Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:459

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3675
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat man en vrouw zijn ingekeerd. De rechtbank gaat voorbij aan eerdere anonieme meldingen. Van de latere brief is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat deze daadwerkelijk correct is verzonden. Onder de gegeven omstandigheden is een verzendbewijs van een aangetekende verzending hiervoor niet voldoende. Navorderingsaanslagen blijven volledig in stand. Ook niet aannemelijk dat er sprake is van een gebrek aan voortvarend handelen. Boeten blijven ook volledig in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-02-2019
V-N Vandaag 2019/335
FutD 2019-0443
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/3675, 17/3676, 17/4920, 18/313, 18/314, 18/315, 18/316, 18/317 en 18/318

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 30 januari 2019

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser (burgerservicenummer [000] ) de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente/belastingrente opgelegd:

Jaar

Dagtekening

Belastbaar inkomen werk en woning

Belastbaar inkomen sparen en beleggen

Vergrijpboete

Heffingsrente/

Belastingrente

2004

31-12-2016

€ 53.797

€ 5.186

€ 698

2005

15-11-2017

€ 60.690

€ 6.414

€ 897

€ 779

2006

15-11-2017

€ 55.055

€ 7.029

€ 768

€ 639

2007

15-11-2017

€ 56.695

€ 6.251

€ 892

€ 662

2008

15-11-2017

€ 57.129

€ 6.922

€ 2.752

€ 586

2009

02-12-2017

€ 70.136

€ 6.859

€ 2.697

€ 492

2010

02-12-2017

€ 69.695

€ 7.207

€ 2.626

€ 413

2011

31-12-2016

€ 51.819

€ 6.972

€ 275

2012

29-07-2017

€ 47.757

€ 8.031

€ 2.713

€ 287

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 8 juni 2017 (2004 en 2011), van 29 december 2017 (2005 tot en met 2010) en van 4 september 2017 (2012) de bezwaren van eiser afgewezen.

Eiser heeft daartegen per faxberichten van 17 juli 2017 (2004 en 2011), van 10 januari 2018 (2005 tot en met 2010) en van 14 september 2017 (2012) telkens tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019. Eiser is verschenen met zijn echtgenote [Y] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [A] .

De beroepen met nummers AWB 17/3675, 17/3676, 17/4920, 18/313, 18/314, 18/315, 18/316, 18/317, 18/318, 17/3677, 17/3678, 17/4921, 18/320, 18/321, 18/322, 18/323, 18/324 en 18/326 zijn vrijwel gelijktijdig behandeld.

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser en zijn echtgenote hebben beschikt over vermogen op bankrekeningen van Dexia Bank en KBC te België. Dat vermogen hebben zij in het verleden niet in hun aangiften IB/PVV aangegeven.

2. Op 7 maart 2014 heeft de Belastingdienst de aangifte IB/PVV 2013 van eiser ontvangen. In die aangifte is een bedrag van € 310.341 opgenomen bij bank- en spaartegoeden in het buitenland, met landcode België. Ook in de aangiften IB/PVV 2014 (ontvangen op 13 maart 2015) en 2015 (ontvangen op 9 maart 2016) heeft eiser een bedrag aan buitenlands vermogen in box 3 vermeld.

3. Op 1 juni 2016 is aan eiser in het kader van het project ‘vermogen in het buitenland (stille inkeer)’ informatie gevraagd over de buitenlandse tegoeden en de herkomst van de gelden.

4. Bij brief van 17 juni 2016 heeft de gemachtigde gereageerd op het verzoek om informatie. In die brief wordt verwezen naar een brief van 27 februari 2012 waarin namens eiser de intentie tot vrijwillige verbetering kenbaar wordt gemaakt, en naar brieven van november en december 2011 waarin namens niet nader genoemde cliënten om vooroverleg is verzocht.

5. Nadien is informatie verstrekt en is (tevergeefs) gepoogd de zaak in de vorm van een vaststellingsovereenkomst af te doen. Vervolgens heeft verweerder de onderhavige navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente/belastingrente opgelegd.

