Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4725

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3513 en 18- 3637
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak. Bijzondere bijstand voor kosten vordering Belastingdienst inzake de kinderopvangtoeslag. Voorliggende voorziening. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat flexibele kinderopvang zoals eiseres die nodig had daadwerkelijk mogelijk was. De Wet kinderopvang is geen voorliggende voorziening voor de kosten van kinderopvang voor zover deze het gevolg zijn van het feit dat eiseres meer uren aan kinderopvang heeft moeten afnemen dan 140% van de door haar gewerkte uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 18/3513 en 18/3637

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. E.P. Groot),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe te Epe, verweerder.

Procesverloop

De rechtbank heeft op 10 april 2019 een tussenuitspraak gedaan, waarbij verweerder in de gelegenheid is gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen.

Verweerder heeft bij brief van 28 mei 2019 een aanvullende motivering gegeven.

Eiseres heeft op 24 juni 2019 hierop gereageerd.

De rechtbank ziet thans aanleiding met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), einduitspraak te doen.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst voor de feiten van deze procedure, de door partijen verdedigde stellingen en de door de rechtbank tot nu toe gegeven oordelen naar de tussenuitspraak van 10 april 2019. Het geschil gaat thans nog over de vraag of eiseres recht heeft op bijzondere bijstand voor de kosten van de vordering van de Belastingdienst Toeslagen inzake de kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 en 2016 voor zover deze het gevolg zijn van het feit dat eiseres meer uren aan kinderopvang heeft moeten afnemen dan 140% van de door haar gewerkte uren.

2. In de tussenuitspraak is overwogen dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of voor eiseres feitelijk flexibele kinderopvang mogelijk was. Volgens de rechtbank kan namelijk niet zonder meer geconcludeerd worden dat de kosten die eiseres heeft gemaakt omdat zij meer uren aan kinderopvang heeft afgenomen dan 140% van de door haar gewerkte uren geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (Pw).

3. Verweerder heeft om het gebrek te herstellen informatie ingewonnen bij drie gastouderbureaus in de gemeente Epe. Hieruit blijkt volgens verweerder dat het in de jaren 2015 en 2016 mogelijk was om in de gemeente flexibele gastouderopvang van 1 tot 3 uur per ochtend af te nemen. Volgens eiseres is de aangeleverde informatie niet overtuigend omdat er niet uit blijkt dat in de genoemde jaren daadwerkelijk flexibele gastouderopvang op de manier zoals door eiseres wordt beoogd, beschikbaar was.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het gebrek niet hersteld. In de eerste plaats zijn de vragen die verweerder aan de gastouderbureaus heeft voorgelegd niet duidelijk genoeg. De vraag waarop een antwoord moest komen is of er flexibiliteit mogelijk is in die zin dat in beginsel drie uren gastouderopvang beschikbaar zijn, maar dat afhankelijk van het aantal uren dat eiseres wordt ingeroosterd dit ook feitelijk minder kan zijn. Verweerder heeft echter gevraagd: “Is het mogelijk om flexibele gastouderopvang af te nemen? En om bijvoorbeeld op wisselende dagen en maar voor 1, 2 of 3 uur per dag gastouderopvang af te nemen?” Hiermee wordt gevraagd of er flexibiliteit mogelijk is in de dagen waarop gastouderopvang nodig is en in het aantal benodigde uren per dag. Dat is niet wat eiseres aangeeft nodig te hebben gehad.

Door deze manier van vraagstelling geven de antwoorden van de gastouderbureaus dan ook geen uitsluitsel over de flexibiliteit die eiseres nodig had. Bovendien maken alle drie de gastouderbureaus het voorbehoud dat het aan de gastouder is of zij instemt met de gevraagde flexibiliteit. Geen van de gastouderbureaus geeft aan dat er in de jaren 2015 en 2016 flexibele gastouderopvang via hen werd afgenomen.

5. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarbij geen bijzondere bijstand is toegekend voor het deel van de vordering van de Belastingdienst Toeslagen dat ziet op het aantal uren aan kinderopvang dat eiseres meer heeft afgenomen dan 140% van het aantal door haar gewerkte uren.

6. De rechtbank ziet geen mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtbank niet kan bepalen welk deel van de vordering van de Belastingdienst Toeslagen toegerekend moet worden aan de uren kinderopvang die eiseres meer heeft afgenomen dan 140% van het aantal door haar gewerkte uren. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

7. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van de samenhangende beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 28 mei 2018 en 29 juni 2018 voor zover daarbij geen bijzondere bijstand is toegekend voor het deel van de vordering van de Belastingdienst Toeslagen dat ziet op het aantal uren aan kinderopvang dat eiseres meer heeft afgenomen dan 140% van het aantal door haar gewerkte uren.

- draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 92,- (2 x € 46,-) aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. E.L. de Jongh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Siragedik, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.