Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4469

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4755
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering ziekengeld en WW-uitkering in verband met hennepteelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/4755

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2019

in de zaak tussen

[naam A] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.A. Prins),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering die eiseres heeft ontvangen op grond van de Ziektewet (ZW) en de Werkloosheidswet (WW) over de periode van 19 oktober 2015 tot en met 17 april 2016 herzien (lees ingetrokken) en de reeds betaalde uitkering tot een bedrag van € 7.042,94 teruggevorderd.

Bij besluit van eveneens 21 maart 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 3.521,47.

Bij besluit van 16 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten gegrond verklaard. Verweerder heeft de uitkeringen die eiseres heeft ontvangen over de periode van 10 november 2015 tot en met 17 april 2016 ingetrokken en een bedrag van € 6.173,99 teruggevorderd. Als gevolg hiervan is de boete verlaagd naar

€ 3.086,99.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L. Smid. De rechtbank heeft op 10 juli 2019 het onderzoek gesloten.

Op 24 juli 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat de zaak wordt doorverwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Op 25 juli 2019 heeft de rechtbank aan partijen toestemming gevraagd om zonder zitting uitspraak te doen. Partijen is verzocht om, indien zij op een zitting gehoord willen worden, dat uiterlijk op 22 augustus 2019 te laten weten. Geen van partijen heeft laten weten op een nadere zitting gehoord te willen worden.

De rechtbank heeft daarom bij brief van 27 augustus 2019 het onderzoek gesloten en aangegeven binnen zes weken uitspraak te zullen doen.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.2.

Eiseres ontving vanaf 27 augustus 2014 tot 22 februari 2016 een ZW-uitkering. Van

22 februari tot 23 september 2016 is aan eiseres een WW-uitkering toegekend.

1.3.

Op 13 april 2016 zijn door de politie in de schuren behorend bij het pand aan [het adres] te [plaats] twee kweekruimtes van een hennepkwekerij waar al was geoogst aangetroffen met in totaal 381 planten. Daarnaast is een deel van de oogst aangetroffen in het pand. Eiseres is eigenaresse van dit pand en de bijbehorende schuren. Eiseres verhuurde kamers in het pand. De schuren werden niet verhuurd. De stroom ten behoeve van de hennepkwekerij werd illegaal afgetapt van de stroomvoorziening in het pand. Verder waren er aan de achterzijde van het pand twee camera’s bevestigd waarmee de ingangen van de twee schuren gefilmd werden. De beelden van deze camera’s waren zichtbaar op computerschermen die in het pand aanwezig waren. Eén van deze schermen was eigendom van eiseres. Volgens de bevindingen van de politie en het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 7 juni 2016 (rapport wvr) dat naar aanleiding hiervan is opgesteld is er in één van de schuren tweemaal eerder geoogst en in de andere schuur eenmaal. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 50.896,81. Eiseres en één van de bewoners van het pand zijn als verdachten aangemerkt. In de strafrechtelijke procedure is tot op heden nog geen uitspraak gedaan.

1.4.

Naar aanleiding van de bevindingen uit het politieonderzoek heeft verweerder onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van eiseres. Dit onderzoek heeft geleid tot het rapport themaonderzoek van 4 december 2017. Dit rapport is ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.

Herziening (intrekking) en terugvordering

2. De rechtbank overweegt allereerst dat in het bestreden besluit twee verschillende periodes worden genoemd waarover de uitkering van eiseres wordt ingetrokken en teruggevorderd. Onder het kopje ‘Beslissing op bezwaar’ wordt gesproken over een periode van 10 november 2015 tot en met 17 april 2016. Onder het kopje ‘Heroverweging’ wordt echter gesproken over de periode van 10 november 2015 tot en met 13 april 2016. Nu verweerder onder dit kopje stelt dat het teruggevorderde bedrag ter hoogte van € 6.173,99 de uitkering betreft die eiseres heeft ontvangen over de periode van 10 november 2015 tot en met 13 april 2016 en dat voor de einddatum van deze periode is aangesloten bij de datum van het politieonderzoek gaat de rechtbank er vanuit dat de eerder genoemde einddatum van 17 april 2016 een kennelijke verschrijving betreft. De periode in geding loopt dan ook van 10 november 2015 tot en met 13 april 2016.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de uitkeringen van eiseres over de periode in geding ingetrokken, omdat eiseres niet aan verweerder heeft gemeld dat zij in deze periode een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Nu eiseres geen inzicht heeft gegeven in de inkomsten uit of in verband met de hennepkwekerij, dan wel in de omvang van haar werkzaamheden kan het recht op ZW- dan wel WW-uitkering over deze periode niet worden vastgesteld, aldus verweerder. Daarom wordt een bedrag van € 6.173,99 teruggevorderd.

