Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4511

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
C/05/349592 / FZ RK19-456
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie: ambtshalve toepassing 90%-toets bij verwijtbaar inkomensverlies.

Vrouw verzoekt om kinderalimentatie, man voert aan dat hij minimale draagkracht heeft vanwege uitkering (Wajong). De rechtbank oordeelt dat sprake is van niet voor herstel vatbaar, verwijtbaar inkomensverlies. Na hantering van een fictief inkomen, past de rechtbank ambtshalve de 90%-toets toe bij de vaststelling van de door de man te betalen kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/349592 / FZ RK19-456

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 17 juli 2019

in de zaak van:

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, nader te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.E. van Nisselrooij te Zutphen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, nader te noemen: de man,

advocaat mr. P.T. Pel te Hattem.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  1. het verzoekschrift met producties 1 tot en met 3, ingekomen op 15 februari 2019;

  2. het verweerschrift met producties 1 tot en met 3, ingekomen op 15 april 2019;

  3. het journaalbericht met bijlagen van mr. Pel van 28 mei 2019;

  4. het journaalbericht met bijlagen, producties 4 tot en met 6, van mr. Van Nisselrooij van 3 juni 2019.

1.2.

Gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 14 juni zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit hun relatie is geboren:

- [de dochter], geboren op 7 mei 2016 te [woonplaats] .

2.2.

Uit de aantekening van de griffier in het gezagsregister van 17 mei 2016 blijkt dat de vrouw en de man gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [de dochter] .

2.3.

[de dochter] woont bij de vrouw.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] met € 300,- per maand bij vooruitbetaling per maand aan de vrouw te voldoen, met ingang van datum indiening verzoekschrift, te vermeerderen met de bedragen die de vader aan kinderbijslag en kindgebonden budget ontvangt zolang deze nog niet op naam van de vrouw zijn gesteld, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht;

  2. te bepalen dat aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om de kinderbijslag en het kindgebonden budget op haar naam te stellen.

3.2.

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken tot vaststelling van kinderalimentatie en tot verlening van vervangende toestemming, althans deze verzoeken af te wijzen, kosten rechtens.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

kinderalimentatie

ontvankelijkheid

4.1.

Op grond van artikel 1:392 lid 1 in verbinding met artikel 1:404 lid 1 en artikel 1:406 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is de man als ouder onderhoudsplichtig ten opzichte van [de dochter] en verplicht – naar draagkracht – bij te dragen in haar kosten van verzorging en opvoeding. Om die reden kan de vrouw in haar verzoek worden ontvangen.

ingangsdatum

4.2.

Nu de man geen verweer voert tegen het verzoek van de vrouw om een eventuele alimentatieverplichting aan de zijde van de man in te laten gaan per 15 februari 2019, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, zal de rechtbank als zodanig beslissen.

behoefte van [de dochter]

4.3.

De vrouw en de man zijn het niet eens over de behoefte van [de dochter] en verzoeken de rechtbank deze vast te stellen.

4.4.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat zij in oktober 2018 hun relatie hebben beëindigd, zal de rechtbank bij de vaststelling van de behoefte van [de dochter] uitgaan van de inkomensgegeven van partijen over 2018.

4.5.

Voor de bepaling van de behoefte van een minderjarige aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de aanbevelingen van de Expertgroep alimentatienormen, zoals vervat in het Rapport Alimentatienormen. Uitgangspunten daarbij zijn de leeftijd van de minderjarige en het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen.

NBI van de man

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man ten tijde van het uiteengaan van partijen, uitgaande van vier verschillende jaaropgaven, een jaarsalaris genoot van bruto

€ 22.675,- , aan te vullen met een WW-uitkering van bruto € 2.849,- in 2018. In totaal bedraagt zijn bruto jaarinkomen € 25.524,-. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensheffing, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 1.769,- per maand.

NBI van de vrouw

4.7.

De vrouw was in 2018 werkzaam voor Timing Flex B.V. Het laatste kwartaal raakte zij haar baan kwijt en ontving zij een WW-uitkering. Op basis van haar jaaropgaven over 2018, komt de rechtbank tot een bruto jaarinkomen van € 10.384,-. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de inkomensheffing, met toepassing van de fiscale tarieven 2018, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 858,- per maand.

4.8.

Het gezamenlijk netto gezinsinkomen bedroeg ten tijde van de samenleving aldus € 2.627,- per maand. De rechtbank zal dit inkomen niet vermeerderen met een kindgebonden budget, nu de man onweersproken heeft gesteld dat partijen dit gedurende hun relatie niet ontvingen.

4.9.

Op basis van de tabel ‘Eigen aandeel ouders kosten kind’ en voormeld netto gezinsinkomen, berekent de rechtbank de behoefte van [de dochter] aan een bijdrage van haar ouders op € 387,- per maand. Na indexering bedraagt deze behoefte per 1 januari 2019

€ 395,- per maand

draagkracht

4.10.

