Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4553

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
C/05/353948 / FA RK 19-1655
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Partijen hebben afgesproken dat de man 1 pond per jaar aan kinderalimentatie zal betalen. De man wil de vrouw nu aan deze afspraak houden. De inkomsten van partijen zijn drastisch gedaald. De rechtbank vindt dat de alimentatie opnieuw berekend moet worden. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de schuld aan de Belastingsdienst van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/353948 / FA RK 19-1655

Datum uitspraak: 10 oktober 2019

beschikking alimentatie

in de zaak van

[verzoekster] (nader te noemen: de vrouw),

wonend in [buitenland] ,

advocaat mr. C.W.M. Jansen in Rotterdam,

tegen

[verweerder] (nader te noemen: de man),

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. M.O. Wattilete in Arnhem.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 8, ingekomen op 22 mei 2019;

  • -

    het verweerschrift, met producties 1 en 2, ingekomen op 16 juli 2019;

  • -

    het F9-formulier van de zijde van de vrouw, met producties 9 tot en met 14, van
    2 september 2019;

  • -

    het F9-formulier van de zijde van de vrouw, met producties 15 tot en met 19, van
    18 september 2019;

  • -

    de brief van de zijde van de man met producties 3 tot en met 16, van 20 september 2019;

  • -

    het F9-formulier van de zijde van de man, met productie 17, van 23 september 2019,

  • -

    het F9-formulier van de zijde van de man, met productie 18, van 23 september 2019.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 25 september 2019. Daarbij waren aanwezig de beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3.

De minderjarige [kind 1] is op 23 september 2019 door de kinderrechter gehoord.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren de minderjarige kinderen:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [buitenland] ).

2.2.

Het huwelijk van partijen is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank [plaats] te [buitenland] van [datum] .

2.3.

Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst en een instemmingsbeschikking van 20 januari 2011 getekend waarbij zij zijn overeengekomen dat de man een bedrag van £ 1 per jaar betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, bij vooruitbetaling te voldoen, totdat de kinderen respectievelijk de leeftijd van zeventien jaar hebben bereikt of hun voltijds opleiding afsluiten, al naargelang welke gelegenheid zich het eerst voordoet, of een verdere beschikking.

2.4.

De man is daarna getrouwd met mevrouw [naam] . Voorafgaand aan het huwelijk van de man met mevrouw [naam] zijn geboren de minderjarige kinderen:

- [kind 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [kind 4] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [kind 5] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

2.5.

Deze rechtbank heeft bij beschikking van [datum] de echtscheiding tussen de man en mevrouw [naam] uitgesproken. Bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding aan de vrouw zal betalen
€ 250 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van de datum van het indienen van het verzoek een bedrag van € 1.345 per maand voor beide kinderen moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank juist en rechtvaardigt acht.

3.2.

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen, althans een zodanige bijdrage vast te stellen als de rechtbank meent dat juist is.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover voor de beoordeling van het verzoek van belang.

4 De beoordeling

Ten aanzien van de bevoegdheid

4.1.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een internationaal aspect, nu de kinderen en de vrouw in [buitenland] wonen. Aangezien zowel [buitenland] als Nederland zijn aangesloten bij de Alimentatieverordening nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008 (hierna: alimentatieverordening) is deze verordening van toepassing. De rechtbank is ingevolge artikel 3 van de Alimentatieverordening van oordeel dat de rechtbank Gelderland bevoegd is, aangezien de verweerder (in dit geval de man) zijn gewone verblijfplaats heeft in het arrondissement van deze rechtbank.

Ten aanzien van het toepasselijk recht

4.2.

Op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening is het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (hierna: Protocol) beslissend bij de bepaling op grond van welk recht geoordeeld moet te worden. Ingevolge artikel 3 van dit Protocol geldt dat tenzij dit Protocol anders bepaalt, de onderhoudsverplichtingen beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. In afwijking van artikel 3 van het Protocol is de lex fori van toepassing indien de onderhoudsgerechtigde de zaak aanhangig heeft gemaakt bij de bevoegde autoriteit van de Staat waar de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats heeft. Echter, indien de onderhoudsgerechtigde niet op grond van dit recht onderhoud kan verkrijgen, is alsnog het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing.

4.3.

Nu de vrouw de zaak aanhangig heeft gemaakt bij deze rechtbank en de man in dit arrondissement woont, is de rechtbank van oordeel dat het Nederlands recht toegepast moet worden. De rechtbank heeft partijen het voorgaande ter zitting voorgehouden. Partijen hebben hiermee ingestemd en hebben hun stellingen tevens erop ingericht dat Nederlands recht van toepassing is. Gelet hierop zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen.

