Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4857

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
7246919
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kanton. Zorgkostenplafond. Klachtplicht. Rechtsverwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 7246919 \ CV EXPL 18-10713

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

1 [gedaagde 1]

kantoorhoudende te [woonplaats]

2. [gedaagde 2]

kantoorhoudende te [woonplaats]

3. [gedaagde 3]

kantoorhoudende te [woonplaats]

4. [gedaagde 4]

kantoorhoudende te [woonplaats]

5. [gedaagde 5]

kantoorhoudende te [woonplaats]

6. [gedaagde 6]

kantoorhoudende te [woonplaats]

7. [gedaagde 7]

kantoorhoudende te [woonplaats]

eisende partijen

gemachtigde Huis-Meesters Juridische Zaken

tegen

de naamloze vennootschap

VGZ Zorgverzekeraar N.V.

gevestigd te Arnhem

gedaagde partij

gemachtigde mr. A.T.H.J. Mingels

Partijen worden hierna [gedaagde 1] c.s. en VGZ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 maart 2019 en de daarin genoemde processtukken

- de comparitie van partijen van 20 september 2019

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] c.s. is een vrijgevestigde zorgverlener die geestelijke gezondheidszorg verleent.

2.2.

VGZ is een zorgverzekeraar.

2.3.

Eind 2013 heeft [gedaagde 1] c.s. met de zorgverzekeraars VGZ, IZZ Zorgverzekeraar N.V. (thans VGZ voor de Zorg N.V.), IZA Zorgverzekeraar N.V., N.V. Zorgverzekeraar UMC, N.V. Univé Zorg en Zorgverzekeraar Cares Gouda N.V. (later N.V. VGZ Cares die in 2017 gefuseerd is met VGZ ) een zorgovereenkomst voor generalistische basis geestelijke gezondheidszorg en/of voor specialistische geestelijke gezondheidszorg gesloten, kort gezegd inhoudende dat de zorgverzekeraars de zorg die [gedaagde 1] c.s. aan de verzekerden van de zorgverzekeraars verleende, zouden vergoeden. In beide overeenkomsten (hierna te noemen: de overeenkomst)1 is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 4 Declaraties en Betaling

In aanvulling op hetgeen over declaratie en betaling in de Algemene Voorwaarden Zorginkoop VGZ 2014 is bepaald komen partijen het volgende overeen.

(…)

3. De Zorgaanbieder heeft geen recht op betaling voor geleverde zorg indien door voldoening van de declaratie een voor dat jaar geldende zorgkostenplafond zou worden overschrijden;

Artikel 8. Zorgkostenplafond en nacalculatie

1. Het zorgkostenplafond zoals vermeld in Bijlage 1 bij deze overeenkomst vormt het maximum van de tarieven die zorgverzekeraar in enig jaar aan de zorgaanbieder vergoedt voor in dat jaar geopende DBC’s en deelprestaties.

2. Indien door het in rekening brengen van tarieven het zorgkostenplafond wordt overschreden, blijft de zorgaanbieder verplicht om zorg aan de verzekerden van de zorgverzekeraar te verlenen.

3. Zorgverzekeraar zal zorg dragen voor doorbetaling van de DBC’s en deelprestaties, die in 2014 zijn geopend en het zorgkostenplafond te boven gaan, ondanks dat de Zorgaanbieder overeenkomstig artikel 4 lid 3 van deze overeenkomst geen recht heeft betaling.

4. De door de Zorgaanbieder bij de Zorgverzekeraar gedeclareerde tarieven, zullen na het einde van het kalenderjaar waarvoor deze overeenkomst geldt worden nagecalculeerd. Deze nacalculatie over 2014 wordt als volgt vormgegeven in twee stappen:

- stap 1: voorlopige nacalculatie 2014; voor 1 juni 2015 op basis van de afronding 2014 op basis van de positie onderhanden werk (OHW);

- stap 2: definitieve nacalculatie 2014; voor 1 juni 2016 op basis van de definitieve afgesproken zorgkostenplafond 2014;

5. De overschrijding van het voor 2014 overeengekomen zorgkostenplafond wordt door de Zorgaanbieder aan Zorgverzekeraar binnen vier weken terugbetaald nadat de Zorgaanbieder is bericht over de hoogte van deze overschrijding.