In beginsel dienen de man en de vrouw naar rato van ieders draagkracht in deze behoefte te voorzien. De rechtbank zal daarom hierna - voor zover daar aanleiding voor bestaat - een vergelijking van ieders (beschikbare) draagkracht maken en de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen op het punt van de draagkracht volgen en de draagkracht vaststellen aan de hand van de zo geheten “draagkrachttabel”.

4.11.

Voor zover het netto besteedbare inkomen (hierna NBI) groter of gelijk is aan een bedrag van € 1.625,-- netto per maand zal de draagkracht worden bepaald aan de hand van de formule 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 950 of toepasselijke forfaitaire bijstandsnorm + eventuele correctie)]. Bij een NBI kleiner dan € 1.625,-- netto per maand, maar groter dan € 1.375,-- netto per maand, gelden vaste tabelbedragen. Voor zover het NBI kleiner is dan een bedrag van € 1.375,-- netto per maand wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25,-- per maand voor één kind en € 50,-- per maand voor twee of meer kinderen.

draagkracht van de vrouw

4.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw, als gevolg van haar ziekte, op dit moment niet kan deelnemen aan de arbeidsmarkt om haar financiële positie te verbeteren. Uitgaande van haar huidige WW-uitkering staat tussen partijen vast dat zij thans een minimale draagkracht heeft van € 25,- per maand.

draagkracht van de man

4.13.

De man stelt zich op het standpunt dat ook hij een minimale draagkracht heeft, gelet op zijn Wajong-uitkering van € 1.131,- netto per maand, exclusief vakantietoeslag. De vrouw voert daartegen verweer. Zij is van mening dat sprake is van vermijdbaar en verwijtbaar inkomensverlies, waardoor bij de berekening van zijn draagkracht uitgegaan dient te worden van zijn inkomen zoals hij dat in 2018 ontving.

4.14.

De rechtbank dient in de eerste plaats te beoordelen of het inkomensverlies dat de man heeft geleden als gevolg van zijn ontslag bij KPN en het terugkeren in de Wajongregeling voor herstel vatbaar is.

4.15.

Vast is komen te staan dat de man verschillende dienstbetrekkingen heeft gehad in 2018, waarvan de laatste bij KPN. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat de man ten gevolge van verduistering is ontslagen bij KPN. Volgens haar zag dat op zeer hoge bedragen. Nu de man ter zitting heeft erkend en uitgesproken, zonder daarbij in detail te treden, dat hij foute dingen heeft gedaan, acht de rechtbank het aannemelijk dat zijn inkomen in ieder geval niet bij KPN, maar hoogstwaarschijnlijk ook elders niet voor herstel vatbaar is. Het is niet eenvoudig om vanuit een Wajonguitkering weer tot de arbeidsmarkt te worden toegelaten, laat staan vanuit de huidige situatie van de man, waarin volgens zijn eigen zeggen een strafdossier in opbouw is. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van niet voor herstel vatbaar inkomensverlies.

4.16.

Nu voor de rechtbank vast staat dat het inkomensverlies voor de man niet voor herstel vatbaar is, moet vervolgens beoordeeld worden of het inkomensverlies verwijtbaar is, oftewel of de man zich ten behoeve van de onderhoudsgerechtigden had moeten onthouden van gedragingen die hebben geleid tot zijn ontslag.

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat het – op zichzelf niet in geschil zijnde – feitelijke inkomensverlies aan zijn zijde niet verwijtbaar is. De man geeft toe dat dingen niet gelopen zijn zoals ze hadden moeten lopen maar heeft niet toegelicht wat de omstandigheden waren waarom hij ontslagen is. Wel heeft hij aangegeven dat hij door KPN onvoldoende begeleid is toen hij vanuit een Wajonguitkeringssituatie terugkeerde op de arbeidsmarkt. Volgens hem is sprake van een niet geslaagde re-integratie op de arbeidsmarkt, waardoor de Wajongsituatie weer herleefde, en het inkomensverlies hem dus niet verweten kan worden. De rechtbank overweegt dat, hoewel de man geen inzage biedt in wat er precies is voorgevallen, hij ter zitting wel heeft erkend en uitgesproken dat hij foute dingen heeft gedaan, dat hij schade heeft veroorzaakt en dat hij twee weken in voorarrest heeft gezeten. Gelet hierop en de (wellicht overbodige) constatering dat de door de man aangevoerde slechte begeleiding niet automatisch leidt tot slecht gedrag, is de rechtbank van oordeel dat het inkomensverlies het gevolg is geweest van gedragskeuzes die de man zelf heeft gemaakt. Daarbij heeft de man zich onvoldoende rekenschap gegeven van de gevolgen, niet alleen voor hemzelf maar ook voor de gerechtvaardigde belangen van zijn dochtertje voor wie hij onderhoudsplichtig is.

4.18.

De rechtbank is van oordeel dat de handelwijze van de man hem kan worden verweten, dat het daardoor ontstane inkomensverlies aan hem kan worden toegerekend en dat de gevolgen daarvan voor zijn rekening dienen te komen. Voor de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank dan ook uitgaan van een fictief inkomen gelijk aan wat de man in 2018 verdiende, te weten € 1.769,- netto per maand.

