Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4472

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
05/881555-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een man van 33 uit Deventer en een man van 22 zonder vaste woon- of verblijfplaats tot gevangenisstraffen van zes jaar. De rechtbank vindt bewezen dat zij op 8 juli 2018 in Zutphen een echtpaar van 68 en 70 jaar oud in hun woning hebben overvallen. Daarbij is geschoten op de man, die gewond is geraakt in zijn onderrug. Beide mannen moeten ook een schadevergoeding betalen aan de slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/881555-18

Datum uitspraak : 7 oktober 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting in Alphen aan de Rijn.

Raadsman: mr. S.J. Nijhof, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
23 september 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 08 juli 2018 te Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal met geweld (in vereniging) of een poging tot afpersing (in vereniging) van een hoeveelheid geld (geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ),

welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 juli 2018 te Zutphen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning (gelegen aan de [adres] ), ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] te dwiklngen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (te weten de echtgenote van die [slachtoffer 1] ), in ieder geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed weg te nemen, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (te weten de echtgenote van die [slachtoffer 1] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)),

welke poging tot diefstal werd voorafgaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren, immers is/heeft, zijn/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

-geheel in het zwart gekleed en/of met (een) bivakmuts(en) en/of een (zwart) petje op, althans met bedekt gelaat, de woning van die [slachtoffer 1] binnengedrongen en/of binnengelopen en/of

-die [slachtoffer 1] met een (hard) voorwerp tegen het gezicht/hoofd en/of elders op het lichaam geslagen en/of met die [slachtoffer 1] in een worsteling geraakt en/of

-die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het (boven)lichaam geschopt/getrapt en/of

-meermalen, althans eenmaal, (op dreigende/intimiderende toon) geroepen/ geschreeuwd(zakelijk weergegeven): "Geld, geld" en/of "Dit is een overval" en/of

-een vuurwapen(met geluidsdemper)op die [slachtoffer 1] gericht en/of aan die [slachtoffer 1] getoond en/of

-met voornoemd vuurwapen (een of meermalen) op het (onder) lichaam van die

[slachtoffer 1] geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 8 juli 2018 zijn twee personen de woonwagen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in Zutphen binnengedrongen. [slachtoffer 1] is met een vuurwapen beschoten en in zijn onderrug geraakt.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit omdat er te veel twijfel bestaat over het daderschap van verdachte. Daarnaast kan niet worden geconcludeerd dat het gebruik van het vuurwapen onderdeel was van het plan en voor alle deelnemers duidelijk was.

Beoordeling door de rechtbank

Poging tot diefstal of poging tot afpersing

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat de twee daders bivakmutsen droegen.3 De eerste dader die de woonwagen in kwam heeft [slachtoffer 1] een aantal klappen gegeven met een sok of tas met iets hards erin.4 Er werd geroepen: “Geld, waar is het geld”5 en iets van: “Geld, geld, dit is een overval”6, maar er is geen geld meegenomen.7

De rechtbank kwalificeert het bovenstaande als een poging tot afpersing.

Poging tot doodslag

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij in de gang van de woonwagen is beschoten door een persoon die bij de ingang van de wagen stond.8 De rechtbank leidt hieruit af dat [slachtoffer 1] zich op korte afstand van de schutter bevond.

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft onderzoek gedaan naar het letsel van [slachtoffer 1] . Er was sprake van één doorschotverwonding, met een perforatie aan de rechter bil en een grotere huidperforatie aan de rug (juist rechts van de wervelkolom). De rapporteur heeft geconcludeerd dat de schotverwonding inwendige schade heeft veroorzaakt, maar dat de kans op een direct intredende ernstige of dodelijke complicaties klein was. Er hadden echter ernstige of dodelijke letsels kunnen worden veroorzaakt indien nabijgelegen inwendige organen waren betrokken, zoals bloedvaten en buikorganen.9 De rechtbank overweegt dat de kans dat [slachtoffer 1] zou zijn overleden dus reëel en niet onwaarschijnlijk was.