Artikel 10. Algemene voorwaarden, Bijlagen en Offerte

De onderstaande documenten maken onlosmakelijk onderdeel uit van de Zorgovereenkomst Zorgverzekeraar – Zorgaanbieder voor Specialistische GGZ 2014:

- Bijlage 1 Tarieven en Zorgkostenplafond

- Algemene Voorwaarden Zorginkoop VGZ 2014

(…)

2.4.

In bijlage I bij de overeenkomst is voor iedere eisende partij een bedrag als zorgkostenplafond opgenomen.

2.5.

In de Algemene Voorwaarden Zorginkoop VGZ 2014 is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 11 – Betalingswijze en –termijn

(…)

6. Als blijkt dat het bedrag van de voorlopige betaling hoger was dan waarop de Zorgaanbieder aanspraak had, is de Zorgaanbieder het teveel betaalde verschuldigd aan de Zorgverzekeraar. De Zorgverzekeraar is gerechtigd al zijn vorderingen op de Zorgaanbieder te verrekenen met al hetgeen de Zorgverzekeraar aan de Zorgaanbieder verschuldigd is.

2.6.

In de periode van medio 2016 tot begin 2018 heeft VGZ [gedaagde 1] c.s. bericht dat het zorgkostenplafond over 2014 was overschreden en hem verzocht om tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag over te gaan. Nadat hierover discussie was ontstaan, heeft VGZ besloten om uit coulance enkel 50% van het overschreden bedrag terug te vorderen van [gedaagde 1] c.s. Dit heeft geleid tot de volgende door VGZ gevorderde bedragen:

[gedaagde 7] € 18.499,93

[gedaagde 2] € 4.820,81

[gedaagde 3] € 4.201,10

[gedaagde 5] € 2.814,42

[gedaagde 1] € 3.436,20

[gedaagde 4] € 1.368,87

[gedaagde 6] € 1.450,23

Behoudens eiser 1 ( [gedaagde 1] ) en eiseres 6 ( [gedaagde 6] ) hebben eisers het door VGZ gevorderde bedrag volledig terugbetaald.

2.7.

Bij brief van 30 januari 2018 heeft de gemachtigde van [gedaagde 1] c.s. VGZ medegedeeld dat de nacalculatie niet tijdig was verricht, zodat er geen rechtsgrond bestaat om (terug)betaling te vorderen.

2.8.

In reactie hierop heeft VGZ per e-mail van 26 maart 2018 aan de gemachtigde van [gedaagde 1] c.s. bericht dat zij bij haar standpunt blijft.

3 De vordering

3.1.

[gedaagde 1] c.s. vordert – na een vermindering van eis – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht verklaart dat de termijnen genoemd in artikel 8 lid 4 zorgovereenkomst rechtens bindende kracht hebben en dat het onverrichterzake laten verstrijken van die termijnen primair het gevolg heeft dat het recht van VGZ om bedragen te kunnen terugvorderen is vervallen en subsidiair het gevolg heeft dat VGZ haar recht om bedragen te kunnen terugvorderen heeft verwerkt;

B. VGZ veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de nakosten ervan en de vergoeding voor het uittreksel uit openbare registers á € 11,00 en de kosten van de deurwaarder, een en ander te vermeerderen met 21% BTW en te voldoen binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente conform artikel 6:119 BW over deze proces- en nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van algehele betaling.

3.2.

[gedaagde 1] c.s. legt – kort gezegd – aan zijn vorderingen ten grondslag dat VGZ gelet op artikel 8 lid 4 zorgovereenkomst niet tijdig heeft geklaagd, zodat haar recht op terugvordering van de boven het plafond gedeclareerde en uitbetaalde bedragen is komen te vervallen. Om dezelfde reden is volgens [gedaagde 1] c.s. sprake van rechtsverwerking.