4.19.

Het rekenen met een fictief inkomen mag voor de bepaling van de draagkracht van de man niet tot het resultaat leiden dat hij als gevolg van de berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsverplichting feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Bovendien mag het er in geen geval toe leiden dat zijn inkomen na voldoening van de lasten die niet zijn verdisconteerd in het draagkrachtloos inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm (zie o.a. ECLI:NL:HR:1998:ZC2556). Indien dit resultaat dreigt, dient de rechtbank de feitelijke draagkracht van de man te onderzoeken. De rechtbank zal dan ook na berekening van de door de man te betalen bijdrage op basis van zijn fictieve inkomen beoordelen of hiervan sprake is.

4.20.

Uitgaande van het hiervoor berekende netto besteedbaar inkomen van € 1.769,- per maand en de van toepassing zijnde draagkrachtformule, berekent de rechtbank de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] op 70% [1.769 – (1.769 X 0,3 + 950)] = afgerond € 202,- per maand.

geen draagkrachtvergelijking

4.21.

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen van € 227,- (€ 25,- + € 202,-) onvoldoende is om in de behoefte van [de dochter] van € 395,- per maand te voorzien komt de rechtbank niet toe aan een draagkrachtvergelijking en zal zij het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] gelijkstellen aan zijn berekende (beschikbare) draagkracht van € 202,- per maand.

90% toets

4.22.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man de eerste maanden van het jaar een WW-uitkering ontving van netto € 1.233,- per maand en met ingang van 1 mei 2019 een Wajonguitkering ter hoogte van netto € 985,- per maand. Rekening houdend met de vakantietoeslag van 8% betekent dit feitelijk € 1.332,- en € 1.064,- netto per maand. Dat betekent dat de rechtbank de 90%-toets zal uitvoeren voor twee perioden:

  1. periode I: van 15 februari 2019 tot 1 mei 2019;

  2. periode II; vanaf 1 mei 2019.

4.23.

De man heeft geen bewijsstukken in het geding gebracht die zien op zijn (vaste) uitgaven en lasten. Na aftrek van de hiervoor, op basis van zijn fictieve inkomen, becijferde kinderalimentatie, berekent de rechtbank het inkomen dat de man dan nog resteert op € 1.120,- (1.322 – 202) per maand in periode I en € 862,- (1.064 – 202) per maand in periode II.

4.24.

De bijstandsnorm voor een alleenstaande bedraagt in 2019 gemiddeld € 1.028,- (1.025,55 + 1.030,42). 90% hiervan bedraagt afgerond € 926,-. Dat betekent dat de man in periode I na betaling van € 202,- als bijdrage in de kosten van [de dochter] , voldoende inkomen resteert om in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Vanaf het moment dat de man weer een Wajong-uitkering ontvangt, periode II, komt hij een bedrag van € 64,- (926 – 862) tekort om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud. De rechtbank zal het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2019 dan ook verlagen met € 64,- per maand, zodat zijn bijdrage in periode II dan uitkomt op € 138,- per maand.

de door de man te betalen bijdrage

4.25.

De man maakt geen aanspraak op toepassing van een zorgkorting op de door hem eventueel verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank laat deze dan ook buiten beschouwing.

4.26.

Op basis van het hetgeen hiervoor is overwogen, dient de man met ingang van 15 februari 2019 tot 1 mei 2019 € 202,- per maand aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] . Per 1 mei 2019 bedraagt zijn bijdrage € 138,- per maand.

4.27.

Deze bijdragen acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, en zal zij om die reden ten laste van de man bepalen zoals hierna vermeld.

aanhechten draagkrachtberekeningen

4.28.

De rechtbank voegt ter informatie de in het kader van deze procedure gemaakte (draagkracht)berekening(en) als bijlage(n) toe aan deze beschikking.

vervangende toestemming wijzigen tenaamstelling KGB en kinderbijslag

4.29.

Nu de vrouw haar verzoek om haar vervangende toestemming te verlenen om de kinderbijslag en het kindgebonden budget op haar naam te stellen ter zitting heeft ingetrokken, stelt de rechtbank vast dat op dit verzoek net meer hoeft te worden beslist.

proceskosten

4.30.

Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

a. bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [de dochter], geboren op 7 mei 2016 te [woonplaats] ,

een bedrag aan de vrouw dient te voldoen van:

  • -

    € 202,- (zegge: tweehonderdtwee euro) per maand, met ingang van 15 februari 2019 tot 1 mei 2019;

  • -

    € 138,- (zegge: honderdacht euro) per maand, met ingang van 1 mei 2019, de verschenen termijn waarvan vanaf heden telkens bij vooruitbetaling dienen te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit geding aldus, dat zowel de man als de vrouw met de eigen kosten belast blijft;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.K.J. Steketee, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Hoijinck als griffier en in het openbaar uitgesproken op

17 juli 2019.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

BIJLAGE(N):