Geschil

6. In geschil is:

- of met betrekking tot alle jaren sprake is van inkeer;

- of verweerder in 2004 tot en met 2010 voldoende voortvarend heeft gehandeld;

- of in 2005 t/m 2010 en 2012 terecht vergrijpboeten zijn opgelegd; en

- of in alle jaren de heffingsrente/belastingrente terecht in rekening is gebracht.

Beoordeling van het geschil

Inkeer

7. Eiser heeft gesteld dat mr. [B] , destijds advocaat bij [C] , op 25 november 2011, per reguliere post een brief aan de Belastingdienst/Rivierenland (kantoor Nijmegen, ter attentie van de boete-fraudecoördinator) heeft gezonden, waarin op anonieme basis melding is gedaan van de intentie tot vrijwillige verbetering. Omdat een reactie daarop uitbleef heeft mr. [B] op 28 december 2011 per reguliere post een brief gezonden aan de Belastingdienst met het verzoek alsnog te reageren op de brief van 25 november 2011. Omdat ook daarop een reactie uitbleef heeft mr. [B] op 27 februari 2012 per aangetekende post een brief gezonden aan de Belastingdienst, waarin zij eiser en zijn echtgenote met naam noemt. Tot de stukken van het geding behoren afschriften van deze drie brieven en van een verzendbewijs van een aangetekende brief.

8. In artikel 67n van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is geregeld dat van een vrijwillige verbetering (inkeer) sprake is indien een belastingplichtige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de juistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

9. De rechtbank gaat voorbij aan de brieven van 25 november en 28 december 2011 reeds omdat hierin geen enkele vermelding van (de gegevens van) eiser wordt gemaakt, zodat deze brieven niet als inkeermelding kunnen worden aangemerkt. De rechtbank zal zich daarom beperken tot de vraag of eiser met de brief van 27 februari 2012 is ingekeerd.

10. Verweerder heeft de verzending en ontvangst van de brieven gemotiveerd betwist met de volgende stellingen. Het door eiser overgelegde verzendbewijs van een aangetekende brief is ongedateerd. Het kenmerk volgens het verzendbewijs (2670 AF/DIR) wijkt af van het kenmerk van de brief zelf (2670/AF/AF), en track & trace informatie van PostNL, waaruit de verzending en/of ontvangst van met name de brief van 27 februari 2012 zou kunnen blijken, ontbreekt. Verweerder heeft bovendien gesteld dat in andere gevallen waarin door het kantoor van de gemachtigde inkeermeldingen zijn gedaan, telkens een ontvangstbevestiging door de Belastingdienst werd verzonden, hetgeen nu niet het geval is geweest. Ten slotte heeft verweerder gesteld dat de gemachtigde alle andere inkeermeldingen telkens heeft gericht aan het kantoor te Breda, dat is aangewezen voor inkeermeldingen, en dat onduidelijk is waarom de onderhavige brieven waren gericht aan het kantoor te Nijmegen.

11. Met betrekking tot de verzending en ontvangst overweegt de rechtbank dat het in beginsel aan eiser is om aannemelijk te maken dat de brief op het adres van verweerder is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de brief verweerder anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst of aanbieding op dat adres. Dit brengt mee dat eiser in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres (Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416). Met betrekking tot de ontvangst geldt verder dat indien een stuk aangetekend is verzonden (hetgeen in dit geval op zichzelf door verweerder wordt betwist) en de geadresseerde de ontvangst ervan ontkent, onderzocht dient te worden of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de geadresseerde is aangeboden (Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1774).

12. Om te kunnen spreken van inkeer dient de inkeermelding verweerder te hebben bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in het licht van de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de brief van 27 februari 2012, is verzonden aan en ontvangen door verweerder, zodat daarmee geen (begin van) inkeer heeft plaatsgevonden. De enkele overlegging van een verzendbewijs volstaat in dit geval niet om de daadwerkelijke correcte verzending van de brief van 27 februari 2012 aannemelijk te maken. Het verzendbewijs bevat immers geen datum en geen stempel van PostNL (destijds TNTpost) waaruit volgt dat het stuk daadwerkelijk ter verzending is aangeboden. Bovendien is geen track & trace informatie overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de brief daadwerkelijk correct is verzonden en (op regelmatige wijze) aan het adres van verweerder is aangeboden. Bij de beoordeling van de overige beroepsgronden neemt de rechtbank daarom tot uitgangspunt dat niet is ingekeerd.