3.3.

VGZ voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vast staat dat [gedaagde 1] c.s. in 2014 de met VGZ overeengekomen plafonds heeft overschreden. VGZ heeft eiser 7 daarvoor op 20 juni 2016 een terugvorderingsbrief gestuurd. De overige zes eisers hebben een dergelijke brief pas in 2017 of 2018 ontvangen. Kern van het geschil is of VGZ daartoe op dat moment nog bevoegd was. De eerste vraag die in dat verband voorligt, is of VGZ al doende haar klachtplicht ex artikel 6:89 BW heeft geschonden.

4.2.

Op grond van artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. De sanctie op het verzuimen van de klachtplicht is verval van recht.

4.3.

Artikel 6:89 BW is opgenomen in de eerste titel van het zesde boek van het Burgerlijk Wetboek. Het artikel is daarom in beginsel van toepassing op alle verbintenissen (zie HR 8 februari 2013, NJ 2014/497). Uit de wetgeschiedenis blijkt dat de bedoeling van de klachtplicht is om de schuldenaar te beschermen tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, doordat hij erop mag rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, zulks, eveneens met spoed, aan de schuldenaar meedeelt (TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 316-317).

4.4.

[gedaagde 1] c.s. voert aan dat het gebrek in zijn prestatie waarover VGZ eerder had moeten klagen eruit bestaat dat de zorgverleners teveel nieuwe patiënten hebben aangenomen, althans dat er teveel bestaande patiënten waren. Nog daargelaten dat [gedaagde 1] c.s. zelf degene is die hiervan op de hoogte was of had kunnen zijn, geldt dat in artikel 8 lid 2 van de overeenkomst een doorleverplicht is opgenomen, zodat het verlenen van teveel zorg niet kan worden aangemerkt als een gebrekkige prestatie. Van ondeugdelijk nakomen is immers geen sprake. Ook het declareren van teveel zorgkosten kan naar het oordeel van de kantonrechter niet als een gebrekkige prestatie in de zin van artikel 6:89 BW worden aangemerkt. Dit kan immers op een lijn worden gesteld met het opstellen en toezenden van een factuur, waarvan de Hoge Raad reeds heeft geoordeeld dat dat niet als een prestatie in de zin van dit artikel geldt (ECLI:NL:HR:2001:AB1565). Dit betekent dat de vordering niet kan worden toegewezen op grond van schending van de klachtplicht.

4.5.

Dat in artikel 8 lid 4 van de zorgovereenkomst is bepaald dat vóór 1 juni 2015 een voorlopige calculatie en vóór 1 juni 2016 een definitieve nacalculatie moest plaatsvinden, heeft evenmin tot gevolg dat sprake is van verval van recht. De gemachtigde van VGZ heeft toegelicht dat pas op zijn vroegst in april 2016 met de nacalculatie kon worden gestart, omdat een DBC (Diagnose Behandeling Combinatie) in 2014 365 dagen kon openstaan en de declaratie conform de overeenkomst binnen zes maanden na de einddatum van de prestatie moest worden ingediend bij VGZ, maar binnen drie maanden indien de DBC in 2015 werd gesloten. Een DBC die in december 2014 werd geopend en 365 dagen had opengestaan, kon dus uiterlijk in maart 2016 gedeclareerd worden. [gedaagde 1] c.s. heeft daarom tot 1 april 2016 de mogelijkheid gehad tot het indienen van declaraties, hetgeen [gedaagde 1] c.s. ook wist. VGZ kon pas daarna de balans opmaken. Dat dat langer heeft geduurd dan partijen waren overeengekomen, is vervelend voor [gedaagde 1] c.s., maar aan overschrijding van de in artikel 8 lid 4 vermelde termijn is in de overeenkomst geen rechtsgevolg verbonden, terwijl dat op andere plaatsen in dezelfde overeenkomst wel zo is. Voornoemde termijn is evenmin een vervaltermijn. Van verval van recht is dan ook geen sprake.