De ontvankelijkheid

4.4.

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.5.

De vrouw is van mening dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat haar inkomen drastisch is gedaald. De vrouw kreeg eerder een uitkering van het [fonds] , maar deze is op 25 mei 2017 gestopt. De vrouw kan daardoor niet meer voorzien in de behoefte van de kinderen, waardoor de kinderen tekort komen. De vrouw heeft op dit moment geen werk. Nog los van de wijziging van omstandigheden is de overeenkomst die partijen in [buitenland] hebben gemaakt op het punt van de kinderalimentatie niet geldig, aangezien naar Nederlands recht niet kan worden afgezien van kinderalimentatie.

4.6.

De man stelt dat partijen het bedrag aan kinderalimentatie zijn overeengekomen ter finale vereffening van al de eventuele vermogensgerelateerde vorderingen van de vrouw jegens de man. De vrouw heeft aldus afstand gedaan van al haar mogelijk toekomstige vermogensrechtelijke vorderingen jegens de man. Doordat de rechtbank van [plaats in buitenland] instemming heeft verleend, staat de rechtmatigheid en onherroepelijkheid van de vaststellingsovereenkomst in rechte vast. In de vaststellingsovereenkomst is de vrouw in zeer ruime mate financieel gecompenseerd. Met dit bedrag had de vrouw tot aan de meerderjarigheid van de kinderen kunnen voorzien in hun behoefte. Daarom is het symbolische bedrag van £ 1 per jaar afgesproken. Daar komt bij dat de vrouw de achteruitgang in haar inkomen vanaf het sluiten van de vaststellingsovereenkomst had kunnen voorzien. De einddatum van de uitkering van het [fonds] stond immers bij voorbaat al vast. De vrouw dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek.

4.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben in de vaststellingovereenkomst afgesproken dat de man aan de vrouw een symbolisch bedrag van £ 1 per jaar betaalt aan kinderalimentatie. De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat niet van de overeenkomst kan worden afgeweken, omdat de vrouw afstand heeft gedaan van haar vermogensgerelateerde vorderingen jegens de man. Kennelijk leest de man in de overeenkomst een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot de kinderalimentatie. Mede in het licht van de conclusie van de AG van 1 augustus 2019 (ECLI:NL:PHR:2019:797) is een dergelijk niet-wijzigingsbeding nietig en kan de rechtbank de overeenkomst waarin (deels) is afgezien van kinderalimentatie nadien wijzigen indien er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Als deze drempel is gehaald, beoordeelt de rechter de kinderalimentatie (wederom) zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak sprake is van een wijziging van omstandigheden. De reden daarvoor is dat zowel het inkomen van de man als dat van de vrouw aanzienlijk is veranderd. Immers, bij beide partijen is de uitkering uit het [fonds] weggevallen, waardoor hun draagkracht is gewijzigd. De stelling van de man dat partijen ten tijde van de overeenkomst deze wijziging hadden kunnen voorzien doet hieraan niet af. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW is immers niet van belang of die omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst bekend dan wel voorzienbaar zijn geweest, maar of daarmee destijds zodanig rekening is gehouden dat zij geacht moeten worden aan de vaststelling van de alimentatie ten grondslag te hebben gelegen (zie HR 12 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2429 en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3554). Dat laatste is niet gesteld en ook niet gebleken. Gelet op het voorgaande is de vrouw dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

De inhoudelijke beoordeling

4.9.

Voor de beoordeling van de behoefte en de draagkracht wordt het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep alimentatienormen tot uitgangspunt genomen. De bedragen zullen worden afgerond op hele getallen.

De behoefte

4.10.

De vrouw stelt dat partijen in ieder geval het maximale gezinsinkomen uit de behoeftetabel hadden ten tijde van het feitelijk uiteengaan, dan wel ten tijde van de formele echtscheiding.

4.11.