Door van korte afstand op het onderlichaam van [slachtoffer 1] te schieten, heeft de schutter naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden als gevolg van ernstige verwondingen.

Medeplegen en opzet van de daders

Twee daders zijn de woonwagen binnen gegaan, in het zwart gekleed en met bivakmutsen op. Verder hadden ze een tas bij zich, naar de rechtbank aanneemt voor de verwachte buit, en had een van de daders een wapen bij zich. Een derde dader bleef in de vluchtauto en toeterde op een gegeven moment, waarna de twee anderen naar buiten kwamen.10 Een en ander heeft de uiterlijke verschijningsvorm van een in bewuste en nauwe samenwerking uitgevoerde overval, die vooraf is gepland. Het meenemen van een wapen, in dit geval met een demper11, bij een woningoverval impliceert naar het oordeel van de rechtbank ook het eventuele gebruik van dat wapen. Elk van de daders moet daarvan weet hebben gehad, zodat van meet af aan bij ieder sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op vuurwapengebruik en dus op levensberoving. Het gebruik van het vuurwapen zoals dat heeft plaatsgevonden kan dan ook aan beide daders worden toegerekend.

De betrokkenheid van verdachte

- De aanwezigheid van DNA

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij een fles bier van de tafel heeft gepakt en daar de eerste dader twee of drie keer mee heeft geslagen.12

Tijdens het sporenonderzoek is een bierfles in beslag genomen13, die door het NFI is onderzocht. In het rapport van 4 oktober 2018 is beschreven dat op de rand aan de onderkant van deze fles een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen is aangetroffen en dat dat DNA afkomstig kan zijn van [slachtoffer 1] en verdachte. Het NFI heeft geconcludeerd dat dit mengprofiel meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer 1] en verdachte dan wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer 1] en één

willekeurige onbekende persoon.14

In de woonwagen is ook een grijs/witte tas van IKEA aangetroffen.15 [slachtoffer 1] heeft verklaard die tas niet eerder bij hen binnen te hebben gezien.16 Ook [slachtoffer 2] herkent de tas niet17 en deze is ook niet van de kleinkinderen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .18

Het NFI heeft ook de tas onderzocht en op de hengsels is een DNA-mengprofiel van minimaal vier personen aangetroffen. Het DNA kan afkomstig zijn van [slachtoffer 1] , verdachte en minimaal twee andere personen. De rapporteur heeft geconcludeerd dat dit DNA-mengprofiel meer dan een miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer 1] , verdachte en twee willekeurige onbekende personen dan wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer 1] en drie willekeurige onbekende personen.19

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat het DNA van verdachte is aangetroffen op de bierfles waarmee [slachtoffer 1] een dader heeft geslagen en op een tas die door de daders is meegenomen naar de woonwagen en daar is achtergebleven.

De raadsman heeft aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat het DNA van verdachte door secundaire overdracht op de bierfles en de tas, allebei verplaatsbare objecten, terecht is gekomen. De rechtbank overweegt dat de bierfles uit de woonwagen van [slachtoffer 1] afkomstig was en de tas door de daders is meegenomen. Verdachte heeft niet uitgelegd op welke wijze zijn DNA dan op beide voorwerpen terecht zou zijn gekomen. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

- De OVC-gesprekken

Verdachte heeft tijdens zijn detentie gesprekken gevoerd met bezoekers die hij ontving in de penitentiaire inrichting. Zo vond op 26 december 2018, toen verdachte bezoek had van onder andere [getuige 1] , het volgende gesprek plaats:

Verdachte: Die verhalen….die moeten echt…helemaal kloppen.

[getuige 1] : Ja, helemaal dicht zijn

Verdachte: Kloppen in totaal

[getuige 1] : Ja, daarom

(…)

[getuige 1] : Moet helemaal kloppen. Eerder moet je niet wat zeggen.20

en

Verdachte: Ik maak me niet druk jongen. Ik maak me niet druk. Ik moet gewoon om dat mengsel heen en een goed alibi verzinnen.21

Op 9 januari 2019, toen [getuige 2] en [getuige 3] op bezoek waren, zei verdachte:

Weet je, je moet even goed in je hoofd opslaan wat je tegen [getuige 4] moet zeggen man.