4. Eiseres ontkent betrokken te zijn geweest bij de hennepkwekerij. De schuren waarin de kwekerij is aangetroffen zijn toegankelijk voor eenieder die in het pand aan [het adres] te [plaats] verbleef. De sleutels van de schuren lagen namelijk in een bakje in de stal bij het pand. Bovendien maakten de schuren geen onderdeel uit van het pand waar eiseres kamers verhuurde. Uit de omstandigheid dat zij eigenaresse was van dit pand kan dan ook niet worden afgeleid dat zij kennis had van de kwekerij. Zij was immers niet woonachtig in het pand zelf zodat bij haar niet dezelfde wetenschap kan worden verondersteld als bij een bewoner. Daar komt bij dat zij op 24 oktober 2015 haar enkel heeft gebroken waardoor zij zich moeilijk kon verplaatsen en nadien nauwelijks in het pand geweest is. Ook om deze reden kan zij niet betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij.

5.1.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres in de periode geding inkomsten heeft genoten uit de hennepkwekerij en ten behoeve hiervan werkzaamheden heeft verricht. Het bestreden besluit is daarmee een voor eiseres belastend besluit. Dit brengt met zich dat het aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Daarbij rust op verweerder de bewijslast ten aanzien van de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot herziening en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering over de periode in geding over te gaan. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres werkzaamheden heeft verricht die van invloed zijn op de uitbetaling van de uitkering, ligt het op de weg van eiseres de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat er in de schuren bij het door eiseres verhuurde pand een hennepkwekerij aanwezig was. Verder is niet in geschil dat eiseres in de periode in geding eigenaresse was van zowel het pand als de daarbij behorende schuren.

5.3.

Onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1 rechtvaardigt het feit dat in de aan eiseres toebehorende schuren een hennepkwekerij is aangetroffen de vooronderstelling dat zij (mede)eigenaar van die kwekerij is geweest en dat de opbrengst daarvan (ook) haar ten goede is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet anders nu eiseres niet zelf op [het adres] woonde. Eiseres was immers de eigenaresse en had als zodanig de zeggenschap over alles wat er zich in en om het pand afspeelde. Het is dan aan eiseres om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij niet betrokkene was bij de hennepkwekerij.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hier niet in geslaagd. Daartoe acht de rechtbank allereerst van belang dat, anders dan eiseres stelt, niet is gebleken dat zij de schuren bij het pand slechts professioneel bezat maar het feitelijk gebruik hiervan uit handen heeft gegeven. Gesteld noch gebleken is immers dat de schuren verhuurd waren. De omstandigheid dat de schuren ook toegankelijk waren voor de huurders, maakt dit niet anders. Met deze enkele stelling heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat onbevoegden zich toegang tot de schuren hebben verschaft en daar zonder medeweten van eiseres een hennepkwekerij zijn begonnen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiseres wisselende verklaringen heeft afgelegd over haar aanwezigheid in het pand. Zo heeft eiseres tijdens het verhoor bij verweerder op 8 november 2017 verklaard in de periode in geding zelden in het pand aanwezig te zijn geweest, omdat zij op 24 oktober 2015 haar enkel had gebroken. In beroep stelt eiseres verder dat zij zelden in het pand kwam vanwege PTSS-gerelateerde klachten. Uit het proces-verbaal van 13 april 2016 blijkt echter dat eiseres bij de politie heeft verklaard in het pand schoon te maken in het geval er een nieuwe huurder kwam, dat zij borrelde met de bewoners van het pand en er af en toe bleef slapen. Verder heeft zij verklaard in de week voorafgaand aan het politieonderzoek op 13 april 2016 veelvuldig in het pand te hebben verbleven en in de nacht van 12 op 13 april 2016 in het pand is blijven slapen. Eiseres heeft dan ook geen overtuigende verklaringen afgelegd over haar aanwezigheid in het pand. Verder heeft eiseres geen overtuigende verklaring afgelegd over de twee camera’s die zij zelf heeft aangeschaft en op haar initiatief zijn opgehangen aan het pand. De politie heeft geconstateerd dat deze twee camera’s waren gericht op de ingangen van de schuren waarin de hennepkwekerijen zich bevonden. Eiseres heeft over de deze camera’s tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zo heeft zij op 14 april 2016 bij de politie verklaard dat deze camera’s zijn opgehangen ter bescherming tegen haar ex-partner en diens familie. Tijdens het verhoor bij verweerder op 8 november 2017 verklaart eiseres echter dat zij deze camera’s heeft opgehangen ter preventie van diefstal, terwijl zij bij de politie op 14 april 2016 heeft verklaard dat er niets van waarde in de schuur lag. Eisers heeft verder geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat de beelden van de camera’s werden weergegeven in het pand op twee schermen en dat één scherm toebehoorde aan haar.
Verder acht de rechtbank het bevreemdend dat eiseres geen aangifte heeft gedaan tegen de vermoedelijke dader(s). Zij heeft immers ter zitting verklaard het vermoeden te hebben dat één van de bewoners verantwoordelijk is voor de hennepkwekerij en dat deze kwestie haar veel geld heeft gekost. Dat zij, zoals zij ter zitting heeft verklaard, niet zeker weet wie de daders zijn, maakt dit niet anders. Het is dan aan de politie om uit te zoeken of het vermoeden klopt.

