Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:447

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
05/740309-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeelt tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voor de mishandeling van een begeleidster van een woongroep voor mensen met een (verstandelijke) beperking.

De rechtbank komt tot een andere strafafdoening dan de officier van justitie en de raadsman gelet op de ernst van het feit en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking

dat verdachte eerder is veroordeeld voor (geweld)misdrijven en rekent het verdachte ook extra aan dat hij zijn boosheid heeft afgereageerd op een zorgverlener tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden voor

de bewoners van de instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740309-18

Datum uitspraak : 5 februari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman: mr. E.J.M.J Damen, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 april 2018 te Neede, gemeente Berkelland, in ieder geval in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar meermalen (krachtig) te schoppen en/of te slaan.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer] door haar meermalen te schoppen en te slaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde mishandeling wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman voert daartoe aan dat de aangifte op zichzelf staat en geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. De verklaringen van de medewerkers van de instelling zijn de auditu verklaringen en daarom niet bruikbaar als bewijs. Verdachte is door aangeefster hard aan de kant geduwd en daardoor tegen aangeefster aan gevallen, aldus de raadsman, zodat het opzet op de mishandeling ontbreekt. Verdachtes verklaring wordt ondersteund door de verklaring van zijn vrouw; zij hebben niet met elkaar kunnen overleggen. Er moet daarom van hun verklaringen worden uitgegaan.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen.

Aangeefster [slachtoffer] heeft het volgende verklaard. Op 1 april 2018 was [slachtoffer] werkzaam als begeleidster van woongroep [naam 1] in Neede. Op die dag stonden verdachte en zijn vrouw [betrokkene 1] voor de deur van de woongroep. Zij wilden naar binnen om met [betrokkene 2] , een bewoonster van de woongroep, te praten. [slachtoffer] heeft hen gezegd dat ze alleen op de groep stond en dat ze de volgende dag moesten terugkomen. [betrokkene 1] duwde aangeefster aan de kant en liep de trap op. Verdachte liep naar binnen en schopte aangeefster met volle kracht vier keer tegen haar been. Aangeefster had achteraf pijn aan haar hoofd, nek, linkeroor en op haar rechterarm en dit zegt volgens haar hoe hard en waar verdachte haar heeft geslagen. Haar been deed erg pijn.2 Aangeefster heeft een foto van het letsel op haar arm gemaakt.3

[getuige] heeft verklaard dat zij op 1 april 2018 als stagiair werkzaam was bij [naam 1] in Neede. [getuige] hoorde verdachte en aangeefster met stemverheffing spreken. [getuige] zag de vrouw van verdachte, [betrokkene 1] , de trap op rennen. Zij hoorde [slachtoffer] roepen ‘Bel 112, de politie.’ [getuige] hoorde de paniek in de stem van [slachtoffer] . [getuige] zag dat [betrokkene 1] de trap af kwam rennen en ze zag dat [betrokkene 1] tegen een deur schopte. Nadat [getuige] 112 had gebeld, zag ze dat aangeefster erg ontdaan was en hoorde ze van aangeefster dat deze pijn had.4

In het proces-verbaal van bevindingen staat onder meer gerelateerd dat verdachte op de verbalisanten wat opgefokt overkwam. Verbalisanten hoorden aangeefster zeggen dat ze door [betrokkene 1] was geduwd en door verdachte was geschopt en geslagen.5

De rechtbank is op grond van bovenvermelde verklaringen van oordeel dat genoegzaam vast is komen te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer] door haar meermalen te schoppen en te slaan. De rechtbank is daarbij van oordeel dat met name de verklaring van aangeefster als bewijs kan dienen nu aangeefster van meet af aan gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Deze verklaring vindt steun in de foto van het letsel van aangeefster en de getuigenverklaring van [getuige] , die – onder meer – heeft verklaard dat zij aangeefster in paniek hoorde schreeuwen, zag dat aangeefster erg ontdaan was en aangeefster direct na het incident hoorde zeggen dat ze pijn had. De verklaring van aangeefster wordt ook ondersteund door hetgeen verbalisanten direct na het incident hebben waargenomen en gehoord, namelijk dat verdachte opgefokt overkwam en dat aangeefster zei dat ze door verdachte was geschopt en geslagen. De rechtbank zal daarom van de verklaring van aangeefster uitgaan.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 01 april 2018 te Neede, gemeente Berkelland, in ieder geval in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar meermalen (krachtig) te schoppen en/of te slaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een werkstraf voor de duur van 60 uren te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat opgemerkt dat deze zaak eigenlijk op een politierechterzitting thuishoort. De eis van de officier van justitie is te fors en niet op zijn plaats, nu de oriëntatiepunten een geldboete voorschrijven. De raadsman bepleit oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 12 december 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 17 januari 2019;

- een rapport van drs. [naam 2] , klinisch psycholoog, gedateerd 13 november 2018.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een begeleidster van een

woongroep voor mensen met een (verstandelijke) beperking. Verdachte heeft daarmee een

ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank neemt

het verdachte extra kwalijk dat hij zijn boosheid heeft afgereageerd op een zorgverlener tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden voor de bewoners van de instelling. Het gebeuren heeft veel impact gehad op aangeefster zelf, maar ook op de rest van het team.

De rechtbank houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het

reclasseringsrapport blijkt dat de rapporteur in zijn onderzoek geen factoren heeft gevonden die

een reclasseringsinterventie behoeven. Ook een reclasseringstoezicht acht de rapporteur niet

geïndiceerd. Uit het strafblad van verdachte kan geen gewelddadig gedragspatroon worden

afgeleid. Een forensische behandeling is niet nodig. Daarbij heeft verdachte zich aangemeld

voor een agressieregulatietraining in verband met de ondertoezichtstellingprocedure van zijn

zoontje.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte eerder is veroordeeld voor (gewelds)misdrijven. Deze veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw een geweldsdelict te plegen.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Alles in aanmerking nemend komt de rechtbank tot een andere strafafdoening dan de officier van justitie en de raadsman en wel tot oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank overweegt dat deze straf recht doet aan de ernst van het feit en de overige omstandigheden van het geval.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 60 (zestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Cenik (voorzitter), mr. E.H.T. Rademaker en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van E.T. Vriezekolk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant van de politie Oost Nederland, Dienst Regionale Recherche, afdeling Thematisch Opsporing, Team Zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018453627, gesloten op 8 oktober 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen- verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , pag. 368-369.

3 Foto letsel aangeefster [slachtoffer] , pag. 372.

4 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] , pag. 373-374.

5 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten, pag. 375-376.