De man stelt dat de behoefte van de kinderen berekend dient te worden aan de hand van het gezinsinkomen ten tijde van de ontbinding van het huwelijk van partijen. De man had op dat moment geen contract bij een profclub en zat een jaar lang zonder inkomsten.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat partijen zowel ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen, als ten tijde van de formele echtscheiding een hoog inkomen hadden. Ook toen de man in 2011 geen contract had, hadden partijen het maximale inkomen uit de behoeftetabel van 2011 van € 5.000 netto per maand, nu de vrouw sinds 2011 een bruto uitkering kreeg van het [fonds] van € 9.213 bruto per maand. De stelling van de man dat hij destijds geen inkomen had, maakt dan ook niet dat de behoefte van de kinderen in 2011 lager was dan toen partijen feitelijk uit elkaar gingen. De rechtbank is van daarom van oordeel dat, hoewel onduidelijk is hoeveel het gezinsinkomen van partijen exact was, de behoefte van de kinderen vastgesteld dient te worden aan de hand het maximum inkomen in de behoeftetabel in 2011. Dit komt neer op een behoefte van € 1.185 per maand voor beide kinderen in 2011. Na wettelijke indexering komt dit neer op een behoefte van afgerond € 1.330 per maand voor beide kinderen, € 665 per kind per maand. De rechtbank zal hier dan ook van uitgaan.

De draagkracht van partijen

4.13.

Partijen dienen naar rato van hun draagkracht in de kosten van de kinderen bij te dragen. De draagkracht wordt volgens het Rapport Alimentatienormen berekend aan de hand van een tabel van 2019 waaraan de volgende formule ten grondslag ligt: 70% x [NBI-(0,3 x NBI + 950)]. Bij een NBI (netto besteedbaar inkomen) lager dan € 1.625 per maand, gelden vaste tabelbedragen. Voor zover het inkomen lager is dan € 1.375 wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25 per maand voor één kind en € 50 per maand voor twee of meer kinderen.

De draagkracht van de man

4.14.

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft, omdat hij weinig inkomen heeft en daarnaast een hoge schuld heeft bij de Belastingdienst van € 1.303.587. Dit betreft een schuld bij de Belastingdienst in [buitenland] . Deze schuld is ontstaan gedurende het huwelijk met de vrouw en is nog onverdeeld, aldus de man. De Belastingdienst in Nederland heeft recent, in juni 2019, inhouding gevorderd bij de werkgever van de man. De inkomsten vanuit RTL en de uitkering uit het [fonds] zijn weggevallen. Het programma dat de man heeft op YouTube levert slechts € 200 à € 300 bruto per maand op. Doordat de man nu geen inkomsten heeft, kan hij ook geen uitvoering geven aan de vastgestelde alimentatieverplichting ten opzichte van mevrouw [naam] voor zijn andere drie kinderen. Alle inkomsten die de man nu wel krijgt, zijn in de B.V. van de man verantwoord. Volgens de boekhouder is het de afgelopen jaren niet mogelijk geweest om het verplichte DGA-salaris aan de man uit de keren. Daar komt bij dat er geen vermogen meer zit in de B.V. van de man en de man in rekening-courant al maximaal heeft geleend. De man werkte dan ook via een eenmanszaak.

4.15.

De vrouw is van mening dat de man wel degelijk draagkracht heeft om te kunnen voldoen aan zijn onderhoudsverplichting. De man krijgt € 2.000 voor lezingen en ook heeft hij een eigen programma op YouTube. De man heeft zijn stelling dat hij geen inkomen heeft niet onderbouwd, aldus de vrouw. De belastingschuld komt voor zijn rekening, aangezien hij geen belasting heeft voldaan in het verleden. Daar komt nog bij dat de man een betalingsregeling met de Belastingdienst kan treffen, indien zij beslag gaan leggen op zijn loon. De Belastingdienst zou dan een bedrag van € 139 per kind kunnen opnemen in de beslagvrije voet. Nu de man niet heeft onderbouwd dat hij geen inkomen heeft, dient uit te worden gegaan van het wettelijk verplicht DGA inkomen van € 4.500 per maand. De man heeft dus hoe dan ook draagkracht om een bedrag per kind te betalen.

4.16.

De rechtbank stelt vast dat de man eigenaar is van [naam verweerder] B.V. In 2017 is het jaar afgesloten met een verlies van € 14.212. De man heeft aan de B.V. daarnaast nog een schuld, omdat hij in 2018 naast zijn salaris geld in rekening-courant heeft opgenomen. De voorlopige winst in 2018 van de B.V. was € 40.423, dus de rechtbank neemt aan dat er weer ruimte bestaat om de man het gebruikelijk loon uit te keren van € 45.000 bruto per jaar. Dit volgt ook uit de uitlatingen van de boekhouder van de man. De rechtbank zal voor het berekenen van het netto besteedbare inkomen dan ook uitgaan van dit inkomen.

4.17.

Hierbij wordt rekening gehouden met de inkomensheffing en de aanspraak van de man op de (algemene heffingskorting en arbeidskorting), met toepassing van de fiscale tarieven 2019-2. Op grond van het voorgaande bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 2.462 per maand. Gelet daarop heeft de man een draagkracht voor het betalen van kinderalimentatie van afgerond € 541 per maand in 2019 (70% [€ 2.462 – (0,3 x € 2.462 + € 950)].