(...)

Je moet tegen [getuige 4] zeggen hij moet gewoon dingetjes erbij verzinnen gewoon uhh wij zaten thuis en ik ben met hem mee gegaan omdat ik had geen huis meer, van dat soort dingen weet je, ja? 22

Op 16 januari 2019 waren [getuige 2] en [getuige 3] weer op bezoek. Toen vond het volgende gesprek plaats:

Verdachte: je moet effe goed met hem praten broer en tegen hem zeggen: ” [getuige 4] als je echt gaat getuige moet echt die verhaal moet goed kloppen (…)

NN1: hij moet ook bereid zijn op vragen

Verdachte: ja, hij moet goed antwoorden. Hij kan niet slippen, als ie 1 keer slipt dan ben ik de lul. En als dit verhaal, als dit verhaal gewoon slipt, dan kan ik niet meer terug naar een ander verhaal. Dit verhaal moet het blijven.23

Op 13 februari 2019 was [getuige 2] bij verdachte op bezoek. Het volgende gesprek vond plaats:

[getuige 2] : Je moet hem een brief schrijven

Verdachte: Dat ga ik ook doen, met details, paar details, maar het is niet zo kort. Broer, het was gewoon normale avond, wat we altijd doen. Met de trein daar naartoe gaan, daar blijven slapen, jonko klappen. Echt die, dat wordt mijn dinges, mijn getuige dinges.. . verklaring. Dat heb ik gedaan, wat mijn normaal gaan doen als... (ntv...) Dat moet je [getuige 4] in zijn hoofd praten, hij moet ook dat gewoon gaan leven alsof het echt, echt zo is, snap je wat ik bedoel?24

Op 20 februari 2019 kwam onder andere [getuige 4] bij verdachte op bezoek. [getuige 4] zei: Maar luister. Ik hou me gewoon aan het verhaal dat jij eruit hebt gekalkt. En alsof we dat gewoon echt hebben gedaan.

Verdachte: Je moet gewoon dingen of het écht is gebeurd. Of het echt is gebeurd tot later in de avond. Altijd wat we normaal altijd doen. Gewoon hetzelfde. Dat komt wel goed man.25

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze gesprekken dat verdachte bezig is geweest om voor zichzelf een alibi te regelen voor het moment van de overval op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De rechtbank wijst verder op het gesprek dat verdachte op 20 februari 2019 heeft gevoerd met [getuige 1] :

[getuige 1] : Maar die tweede die op is gepakt was ehhh?

Verdachte: Hij is ook degene die eh dinges heeft. Dus eigenlijk flink verneukt.

[getuige 1] : Ja, dat dachten wij al.

Verdachte: En het is ook gewoon uit het dossier. Je weet gewoon... Die verklaring van die [slachtoffer 1] , daar is gewoon duidelijk. Die forse man die had die lange wapen met demper bij in zijn hand, staat er. Daar heb ik wel geluk mee want als het zo was dat we alle twee normaal waren, dan moesten ze gaan uitzoeken wie had geschoten snap je? Dan zouden we alle twee schieten snap je? Nu ben ik alleen maar meegegaan.26

Conclusie van de rechtbank

Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , het aangetroffen DNA van verdachte en zijn eigen uitlatingen, zoals hierboven weergegeven, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primaire feit.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 8 juli 2018 te Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven te beroven met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal met geweld (in vereniging) of een poging tot afpersing (in vereniging) van een hoeveelheid geld (geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ),

welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft met zijn mededader een overval gepleegd op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , destijds 70 jaar respectievelijk 68 jaar oud. Zij werden plotseling geconfronteerd met twee mannen die hun woonwagen binnenkwamen, om geld schreeuwden, geweld tegen [slachtoffer 1] gebruikten en hem ook beschoten. Een dergelijke overval is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring, waar zij nog jarenlang last van hebben, zeker als de overval plaatsvindt in de eigen woning, de plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben beschreven welke enorme impact de overval op hun leven heeft gehad. De gevolgen zijn zowel lichamelijk als psychisch zeer fors. [slachtoffer 1] krijgt nog morfinepleisters ter bestrijding van de voor hem ondraaglijke pijn en het is nog maar de vraag of hij volledig zal genezen.