Dat eiseres op enig moment minder mobiel was door haar gebroken enkel en dat zij niet zou hebben gezien dat de elektriciteit illegaal werd afgetapt maakt, wat hier ook van zij, niet dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij als eigenaresse van de schuren niet betrokken was bij de hennepkwekerij. Dit zijn, mede gelet op de wisselende verklaringen die eiseres heeft afgelegd over haar aanwezigheid in het pand, geen overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens.

6.1.

Verweerder heeft zich bij de vaststelling van de exploitatieperiode van

10 november 2015 tot en met 13 april 2016 gebaseerd op het rapport wvr. Uit dit rapport blijkt dat wordt uitgegaan van een ontnemingsperiode van 17 november 2015 tot en met

2 februari 2016. Verweerder acht het aannemelijk dat er in de week voor de start van deze periode opbouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, zodat er vanuit wordt gegaan dat eiseres 10 november 2015 is begonnen met de exploitatie van de hennepkwekerij. Verder acht verweerder het aannemelijk dat eiseres tot en met de datum van de inval werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de hennepkwekerij. Hierbij acht verweerder van belang dat bij het politieonderzoek op 13 april 2016, onder meer, een grote hoeveelheid henneptoppen en scharen met hennepresten zijn aangetroffen.

Eiseres voert aan dat verweerder de periode waarover de uitkering is teruggevorderd verkeerd heeft vastgesteld. Verweerder heeft in dit kader namelijk aansluiting gezocht bij het rapport wvr. In dit rapport wordt echter uitgegaan van een ontnemingsperiode van 17 november 2015 tot en met 2 februari 2016. Voor zover de uitkering van eiseres al zou mogen worden ingetrokken, mag dit alleen over deze periode gebeuren, aldus eiseres. Voor zover er vanuit moet worden gegaan dat eiseres inkomsten heeft genoten, kan er niet worden aangesloten bij het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals berekend in het rapport wvr. Nu er naast eiseres nog een verdachte is, kan slechts de helft van het wederrechtelijk voordeel aan haar worden toegerekend.
6.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het rapport wvr in redelijkheid de periode van exploitatie van de hennepkwekerij heeft kunnen vaststellen op 10 november 2015 tot en met 13 april 2016. Hiertoe acht zij van belang dat uit het rapport wvr blijkt dat in de tweede kweekruimte in ieder geval twee oogsten hebben plaatsgevonden. De start van de eerste kweek was op 17 november 2015. Gelet op de grote schaal van deze kwekerij (ongeveer 25m2 waarbij uit dient te worden gegaan van 15 planten per m2) is het aannemelijk dat voorafgaand aan de daadwerkelijke inbedrijfsstelling een periode van voorbereiding vooraf is gegaan. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de CRvB van 14 december 2010.2 Verweerder heeft er dan ook vanuit mogen gaan dat de werkzaamheden op 10 november 2015 zijn aangevangen. Verder blijkt uit het rapport wvr dat de startdatum van de kweek van de tweede oogst 2 februari 2016 is. Deze kweek is voor 13 april 2016 geoogst. Het is dan ook aannemelijk dat eiseres tot 13 april 2016 werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de hennepkwekerij. Te meer omdat er bij het politieonderzoek op 13 april 2016 een grote hoeveelheid henneptoppen is aangetroffen in het pand.