4.18.

De man stelt dat hij ondanks dit inkomen geen draagkracht heeft voor kinderalimentatie, omdat hij een schuld heeft bij de Belastingdienst van € 1.303.587, waarvoor beslag zal worden gelegd op zijn loon.

4.19.

De rechtbank overweegt daarover als volgt. Vast staat dat de man een hoge schuld heeft bij de Belastingdienst. Echter, onduidelijk is of op dit moment afgelost wordt op deze schuld en of dat op korte termijn moet worden verwacht. Uit de brief van de boekhouder van de man blijkt dat de man weer via zijn B.V. werkt, waar hij dit eerst via een eenmanszaak deed, om verhaal door de Belastingdienst te voorkomen. Bovendien is het zo dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de man bij de Belastingdienst succesvol zou kunnen bepleiten om bij het bepalen van de beslagvrije voet rekening te houden met een kinderalimentatieverplichting van € 139 per kind per maand. Gelet op de draagkracht van de man en het aantal kinderen dat hij moet onderhouden, komt de man niet boven dit bedrag. Het ligt op de weg van de man om alles in het werk te stellen om tenminste te proberen een dergelijke regeling met de Belastingdienst te treffen. Uit de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat er nog geen beslagvrije voet is vastgesteld, zodat daarvoor ook nog ruimte is. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met deze belastingschuld. Als de man kan aantonen dat, ondanks inspanningen van hem daartoe, bij het bepalen van de beslagvrije voet met een lager dan het hierna op te leggen bedrag aan kinderalimentatie rekening is gehouden, moeten partijen opnieuw overleggen over het bedrag aan kinderalimentatie dat de man kan betalen.

4.20.

De draagkracht van de man zal de rechtbank verdelen over alle vijf in deze procedure genoemde kinderen van de man. Voor de kinderen van de man en mevrouw [naam] heeft de man een alimentatieverplichting van € 250 per kind per maand. De man voldoet deze bedragen op dit moment echter niet. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de man een wijziging van deze alimentatieverplichting zal verzoeken, nu zijn financiële situatie is veranderd. De rechtbank zal geen onderscheid maken tussen de kinderen, ook omdat niets is gesteld over verschil in hun behoefte. Dit komt uit op een draagkracht van de man van € 108 per kind per maand.

Draagkracht van de vrouw

4.21.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank volgt de man in zijn stelling dat de vrouw weinig inzicht heeft gegeven in haar huidige financiële situatie. Naar het oordeel van de rechtbank kan bespreking van de draagkracht van de vrouw echter achterwege blijven. De reden hiervoor is dat in dit geval duidelijk is dat, gelet op de hoge behoefte van de kinderen, de man zijn gehele draagkracht dient aan te wenden om bij te dragen in de kosten van de kinderen. Immers, uit de stukken en stellingen van partijen is niet gebleken dat de vrouw een dermate hoog inkomen heeft dat zij zelfstandig de gehele behoefte van de kinderen van € 1.330 per maand, dan wel een zeer groot deel hiervan, kan voldoen waardoor de man minder dan zijn volledige, maar zoals hiervoor uiteengezet beperkte, draagkracht zou moeten bijdragen.

Zorgkorting

4.22.

Partijen zijn het erover eens dat de man geen aanspraak kan maken op een zorgkorting, nu er geen (structureel) contact en omgang is tussen de kinderen en de man.

De ingangsdatum

4.23.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage dan wel wijziging van een geldende bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik te maken. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het redelijk om 22 mei 2019 als ingangsdatum te hanteren, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift. De rechtbank is van oordeel dat de man vanaf dat moment rekening had kunnen en moeten houden met een eventuele wijziging van de alimentatie.

Conclusie

4.24.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank vastleggen dat de man met ingang van
22 mei 2019 als bijdrage van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 108 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De proceskosten

4.25.

Nu deze procedure voortvloeit uit de verbroken relatie van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

Ten slotte

4.26.

De rechtbank voegt ter informatie de in het kader van deze procedure gemaakte draagkrachtberekening als bijlage toe aan deze beschikking.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijzigt de vaststellingsovereenkomst d.d. 20 januari 2011 (gehecht aan de beschikking van de rechtbank [plaats] te [buitenland] van [datum] ) in die zin, dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [buitenland] ).

met ingang van 22 mei 2019 nader wordt vastgesteld op € 108 per kind per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, rechter, in tegenwoordigheid van E.M. Beumer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2019.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.