Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4456

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
NL18.18879
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Verhanging bedrijfsactiviteiten. Vordering toegewezen ook jegens zustervennootschappen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/1342
JOR 2020/28 met annotatie van Bartman, S.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL18.18879

Vonnis van 25 juli 2019

in de zaak van

1 [naam eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [naam eiser 2] ,
wonende te [woonplaats]
eisers, hierna samen te noemen in mannelijk enkelvoud: [gezamenlijke eisers] ,
advocaat mr. A.B. Bouter te Barneveld,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam verweerder 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam verweerder 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam verweerder 3] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam verweerder 4]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam verweerder 5] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
6. [naam verweerder 6] ,
wonende te [vestigingsplaats] ,
7. [naam verweerder 7] ,
wonende te [vestigingsplaats] ,
verweerders, hierna samen te noemen: verweerders,
advocaat mr. E.J.L. Mulderink te Breda.

Verweerster 1 zal afzonderlijk worden aangeduid als de [naam verweerder 1] , verweerster 2 als [naam verweerder 2] , verweerster 3 als [naam verweerder 3] , verweerder 6 als [naam verweerder 6] en verweerder 7 als [naam verweerder 7] .

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- de procesinleiding met producties 1 tot en met 32,

- het verweerschrift met producties 1 tot en met 3,

- de gevraagde openingsbalansen door verweerders ingediend op 8 februari 2019,

- een nadere productie zijdens verweerders, ingediend op 14 februari 2019,

- nadere producties 33 tot en met 35 zijdens eisers, ingediend op 13 mei 2019

- de mondelinge behandeling en de daarvan bijgehouden aantekeningen van de griffier alsmede de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde en geüploade spreekaantekeningen zijdens eisers.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gezamenlijke eisers] heeft een aannemingsbedrijf.

2.2.

[naam verweerder 6] heeft drie zoons: [namen zoons] .

2.3.

[naam verweerder 1] (hierna: de [naam verweerder 1] ) wordt bestuurd door vier persoonlijke holdings, waaronder verweersters 4 en 5. [naam verweerder 6] , [naam verweerder 7] , zoon [namen zoons] en zoon [namen zoons] zijn elk enig aandeelhouder en bestuurder van één van die persoonlijke holdings. [naam verweerder 6] is enig aandeelhouder en bestuurder van verweerster 4, [naam verweerder 7] van verweerster 5.

2.4.

[naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] zijn dochtervennootschappen van de [naam verweerder 1] en zijn opgericht op 11 september 2015. De [naam verweerder 1] heeft nog een derde, al langer bestaande, dochtervennootschap: [naam dochtervennootschap] .

2.5.

Op enig moment is [gezamenlijke eisers] een overeenkomst aangegaan met [naam klant] , waarna [gezamenlijke eisers] [naam dochtervennootschap] als onderaannemer heeft ingeschakeld voor het plaatsen van de betonvloer bij [naam klant] . [gezamenlijke eisers] is in 2014 gedagvaard door [naam klant] . [gezamenlijke eisers] heeft [naam dochtervennootschap] in vrijwaring gedagvaard. Bij tussenvonnis van 10 juni 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat:

… sprake is van een ondeugdelijke betonvloer en dat de oorzaak daarvan is gelegen in de uitvoering van de door [naam dochtervennootschap] , toevoeging rechtbank] verrichte werkzaamheden bij het aanbrengen van de vloer. Dat betekent dat [naam dochtervennootschap] toerekenbaar tekort is geschoten in nakoming van de overeenkomst met [gezamenlijke eisers] tot levering van een deugdelijke betonvloer en dat hij gehouden is de aldus door [gezamenlijke eisers] geleden schade te vergoeden, te weten het bedrag dat [gezamenlijke eisers] in de hoofdzaak ten titel van schadevergoeding aan [naam klant] zal moeten betalen.

2.6.

Bij tussenvonnis van 15 juni 2016 is geoordeeld dat de gevorderde schade voor herstelkosten voor de vloer ad € 50.000,-- exclusief btw zullen worden toegewezen.

