergrijpboeten volstaat de rechtbank met de verwijzing naar het oordeel van de vergrijpboeten in de zaken van de echtgenoot van eiseres. De feiten en omstandigheden in de zaken van eiseres en in de zaken van haar echtgenoot zijn identiek en de rechtbank acht de aan eiseres opgelegde boeten ook passend en geboden.

10. Omdat de boeten die aan eiseres zijn opgelegd afwijken van de aan haar echtgenoot opgelegde boeten, werkt de vermindering van die boeten met 5% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM rekenkundig anders uit. De rechtbank stelt de boeten vast op € 852 (2005), € 729 (2006), € 849 (2007), € 2.611 (2008), € 2.560 (2009), € 2.493 (2010) en € 1.722 (2012).

Vergoeding van immateriële schade

11. Eiseres heeft in haar pleitnota verzocht om vergoeding van immateriële schade. Niet in geschil is dat het oudste bezwaarschrift door verweerder is ontvangen op 31 januari 2017. Omdat de uitspraak van deze rechtbank is gedaan vóór 31 januari 2019 is de redelijke termijn niet overschreden en bestaat geen aanleiding voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.

Slotoverwegingen

12. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Omdat de rechtbank de vergrijpboeten vermindert vanwege de ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en/of een vergoeding van het griffierecht (Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar uitsluitend voor wat betreft de boetebeschikkingen;

- vermindert de boetebeschikkingen tot € 852 (2005), € 729 (2006), € 849 (2007), € 2.611 (2008), € 2.560 (2009), € 2.493 (2010) en € 1.722 (2012);

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. J.M. van der Vegt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 30 januari 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.