Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4457

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
NL19.8542
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident zekerheidstelling ex art 224 lid 1 Rv. Civiele procedure tegen (gestelde) mensensmokkelaar. Eiser heeft geen woon- of gewone verblijfplaats in Nederland. Beroep op uitzonderingsgrond artikel 224 lid 2 Rv afgewezen, zekerheidsstelling op in artikel 6:51 BW bepaalde wijze toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL19.8542

Vonnis in incident van 21 augustus 2019

in de zaak van

[verweerder] ,
wonende op een geheim adres,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident, hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat A. Hashem Jawaheri,

tegen

[eiser]
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in de hoofdzaak,
eiser in het incident, hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat T.P. Boer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding van 11 april 2019;

- de incidentele vordering tot zekerheidstelling proceskosten van 3 juni 2019;

- het verweerschrift in het incident van 11 juni 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

[eiser] vordert de veroordeling van [verweerder] zekerheid te stellen voor proceskosten, begroot op € 2.750,00, waarbij indien dit niet volledig of tijdig (binnen vier weken) geschiedt (waarvan dan bewijs dient te worden overgelegd), de rechtbank [verweerder] niet ontvankelijk zal verklaren in zijn (hoofd)vorderingen, althans deze vorderingen anders, voor alle inhoudelijke weren zijdens gedaagde [eiser] , af zal wijzen, onder veroordeling van [verweerder] in de kosten van de incidentele procedure en [eiser] , na tijdige zekerheidstelling door [verweerder] , termijn te geven inhoudelijk te reageren (bij conclusie van antwoord/verweerschrift), en aldus daartoe dan een datum te bepalen, aldus na vonnis in dit incident.

2.2.

[eiser] baseert zijn vordering op het feit dat [verweerder] geen woonplaats noch een gewone verblijfplaats heeft in Nederland en om die reden ingevolge artikel 224 lid 1 Rv gehouden is zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan [verweerder] veroordeeld zou kunnen worden. [eiser] begroot deze proceskosten op € 2.750,00, onder meer inhoudende het griffierecht, kosten van executie en liquidatietarief. [eiser] voegt daaraan toe dat de in artikel 224 lid 2 Rv opgenomen uitzonderingsgronden niet van toepassing zijn.

2.3.

[verweerder] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerder] geen woonplaats noch een gewone verblijfplaats heeft in Nederland. [verweerder] geeft, bij de aanduiding van partijen in zijn verweerschrift in het incident, ook zelf aan dat hij woonachtig is in Iran. In verband daarmee is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 224 lid1 Rv, hetgeen met zich meebrengt dat de vordering van [eiser] tot zekerheidstelling in beginsel toewijsbaar is tenzij er sprake is van een uitzonderingsgrond als omschreven in artikel 224 lid 2 Rv.

2.5.

[verweerder] baseert zijn verweer op de uitzonderingsgrond als omschreven onder sub d van artikel 224 lid 2 Rv door te stellen dat de verplichting tot zekerheidstelling zou leiden tot een belemmering van de rechtsgang. Deze belemmering zou bestaan als gevolg van het feit dat het vanwege de geldende sancties tegen Iran voor hem niet mogelijk is om een bankgarantie af te geven. Daarnaast voert [verweerder] aan dat [eiser] geen belang heeft bij het vragen van zekerheid omdat, zo stel [verweerder] , het bewijs tegenover [eiser] dermate onomstotelijk is dat zekerheidstelling volstrekt onnodig is. Tot slot voert hij aan dat de proceskosten te hoog begroot zijn en onvoldoende onderbouwd.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat [verweerder] onvoldoende heeft onderbouwd dat het voor hem als gevolg van de sancties tegen Iran onmogelijk is om een bankgarantie te laten stellen. Nog daargelaten dat er naast het afgeven van een bankgarantie ook andere vormen van zekerheidstelling denkbaar zijn, is verder onvoldoende concreet gemaakt dat het verkrijgen van zekerheid in Nederland op basis van deze sanctiemaatregelen dan wel op basis van andere (administratieve of financiële ) redenen problematisch, penibel en praktisch niet mogelijk dan wel moeilijk uitvoerbaar is. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de effectieve toegang tot de rechter voor [verweerder] wordt beperkt door hem te veroordelen tot het verschaffen van zekerheid.

2.7.

De bij wijze van verweer ingenomen stelling dat [eiser] geen belang heeft bij het vragen van zekerheid omdat het bewijs tegenover hem onomstotelijk is, zodat zekerheidstelling niet nodig is, wordt door de rechtbank gepasseerd. Dit verweer van [verweerder] houdt in feite een beoordeling in van hetgeen in de hoofdzaak is gesteld en gevorderd en valt buiten het kader waarbinnen de rechtbank moet oordelen over het opgeworpen incident.

2.8.

[eiser] heeft verzuimd deugdelijk inzicht te geven in de wijze waarop hij de hoogte en samenstelling van het door hem begrote bedrag aan proceskosten heeft bepaald. De rechtbank neemt voor de mogelijk in de hoofdzaak uit te spreken proceskostenveroordeling als uitgangspunt het aan de zijde van [eiser] verschuldigde griffiegeld dat, bij toewijzing van de door hem aangevraagde toevoeging, wordt bepaald op € 81,00 en, uitgaande van een verder verloop zonder complicaties, voor salaris advocaat € 2.085,00 (3 punten op basis van tarief III van € 695,00 per punt conform het geldende liquidatietarief). Aldus worden de proceskosten waarvoor zekerheid dient te worden gesteld begroot op € 2.166,00.

2.9.

[verweerder] zal worden gelast om zekerheid te stellen op de in artikel 6:51 BW bepaalde wijze, waarbij [eiser] dus zonder moeite verhaal zal kunnen nemen op de geboden zekerheid, voor een bedrag van € 2.166,00. Een termijn van vier weken voor het stellen van zekerheid, zoals [eiser] heeft gevorderd, komt de rechtbank redelijk voor. De rechtbank zal daarom bepalen dat [verweerder] zekerheid dient te stellen binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis.

2.10.

De rechtbank acht termen aanwezig om een beslissing omtrent de kosten van het incident aan te houden en tegelijkertijd af te doen met de beslissing omtrent de kosten van de hoofdzaak.

2.11.

In de hoofdzaak zal verder worden geprocedeerd in de stand waarin deze zich bevindt. [eiser] wordt in de gelegenheid gesteld vier weken na de uiterlijke datum voor zekerheidstelling zijn verweerschrift in te dienen.

2.12.

De rechtbank houdt verder iedere beslissing aan.

3 De beslissing

De rechtbank, recht doende:

in het incident:

3.1.

veroordeelt [verweerder] om, op de in artikel 6:51 BW bepaalde wijze, zekerheid te stellen voor de aan de zijde van [eiser] te vallen proceskosten tot een bedrag van € 2.166,00;

3.2.

bepaalt dat de zekerheid, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis, derhalve uiterlijk 18 september 2019, moet zijn gesteld;

3.3.

houdt verder de beslissing omtrent de kosten van het incident aan;

3.4.

verklaart dit vonnis in het incident uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de hoofdzaak:

3.6.

bepaalt dat in de hoofdzaak verder wordt geprocedeerd in de stand waarin deze zich bevindt en dat [eiser] uiterlijk 16 oktober 2109 een verweerschrift kan indienen;

3.7.

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2019.