4.6.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of VGZ haar rechten om tot terugvordering over te gaan heeft verwerkt. Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking; daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (HR 7 juni 1991, NJ 1991, 708, HR 29 september 1995, NJ 1996, 89, en HR 24 april 1998, NJ 1998, 621).

4.7.

VGZ is in 2016 gestart met het terugvorderen van de hoogste overschrijdingen

( > € 20.000,00), daarna de overschrijdingen tussen € 10.000,00 en € 20.000,00 en tot slot de overschrijdingen tot € 10.000,00. De vordering op eiser 7 ( [gedaagde 7] ) behoorde tot die eerste categorie. VGZ heeft hem op 20 juni 2016, en daarmee enkele weken later dan de in de overeenkomst genoemde datum van 1 juni 2016, een brief met een nacalculatie gestuurd. De overige eisers, die behoorden tot de laatste groep, hebben een dergelijk brief in de periode van 2017 tot begin 2018 ontvangen. [gedaagde 1] c.s. als zorgverlener had zelf kunnen inschatten met welk bedrag het omzetplafond ongeveer was overschreden en dus hoeveel hij ongeveer aan VGZ moest terugbetalen. De overeenkomst is daar ook duidelijk over. Er is een bedrag als omzetplafond in opgenomen (over welk bedrag door partijen is onderhandeld) en indien boven dat bedrag verleende zorg zou worden gedeclareerd, diende de zorgaanbieder op grond van artikel 8 lid 5 binnen vier weken nadat VGZ de zorgaanbieder hierover had bericht dit bedrag aan VGZ terug te betalen. [gedaagde 1] c.s. heeft VGZ niet gevraagd een nacalculatie te verstrekken op het moment dat de termijn zoals vermeld in de overeenkomst was verstreken. Dit terwijl hij als zorgverlener wel wist, althans kon weten, dat er teveel gedeclareerd/uitbetaald was. VGZ heeft [gedaagde 1] c.s. nimmer bericht dat geen terugvordering meer zou plaatsvinden, hetgeen maakt dat [gedaagde 1] c.s. er dus niet zonder meer op mocht vertrouwen dat VGZ het boven het plafond gedeclareerde bedrag niet meer zou terugvorderen.

4.8.

Dat de teruggevorderde bedragen niet in de jaarrekeningen zijn opgenomen, maakt niet dat [gedaagde 1] c.s. onredelijk is benadeeld. In de jaarrekeningen had in 2015 immers al een post met bijvoorbeeld ‘onderhanden werk’ of ‘reservering’ kunnen worden opgenomen. Een correcte praktijkuitvoering (het indienen van een juiste jaarrekening en aangiften inkomstenbelasting), zoals [gedaagde 1] c.s. dat noemt, was dus gewoon mogelijk. Dat [gedaagde 1] c.s. geen rekening heeft gehouden met de nog terug te vorderen bedragen en dus geen voorzieningen heeft getroffen op fiscaal en boekhoudkundig/administratief gebied, komt voor zijn eigen risico en maakt nog niet dat hij onredelijk benadeeld wordt door de latere terugvordering van VGZ. Hoewel het niet de schoonheidsprijs verdient dat [gedaagde 1] c.s. langer heeft moeten wachten op de terugvordering, kan dit dus niet leiden tot het oordeel dat sprake is van rechtsverwerking. In dat verband is overigens nog van belang dat VGZ uiteindelijk coulance halve de vorderingen op [gedaagde 1] c.s. met 50% heeft verminderd.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen.

4.10.

[gedaagde 1] c.s. wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

4.11.

De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 120,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

4.12.

De rente over de proces- en nakosten wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van VGZ begroot op € 720,00 (2 punten x € 360,00) aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met € 120,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vijftien dagen na dit vonnis tot aan de dag van voldoening,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op

1 In de overeenkomsten verschilt, voor zover thans van belang, enkel de nummering. In dit vonnis zal aangesloten worden bij de artikelnummering van de specialistische geestelijke gezondheidszorg overeenkomst.