Eis van voortvarend handelen (2004 t/m 2010)

13. De navorderingsaanslagen zijn, met uitzondering van die over het jaar 2011 en 2012, opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR. Eiser heeft gesteld dat zijn inkeer vanaf 25 november 2011, maar in elk geval vanaf 27 februari 2012, tot 1 juni 2016 heeft stilgelegen. Dit is ruimschoots langer dan zes maanden en volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is navordering op basis van de verlengde navorderingstermijn niet aan de orde. De navorderingsaanslagen IB/PVV dienen om die reden te worden vernietigd.

14. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel dat eiser niet is ingekeerd, is van stilzitten van de zijde van verweerder met ingang van november/december 2011 of februari 2012 geen sprake. Verweerder heeft in dat verband geloofwaardig en onweersproken verklaard, en daarmee naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt, dat hij voor het eerst bekend raakte met de buitenlandse banktegoeden van eiser, nadat hij daarover in juni 2016 vragen had gesteld in het kader van het project ‘vermogen in het buitenland (stille inkeer)’. Vanaf dat moment had verweerder de beschikking over aanwijzingen van buitenlandse tegoeden, als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120). De rechtbank verwerpt daarom de stelling van eiser dat verweerder vóór juni 2016 zonder reden heeft stilgezeten, laat staan langer dan zes maanden, en dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld (vergelijk Hoge Raad 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2602). Voor vernietiging van de navorderingsaanslagen bestaat daarom geen aanleiding.

Heffingsrente/belastingrente (alle jaren)

15. De heffingsrente en belastingrente dienen volgens eiser te worden verminderd voor zover het beloop ervan door vertraging is toe te rekenen aan de Belastingdienst. Dit betreft volgens eiser de periode van 25 november 2011 tot 1 juni 2016.

16. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de rentebeschikkingen in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zijn berekend en opgelegd.

17. Onder omstandigheden kunnen beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt (vergelijk Hoge Raad 28 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0764 en Hoge Raad 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524).

18. Hiervóór is al geoordeeld dat eiser niet is ingekeerd en dat aannemelijk is dat verweerder voor het eerst bekend raakte met de buitenlandse banktegoeden van eiser, nadat hij daarover in juni 2016 vragen had gesteld. De verschuldigdheid van de heffingsrente/belastingrente is in dit geval het gevolg van verstrekking van onvolledige gegevens in de aangiften van eiser, hetgeen voor rekening en risico van eiser komt. Ook overigens is geen sprake van een bijzondere situatie waarin verweerder op grond van geschreven of ongeschreven recht (gedeeltelijk) had moeten afzien van de berekening van rente.

19. Ook de beroepen inzake de rentebeschikkingen dienen ongegrond te worden verklaard.

Vergrijpboeten (2005 t/m 2010 en 2012)

20. Voor de jaren 2004 en 2011 heeft verweerder geen vergrijpboeten opgelegd, omdat de aanslagtermijn dreigde te verstrijken en een juiste aankondiging van de boeten daardoor niet meer mogelijk was. Voor de jaren 2005, 2006 en 2007 zijn vergrijpboeten opgelegd van 50% en voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2012 zijn vergrijpboeten opgelegd van 150%. Eiser heeft de boeten met een aantal standpunten bestreden.

21. Omdat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van inkeer, dan wel van een situatie die als zodanig moet worden behandeld, komt zij niet toe aan de beoordeling van de vraag of het toepassen van het nieuwe artikel 67n van de AWR in dit geval in strijd zou komen met het legaliteitsbeginsel. De rechtbank past dit artikel immers niet toe. Van schending van artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 15 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is geen sprake.

Ook het standpunt van eiser dat de boeten niet hoger kunnen zijn dan 30%, op basis van geldend beleid geregeld in paragraaf 7 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst en het besluit van 2 september 2013, BLKB2013/509M, stuit af op het oordeel dat eiser niet is ingekeerd.

