Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4638

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
05/045254-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. De militaire kamer veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, ter zake van mishandeling en bedreiging van zijn levensgezel. Tevens dient hij € 150,00 schadevergoeding te betalen en is zij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/045254-18

Datum uitspraak : 21 oktober 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Raadsvrouw: mr. T.H. ten Wolde, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na de door de militaire kamer toegewezen vorderingen wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 1 december 2017 te Harderwijk zijn (ex-)vriendin, [slachtoffer] , heeft

mishandeld door meermalen, althans eenmaal tegen (een) (boven)be(e)n(en), althans het

lichaam te schoppen en/of te stampen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen;

2

hij op of omstreeks 1 december 2017 te Harderwijk, zijn (ex-)vriendin [slachtoffer] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte - terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - opzettelijk dreigend met een stuk glas,

althans een scherp voorwerp, boven die [slachtoffer] gestaan en/of vervolgens een stuk glas,

althans een scherp voorwerp, op die [slachtoffer] gericht en/of aan die [slachtoffer] getoond en/of (vervolgens) dreigend de woorden toegevoegd “ik snijd je keel door”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3

hij op of omstreeks 10 juni 2017 te Harderwijk, althans elders in Nederland, een ander, te weten,

zijn verdachtes (ex-)vriendin [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of

door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer]

wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten die

[slachtoffer] tot een overplaatsing van haar tewerkstelling te bewegen door aan die [slachtoffer]

WhatsApp-berichten te sturen met daarin de tekst(en): "Jij gaat maandag een gesprek met de Cc

aan. Je zegt dat je dichter bij huis wilt worden geplaatst en als reden thuiszorg voor mama. En

als je dat niet doet dan doe ik het. Ik zorg wel dat je voor de vakantie weg bent. Goedschiks of

kwaadschiks" en/of "En als het aan mij ligt ga ik ook voor de fie van [naam 1] liggen. Ben helemaal

klaar met jullie." en/of "Dan weet je wat je te wachten staat" en/of "En dan weet je zeker dat ik

jou kapot maak";

subsidiair

hij op of omstreeks 10 juni 2017 te Harderwijk, althans elders in Nederland, een ander, te weten, zijn verdachtes (ex-)vriendin [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten die [slachtoffer] tot een overplaatsing van haar tewerkstelling te bewegen door aan die [slachtoffer] WhatsApp-berichten te sturen met daarin de tekst(en): “Jij gaat maandag een gesprek met de Cc aan. Je zegt dat je dichter bij huis wilt worden geplaatst en als reden thuiszorg voor mama. En als je dat niet doet dan doe ik het. Ik zorg wel dat je voor de vakantie weg bent. Goedschiks of kwaadschiks” en/of ”En als het aan mij ligt ga ik ook voor de fie van [naam 1] liggen. Ben helemaal klaar met jullie.” en/of ”Dan weet je wat je te wachten staat” en/of ”En dan weet je zeker dat ik jou kapot maak” terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 1 december 2017 was verdachte in zijn woning in Harderwijk met zijn partner [slachtoffer] . Verdachte was boos op [slachtoffer] . Verdachte stond op de trap en aangeefster stond onderaan deze trap. Er viel een glazen fotolijst van de muur naar beneden kapot op de grond. Daaropvolgend bevonden verdachte en aangeefster zich in de woonkamer en is aangeefster op enig moment – door toedoen van verdachte – over een tafeltje, dat tussen twee stoelen stond, op de grond gevallen. Terwijl aangeefster op de grond lag heeft verdachte boven haar gestaan en heeft hij dreigende woorden tegen haar gebruikt. Verdachte had aangeefster vast met zijn ene hand en in zijn andere hand had hij een glasscherf van de kapotte fotolijst.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1, feit 2 en feit 3 subsidiair. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie in het bijzonder aangevoerd dat hij niet twijfelt aan de authenticiteit van de door aangeefster overlegde WhatsApp-gesprekken, aangezien verdachte bij de KMAR niet heeft verklaard dat de berichten niet van hem afkomstig waren. Voorts kan het voorwaardelijk opzet op dwang wettig en overtuigend worden bewezen. Nu de bedreigende teksten door het slachtoffer niet zijn opgevolgd, is het bij een poging gebleven, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De militaire kamer begrijpt het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van feit 1 aldus dat zij zich op het standpunt stelt dat het aan de militaire kamer is om te beoordelen of de aangifte van [slachtoffer] , waarin zij stelt dat verdachte haar getrapt heeft, voldoende wordt ondersteund. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw geen inhoudelijk verweer gevoerd; zij heeft de context van het gebeuren geschetst. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat er geen aangifte is gedaan van de vermeende dwang. Bovendien zijn de – in de tenlastelegging vermelde – Whatsapp-gesprekken ontleend aan een door aangeefster uitgeschreven weergave van gesprekken uit haar telefoon. Deze WhatsApp-gesprekken zijn nimmer gecontroleerd op authenticiteit. Tevens wordt in deze gesprekken onvoldoende blijk gegeven van dwang in de zin van artikel 284 Sr.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer overweegt ten aanzien feit 1 het volgende. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar hard tegen haar rechter bovenbeen heeft getrapt en dat zij daarvan pijn heeft ondervonden. Aangeefster heeft verder verteld dat zij door de harde trap is gevallen.3 Door de verbalisant is (een dag na het voorval) op haar rechterbovenbeen een donkere huidverkleuring waargenomen.4 Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster heeft geduwd, waardoor zij is gevallen. De militaire kamer is van oordeel dat geloof gehecht moet worden aan de verklaring van aangeefster en dus niet aan de verklaring van verdachte. De militaire kamer ziet steun voor de verklaring van aangeefster in een email-bericht dat verdachte op 1 december 2017 om 10.50 uur, dus vlak na het incident, aan aangeefster heeft gestuurd met daarin de volgende tekst: “Een trap en je ligt op jouw vette smoel werk tussen de stoelen”. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de militaire kamer de overtuiging bekomen dat verdachte aangeefster één keer heeft geschopt, waardoor zij ten val is gekomen, en dat aangeefster daarvan pijn en letsel heeft bekomen. Voorts maakt de militaire kamer uit de verklaringen van verdachte op dat [slachtoffer] zijn levensgezel was.