2.7.

Medio 2016 heeft [naam dochtervennootschap] haar bedrijfsactiviteiten gestaakt.

2.8.

Bij eindvonnis van 7 december 2016 is [naam dochtervennootschap] in vrijwaring veroordeeld tot betaling aan [gezamenlijke eisers] van al hetgeen waartoe [gezamenlijke eisers] in de hoofdzaak is veroordeeld, in totaal € 73.000,-- aan hoofdsom te vermeerderen met btw en wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten ad € 1.545,71 en proceskosten in de hoofdzaak ad

€ 17.262,14. Ook is [naam dochtervennootschap] veroordeeld tot betaling van de kosten in de vrijwaringszaak ad € 1.426,02 te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten ad

€ 131,-- te vermeerderen met wettelijke rente.

2.9.

[naam dochtervennootschap] heeft hoger beroep ingesteld. De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden en de zaak staat thans voor arrest.

2.10.

[gezamenlijke eisers] heeft verweerders sub 1 tot en met 5 bij brief van 4 juli 2018 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden doordat verhaal op [naam dochtervennootschap] niet mogelijk bleek.

3 Het geschil

3.1.

[gezamenlijke eisers] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat verweerders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de onrechtmatige gedraging althans subsidiair, gezamenlijk aansprakelijk zijn, de [naam verweerder 1] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] op grond van onrechtmatige daad en verweersters 4, 5, [naam verweerder 6] en [naam verweerder 7] op grond van artikel 2:11 BW;

2. verweerders hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de hoofdsom ad € 89.875,71 te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

Kort gezegd is er volgens [gezamenlijke eisers] sprake van frustratie van verhaal door de [naam verweerder 1] . [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] hebben onrechtmatig gehandeld nu zij zich onvoldoende de belangen van [gezamenlijke eisers] hebben aangetrokken en deze belangen hebben geschonden. Bovendien hebben [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] willens en wetens onrechtmatig geprofiteerd van de onrechtmatige daad van de [naam verweerder 1] . Deze aansprakelijkheid van de [naam verweerder 1] en [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] rust ingevolge artikel 2:11 BW op de persoonlijke holdings en hun bestuurders, aldus nog steeds [gezamenlijke eisers] . Subsidiair doet [gezamenlijke eisers] een beroep op onrechtmatige daad in groepsverband.

3.3.

Verweerders voeren verweer dat hierna bij de beoordeling aan de orde komt.

4 De beoordeling

Aansprakelijkheid van de [naam verweerder 1] als direct bestuurder van [naam dochtervennootschap]

4.1.

De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.2.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en de vordering van de schuldeiser op de vennootschap onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen als de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

4.3.

[gezamenlijke eisers] beroept zich in de kern op betalingsonwil en frustratie van verhaal door de (indirecte) bestuurders van [naam dochtervennootschap] , bestaande uit het creëren van feitelijke betalingsonmacht bij [naam dochtervennootschap] met voorzienbare crediteursbenadeling tot gevolg. Ter onderbouwing daarvan wijst [gezamenlijke eisers] op:

- het moment waarop [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] zijn opgericht: 11 september 2015. Dit is enige maanden na het tussenvonnis met het oordeel dat [naam dochtervennootschap] toerekenbaar tekort geschoten is;

- het moment van staking van de bedrijfsactiviteiten door [naam dochtervennootschap] : medio 2016. Dit is vlak na het tweede tussenvonnis waarin de schade voor het herstel van de vloer is begroot op € 50.000,-- exclusief btw;

- de terugloop van de waarde van de activa van [naam dochtervennootschap] van € 306.671,-- in 2014, € 148.427,-- in 2015 naar nihil in 2016;

- de stijging van de waarde van de activa van de [naam verweerder 1] van € 295.508,-- in 2014, € 362.206,-- in 2015 en € 545.442,-- in 2016;

- de stijging van de waarde van de activa in [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] van respectievelijk € 1,-- bij oprichting naar € 151.806,-- en € 203.006,-- ultimo 2015 naar respectievelijk € 329.511,-- en € 178.414,-- in 2016.