Verdachte is eerder veroordeeld wegens gekwalificeerde vermogensdelicten.

De reclassering heeft op 8 april 2019 een rapport over verdachte uitgebracht. De rapporteur ziet geen mogelijkheid voor het opleggen van reclasseringstoezicht, ondanks dat sprake is van een zorgwekkende prognose. Verdachte wil zijn eigen levensstijl en -standaarden bepalen en vindt dat hij zich prima staande kan houden. Hij laat zich niet zeggen wat hij moet doen.

De oriëntatiepunten die de rechtbanken hanteren gaan bij een woningoverval met meer dan licht geweld uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar. In het onderhavige geval maken het gebruik van het vuurwapen, het medeplegen, het letsel van [slachtoffer 1] en de documentatie van verdachte dat de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaar passend en nodig vindt.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding.

[slachtoffer 1] vordert € 2.527,41 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade. De vordering van [slachtoffer 2] bedraagt € 494,91 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] geheel toewijsbaar is. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de hoogte van de gevraagde shockschade. Voor het overige kan ook die vordering worden toegewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen hoofdelijk worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij naar voren gebracht dat de vorderingen een onevenredige belasting zijn in dit strafproces.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen niet inhoudelijk zijn betwist. De rechtbank vindt ook aannemelijk dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] immateriële schade hebben. Nu de gevorderde bedragen niet zijn weersproken zal de rechtbank beide vorderingen volledig toewijzen, met vermeerdering met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2018. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en bepalen dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij
[slachtoffer 1] van een bedrag van € 17.527,41 (zeventienduizend vijfhonderd zevenentwintig euro en eenenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
8 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] een bedrag te betalen van € 17.527,41 (zeventienduizend vijfhonderd zevenentwintig euro en eenenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 122 (honderd tweeëntwintig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 bepaalt dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, verdachte daarvan zal zijn bevrijd;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij
[slachtoffer 2] van een bedrag van € 6.494,91 (zesduizend vierhonderd vierennegentig euro en eenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 6.494,91 (zesduizend vierhonderd vierennegentig euro en eenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 67 (zevenenzestig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 bepaalt dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kleinrensink, voorzitter, mr. Y. Yeniay-Cenik en

mr. M.J.M. Krabbe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 oktober 2019.

mr. Kleinrensink en mr. Krabbe zijn

buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam] , brigadier van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek ON3R018087 (Iseki), gesloten op 15 juni 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1606-1607.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 1640-1642 en proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 1714.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 1642 en proces-verbaal van bevindingen, p. 1650.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1606-1607.

6 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 1640.

7 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 1645.

8 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 1640.

9 Rapport NFI 15 januari 2019, p. 1686.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 1715.

11 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 1643.

12 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 1640.

13 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 954 en 957.

14 Rapport NFI 4 oktober 2018, p. 1066-1070.

15 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 955 en 957.

16 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , p. 1702.

17 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , p. 1719.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1733.

19 Rapport NFI 11 januari 2019, p. 1074-1076.

20 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking OVC 26 december 2018), p. 1221.

21 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking OVC 26 december 2018), p. 1227.

22 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking OVC 9 januari 2019), p. 1235-1236.

23 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking OVC 16 januari 2019), p. 1250.

24 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking OVC 13 februari 2019), p. 1261.

25 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking OVC 20 februari 2019), p. 1285.

26 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerking OVC 20 februari 2019), p. 1283.