Met betrekking tot feit 2 overweegt de militaire kamer het volgende. Aangeefster heeft verklaard dat zij op de grond lag, dat verdachte een glasscherf in zijn hand had en dat verdachte daarbij heeft gezegd “ik snijd je keel door”.5Verdachte heeft verklaard dat hij een stuk glas in zijn handen had en dat hij [slachtoffer] gedreigd had met steken en daarbij woorden heeft gebruikt als ‘dat hij haar iets zou aandoen’.6 Hoewel verdachte heeft verklaard andere woorden te hebben gebruikt als waarover aangeefster heeft verklaard, is de militaire kamer van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de aangifte. De woorden passen immers bij het voorwerp dat verdachte in zijn handen had toen hij de bedreigende woorden tegen aangeefster zei. De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] met enig misdrijf tegen het leven gericht heeft bedreigd, terwijl zij op de grond lag, door een stuk glas aan [slachtoffer] te tonen en daarbij de woorden ‘ik snijd je keel door’ te gebruiken. De militaire kamer overweegt daarbij dat verdachte weliswaar glasscherf in zijn hand had en aldus heeft getoond aan aangeefster, maar acht niet bewezen dat hij deze scherf doelbewust op haar heeft gericht gedurende de bedreiging en spreekt hem daarvan partieel vrij.

Tot slot spreekt de militaire kamer verdachte vrij van feit 3 primair en subsidiair, nu er onvoldoende bewijs voorhanden is dat aangeefster zich gedwongen voelde iets te doen, niet te doen of te dulden. Voorop staat dat uit het proces-verbaal van bevindingen, waarin wordt gerelateerd over de beweerdelijk door verdachte aan aangeefster gestuurde woorden ‘en als het aan mij ligt ga ik ook voor de fie van [naam 1] liggen. Ben helemaal klaar met jullie’ en ‘dan weet je wat je te wachten staat’ en ‘en dan weet je zeker dat ik jou kapot maak’ gezien de letterlijke inhoud van de berichten maar ook anderszins op geen enkele wijze in verband kunnen worden gebracht met de omstandigheid dat aangeefster zou zijn gedwongen een overplaatsing te bewerkstelligen. Ten aanzien van de overige tenlastegelegde woorden is er geen bewijs voorhanden waaruit volgt dat aangeefster zich op grond van deze woorden gedwongen voelde om overplaatsing te bewerkstelligen. Aangeefster heeft bij de KMAR geen daartoe strekkende verklaring afgelegd. Bovendien is in de gerelateerde berichtgeving hierover te lezen dat aangeefster op de woorden van verdachte antwoordt met ‘dat doe ik niet’. Ook de situatie dat er slechts sprake was van een poging tot dwang, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. Daartoe stelt de militaire kamer allereerst vast dat de poging tot dwang onjuist is tenlastegelegd (er ontbreekt: ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om’). Bovendien is er geen bewijs voorhanden dat van een dergelijk voornemen (om aangeefster met geweld/andere feitelijkheid of bedreiging met geweld/andere feitelijkheid te dwingen iets te doen, te dulden of niet te doen) bij verdachte sprake was.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1

hij op of omstreeks 1 december 2017 te Harderwijk zijn (ex-)vriendin, [slachtoffer] , heeft

mishandeld door meermalen, althans eenmaal tegen (een) (boven)be(e)n(en), althans het

lichaam te schoppen en/of te stampen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen.