22. De rechtbank verwerpt ook het standpunt van eiser dat hij er, op grond van het feit dat verweerder heeft afgezien van het opleggen van boeten voor de jaren 2004 en 2011, op mocht vertrouwen dat voor de overige jaren geen boeten zouden worden opgelegd. Voor het afzien van boeten voor de jaren 2004 en 2011 heeft verweerder een verklaring gegeven, namelijk dat de naderende aanslagtermijn in de weg stond aan een zorgvuldige aankondiging en oplegging van de boeten. Noch met die handelwijze, noch op enige andere wijze heeft verweerder een bewuste standpuntbepaling ingenomen voor de overige jaren op basis waarvan eiser mocht vertrouwen op het achterwege laten van boeten.

23. Ten aanzien van het beroep op willekeur overweegt de rechtbank dat het zorgvuldigheidsbeginsel eist dat, waar de wet dat toelaat, een afweging van alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen plaatsvindt. Het resultaat van die afweging moet van dien aard zijn dat het besluit niet willekeurig is (artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank een kenbare belangenafweging gemaakt om af te zien van boeten over 2004 en 2011 en voor de overige jaren wel tot boeteoplegging over te gaan. Van willekeur die zou moeten leiden tot vernietiging of matiging van boeten is daarom geen sprake.

24. Voor het oordeel dat de boeten moeten worden vernietigd omdat verweerder in een gesprek op 13 oktober 2017 met eiser en de gemachtigde de rechten van eiser op grove wijze heeft geschonden, zoals is gesteld, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. De rechtbank overweegt dat de beginselen van equality of arms en fair play in de weg staan aan de uitoefening van (controle)bevoegdheden door verweerder in de beroepsfase. Hoewel het gesprek van 13 oktober 2017 plaats had na het instellen van beroep voor 2004, 2011 (op 17 juli 2017) en 2012 (op 14 september 2017) is niet gebleken van uitoefening door verweerder van dergelijke bevoegdheden. Bovendien zag het gesprek op een poging van partijen om tot een oplossing in der minne te komen. De rechtbank heeft mede in aanmerking genomen dat in de e-mails tussen de gemachtigde en verweerder in aanloop naar het gesprek (bijlage 26 van het verweerschrift), en met name die van kort na het gesprek (bijlage 27 van het verweerschrift) in het geheel niet wordt gesproken over uitoefening van dergelijke bevoegdheden, laat staan ongeoorloofde uitoefening daarvan.

25. De rechtbank is van oordeel dat de boeten zijn opgelegd in overeenstemming met de wet- en regelgeving. Eiser heeft geen overige omstandigheden gesteld die moeten leiden tot matiging. De rechtbank acht de boeten passend en geboden.

26. Ten slotte dient, in dit geval ambtshalve, beoordeeld te worden of de boeten gematigd moeten worden wegens de overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het EVRM. In beginsel is daarvan sprake indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan (Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

27. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de e-mail van 16 december 2016, 17:05 uur, van mr. [D] aan mr. [E] (destijds gemachtigde van eiser en kantoorgenoot van mr. [B] ) de eerste handeling verricht waaraan eiser in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat een boete zou worden opgelegd. Sinds dat moment zijn ruim 24 maanden verstreken zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM met (afgerond) twee maanden is overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boeten met 5% te verminderen en vast te stellen op € 852 (2005), € 729 (2006), € 847 (2007), € 2.614 (2008), € 2.562 (2009), € 2.494 (2010) en € 2.577 (2012).

Vergoeding van immateriële schade

28. Eiser heeft in zijn pleitnota verzocht om vergoeding van immateriële schade. Niet in geschil is dat het oudste bezwaarschrift door verweerder is ontvangen op 31 januari 2017. Omdat de uitspraak van deze rechtbank is gedaan vóór 31 januari 2019 is de redelijke termijn niet overschreden en bestaat geen aanleiding voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.

Slotoverwegingen

29. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

30. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Omdat de rechtbank de vergrijpboeten vermindert vanwege de ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en/of een vergoeding van het griffierecht (Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar uitsluitend voor wat betreft de boetebeschikkingen;

- vermindert de boetebeschikkingen tot € 852 (2005), € 729 (2006), € 847 (2007), € 2.614 (2008), € 2.562 (2009), € 2.494 (2010) en € 2.577 (2012);

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. J.M. van der Vegt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 30 januari 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 7 februari 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.