6.3.

Verweerder is er dan ook in geslaagd om aannemelijk te maken dat eiseres in de periode van 10 november 2015 tot en met 13 april 2016 activiteiten in het kader van de hennepkwekerij heeft verricht. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB worden zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een uitkering, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven.3 Hiervan had eiseres op grond van artikelen 31, eerste lid, en 49 van de ZW en artikelen 8, eerste lid, en 25 van de WW melding moeten maken. Dit heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat in de periode in geding sprake is van schending van de inlichtingenverplichting.

6.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de ZW-uitkering en WW-uitkering indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of er nog recht op uitkering bestaat. Het is dan aan eiseres om feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat, indien aan de inlichtingenverplichting was voldaan, in de periode in geding wel recht op uitkering bestond. Dat betekent dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij geen inkomsten heeft verworven en werkzaamheden heeft verricht of althans zo weinig dat zij desalniettemin recht heeft op een uitkering in de periode in geding. Eiseres heeft zich in deze zaak beperkt tot de ontkenning van wetenschap en betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Nu verweerder daar gelet op wat wordt geoordeeld onder 5.4 tot en met 6.3 wel vanuit mocht gaan, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op uitkering over de periode in geding niet kan worden vastgesteld. Aan het betoog van eiseres dat verweerder voor de vaststelling van de inkomsten had moeten uitgegaan van de helft van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals vastgesteld in het rapport wvr gaat de rechtbank dan ook voorbij.

6.5.

Verweerder was op grond van artikelen 30a, eerste lid, aanhef en onder c, en 33, eerste lid, van de ZW en artikelen 8, eerste lid, 22a, eerste lid, aanhef en onder c, 25 en 36, eerste lid, van de WW dan ook verplicht de uitkering over de periode in geding in te trekken en terug te vorderen.

Boete

7.1.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat uit het bestreden blijkt dat verweerder eiseres een boete heeft opgelegd ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Verweerder heeft het benadelingsbedrag vastgesteld op het teruggevorderde bedrag over de periode in geding. De boete bedraagt € 3.086,99. De stelling van eiseres dat de hoogte van de boete zou zijn gebaseerd op de teveel ontvangen uitkering in de periode van 19 oktober 2015 tot en met 17 april 2016 volgt de rechtbank dan ook niet. Ook aan de stelling dat de boete is gebaseerd op de veronderstelling dat eiseres in de periode van 27 augustus 2014 tot en met 21 februari 2016 betrokken zou zijn geweest bij de hennepkwekerij gaat de rechtbank voorbij. Het primaire besluit II en het bestreden besluit bieden hier namelijk geen aanknopingspunten voor.

7.2.

Op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW en artikel 45a, eerste lid, van de ZW legt verweerder een bestuurlijke boete op ter hoogte van het benadelingsbedrag wegens het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Op grond van artikel 27a, tweede lid, van de WW en artikel 45a, tweede lid, van de ZW wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.

In artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten is bepaald dat voor wat betreft de hoogte van de bestuurlijke boete, de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten wordt beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

7.3.

Artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bevat de waarborg dat een ieder tegen wie strafvervolging is ingesteld - een boeteoplegging wordt aangemerkt als het instellen van een strafvervolging - voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. Deze waarborg brengt mee dat verweerder feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet bewijzen dat de inlichtingenverplichting is geschonden en dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting een uitkering tot het benadelingsbedrag onverschuldigd is betaald. In geval van twijfel dient aan de uitkeringsontvanger het voordeel van de twijfel te worden gegund.4 De bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde is dus zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot intrekking op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering van de daardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. In dit geval zal verweerder dus moeten aantonen dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de hennepkwekerij niet bij verweerder te melden. Anders dan bij de onder 5.1. opgeworpen vraag is dus niet voldoende dat dat slechts aannemelijk is gemaakt.

7.4.

In dit verband overweegt de rechtbank in navolging van de uitspraak van de CRvB van 26 september 20175, dat in het kader van de bestuurlijke boete gebruik kan worden gemaakt van het (bewijs)vermoeden als bedoeld onder 5.3. voor het bewijs dat een eiseres (mede)exploitant is van een bij haar toebehorend pand aangetroffen hennepkwekerij. Het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van het EVRM brengt wel mee dat de eiseres een redelijke mogelijkheid moet hebben zich daartegen te verweren en dat geen sprake mag zijn van omkering van de bewijslast. Aan die eisen wordt in dit geval voldaan, nu het (bewijs)vermoeden weerlegbaar is en eiseres zich kan verweren door hetzij de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het (bewijs)vermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen, waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat vermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd.

7.5.

Eiseres heeft ook ten aanzien van de boete bestreden dat zij de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en zich op het standpunt gesteld dat zij dus de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Eiseres heeft wat zij heeft aangevoerd echter op geen enkele wijze onderbouwd of geconcretiseerd en heeft daarmee zelfs geen begin van bewijs geleverd. Bovendien heeft eiseres geen enkele indicatie gegeven over wie de hennepkwekerij heeft opgericht en geëxploiteerd en heeft zij omtrent de hennepkwekerij wisselende verklaringen afgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres er in het kader van de boete niet in geslaagd is het bewijsvermoeden dat zij (mede) exploitant was van de hennepkwekerij en dat zij daar werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft verworven, te ontzenuwen.

7.6.

Nu voorts vaststaat dat eiseres daarvan geen melding heeft gemaakt bij verweerder, volgt hieruit dat verweerder heeft aangetoond dat eiseres de inlichtingenverplichting niet behoorlijk is nagekomen. Van deze schending van de inlichtingenverplichting kan haar een verwijt worden gemaakt. Gelet hierop was verweerder verplicht met toepassing van artikel 27 van de WW en artikel 45a van de ZW een boete op te leggen.

7.7.

Voor de vaststelling van de hoogte van de boete vormt het benadelingsbedrag met inachtneming van 7.2. het uitgangspunt. Dit benadelingsbedrag kan in beginsel worden gesteld op het bedrag dat verweerder wegens dezelfde schending inlichtingenverplichting heeft teruggevorderd of zou kunnen terugvorderen. Dit neemt niet weg dat er onder omstandigheden aanleiding kan zijn het benadelingsbedrag op een ander bedrag vast te stellen dan het bedrag dat verweerder van betrokkene wegens schending van de inlichtingenverplichting terugvordert. Dat is hier echter niet aan de orde. Eiseres heeft ook in beroep nagelaten financiële en andere gegevens te verstrekken over de inkomsten uit de hennepkwekerij alsmede over haar werkzaamheden en betrokkenheid daarbij, zodat het recht op uitkering ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de CRvB van 13 juni 2017.6

7.8.

Verweerder is bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Volgens de uitspraak van de CRvB van 24 november 2014 is 50% van het benadelingsbedrag dan een passend uitgangspunt.7 Verweerder heeft dit uitgangspunt gevolgd. Uitgaande van het in 2 genoemde bedrag resulteert dit in een bedrag van € 3.086,99. De rechtbank acht deze boete passend en geboden.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. M.P. Bos en mr. A.S. Gaastra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.V.D.P. Martina, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 4 oktober 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 CRvB 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9572.

2 CRvB 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9003.

3 CRvB 13 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0451 en CRvB 10 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1733.

4 CRvB 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451 en CRvB 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3310.

5 CRvB 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3310.

6 CRvB 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2436.

7 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754.