2

hij op of omstreeks 1 december 2017 te Harderwijk, zijn (ex-)vriendin [slachtoffer] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte - terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - opzettelijk dreigend met een stuk glas,

althans een scherp voorwerp, boven die [slachtoffer] gestaan en/of vervolgens een stuk glas,

althans een scherp voorwerp, op die [slachtoffer] gericht en/of aan die [slachtoffer] getoond en/of (vervolgens) dreigend de woorden toegevoegd “ik snijd je keel door”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat rekening gehouden dient te worden dat de gedragingen zijn ontstaan binnen een zogeheten toxische relatie, dat verdachte naar aanleiding van het tenlastegelegde is geschorst en ontslagen, dat hij vrijwillig hulp heeft gezocht bij MGGZ, dat hij in verzekering is gesteld en dat er geen sprake is van recidive. Voorts heeft de raadsvrouw bepleit om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, omdat het opleggen van een onvoorwaardelijke straf na het verstrijken van bijna twee jaar geen doel meer dient.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 6 september 2019;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 25 januari 2019.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn toenmalige levensgezel. Dit zijn ernstige feiten die hebben plaatsgevonden binnen de woning van verdachte. Verdachte heeft door dusdanig te handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en een bedreigende situatie gecreëerd, in een omgeving waar het slachtoffer zich eigenlijk veilig had moeten voelen. Het handelen van verdachte heeft psychisch leed teweeggebracht, hetgeen ook blijkt uit de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Anders dan de verdediging heeft bepleit, zijn de feiten dusdanig ernstig dat uit een oogpunt van vergelding als ook uit een oogpunt van generale preventie strafoplegging geboden is.

De militaire kamer houdt ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat bijna twee jaren zijn verstreken sinds de bewezenverklaarde gedragingen zijn voorgevallen. Verdachte is geruime tijd uit zijn ambt als militair geschorst en vervolgens ook ontslagen vanwege hetgeen is voorgevallen. Voorts acht de militaire kamer van belang dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld en dat hij sinds onderhavige feiten niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Tevens neemt de militaire kamer in aanmerking dat – zoals in het reclasseringsadvies is vermeld – sprake was van een toxische relatie tussen verdachte en het slachtoffer, waarin beiden het bloed onder elkaars nagels vandaan haalden. Verdachte heeft het slachtoffer op die bewuste 1 december 2017 tijdens zijn rit naar huis via WhatsApp verzocht om niet aanwezig te zijn wanneer hij thuis zou komen, maar zij gaf daar geen gehoor aan en startte direct bij verdachtes binnenkomst in de woning een woordenwisseling op. Tot slot overweegt de militaire kamer dat de relatie inmiddels is verbroken. Al deze omstandigheden maken dat de militaire kamer geen reden ziet om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, ook gelet op het reclasseringsadvies. De militaire kamer acht derhalve, alles afwegende, een taakstraf van 40 uren passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De duur van de op te leggen taakstraf is lager dan de officier van justitie heeft geëist, hetgeen onder meer is gerelateerd aan de omstandigheid dat de militaire kamer minder feiten bewezen acht.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting heeft de militaire kamer begrepen dat gevorderd wordt een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, bestaande uit fysiek en geestelijk letsel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts heeft de officier van justitie verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering voor het deel ten aanzien van het eerste en/of derde feit, indien tot vrijspraak daarvan wordt gekomen, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Subsidiair heeft zij ten aanzien van het gevorderde geestelijk letsel aangevoerd dat dit letsel op grond van de gegeven onderbouwing niet kan worden vastgesteld en dat de causaliteit tussen het geclaimde letsel en het tenlastegelegde ontbreekt. De militaire kamer kan volgens de raadsvrouw hooguit overgaan tot het schatten van de schade ten aanzien van de blauwe plek die de benadeelde partij ten gevolge van de mishandeling zou hebben opgelopen. De raadsvrouw acht toewijzing van € 150,00 in dit verband redelijk.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer overweegt dat de vordering tot vergoeding van schade onvoldoende is onderbouwd. Nader onderzoek naar de hoogte van de geleden immateriële schade als ook de mate waarin deze schade aan verdachte is toe te rekenen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Tegelijkertijd overweegt de militaire kamer dat onbetwist is gebleven dat de benadeelde partij schade (fysiek letsel) heeft geleden ten gevolge van de mishandeling, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Nu de militaire kamer de bevoegdheid heeft om daartoe de hoogte van de schade te schatten, zal de rechtbank gebruik maken van deze bevoegdheid. De rechtbank schat de schade ten aanzien van het fysieke letsel ten gevolge van het bewezenverklaarde feit 1 op € 150,00 en zal dit bedrag toewijzen. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan haar vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De militaire kamer zal verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij veroordelen en verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De militaire kamer zal de vervangende hechtenis vaststellen op drie dagen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 1 december 2017.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 spreekt verdachte vrij van feit 3, zowel primair als subsidiair;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 40 (veertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom drie dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.B. Heijmans (voorzitter), mr. Y. van Wezel, rechters, en kapitein ter zee logistieke dienst mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. S. de Rooij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 oktober 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee [naam 2] , werkzaam bij het district Noord-Oost, brigade Drenthe IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer [nummer] , gesloten op 19 februari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 38-39, proces-verbaal van verhoor verdachte bij de KMAR, p. 20-21, alsmede de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 oktober 2019.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 39-40.

4 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 59.

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 39.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 24, De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 oktober 2019.