4.4.

Ter zitting heeft [naam verweerder 6] verklaard dat als iemand voor 11 september 2015 naar het telefoonnummer van het bedrijf belde, de opdracht terecht kwam bij [naam dochtervennootschap] en na 11 september 2015 bij [naam verweerder 2] als het een kelder of zwembad betreft of bij [naam verweerder 3] als het een vloer betreft. Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet (langer) in geschil dat [naam dochtervennootschap] in ieder geval medio 2016 haar bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt, waarna [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] diezelfde bedrijfsactiviteiten zijn gaan uitvoeren. Daar waar de [naam verweerder 1] eerst bedrijfsruimte en materiaal verhuurde aan [naam dochtervennootschap] , verhuurt zij dit thans aan [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] . Opdrachten die voorheen door [naam dochtervennootschap] werden geaccepteerd, uitgevoerd en gefactureerd, worden vanaf september 2015 door [naam verweerder 2] , voor zover het [naam verweerder 2] betreft, en door [naam verweerder 3] , voor zover het betonvloeren betreft, geaccepteerd, uitgevoerd en gefactureerd. Kort gezegd, de activiteiten van [naam dochtervennootschap] zijn sinds medio 2016 verhangen naar [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] . [naam verweerder 2] en [naam dochtervennootschap] hebben voor de overname van de activiteiten geen vergoeding, bijvoorbeeld voor goodwill, betaald aan [naam dochtervennootschap] . Dit hoefde volgens verweerders ook niet; er werd immers niets overgenomen. Enkel de nieuwe opdrachten gingen naar de nieuwe vennootschappen. Volgens de verklaring van de accountant van verweerders ter zitting zijn de vorderingen van [naam dochtervennootschap] geïncasseerd, waarmee alle schuldeisers van [naam dochtervennootschap] behalve [gezamenlijke eisers] zijn voldaan.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank was er wel degelijk sprake van waarde binnen [naam dochtervennootschap] waarvan [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] profiteren zonder daarvoor een vergoeding te hebben voldoen. [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] hebben met gebruikmaking daarvan een vliegende start gemaakt. Zij hebben zonder aanloopkosten en met gebruikmaking van het adres, het telefoonnummer, het e-mailadres, het briefpapier, het logo, de Facebookpagina en de website de volledige verdiencapaciteit en goodwill van [naam dochtervennootschap] overgenomen zonder hiervoor te betalen. Dit verhangen van activiteiten zonder vergoeding van de waarde aan [naam dochtervennootschap] en zonder een reële voorziening te treffen of verhaalsmogelijkheden over te laten voor [gezamenlijke eisers] , heeft ertoe geleid dat [naam dochtervennootschap] geen verhaal bood voor [gezamenlijke eisers] . Naar het oordeel van de rechtbank wist of behoorde de bestuurder van [naam dochtervennootschap] , de [naam verweerder 1] , te weten dat het op deze wijze verhangen van de activiteiten tot gevolg zou hebben dat [naam dochtervennootschap] haar verplichtingen jegens [gezamenlijke eisers] niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden. Immers, [naam dochtervennootschap] had nauwelijks activa op de balans staan en was afhankelijk van opdrachten voor een inkomensstroom waarmee de schuldeisers betaald konden worden. Door deze opdrachten ineens weg te houden bij [naam dochtervennootschap] en te geven aan de net opgerichte [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] , werd het [naam dochtervennootschap] feitelijk onmogelijk gemaakt geld te verdienen om haar schuldeisers te voldoen. Ten tijde van de verhanging was het tussenvonnis van 10 juni 2015 al gewezen en de [naam verweerder 1] had vanaf dat moment ernstig rekening moeten houden met de mogelijkheid dat [gezamenlijke eisers] een vordering op [naam dochtervennootschap] zou blijken te hebben. De hiervoor omschreven gang van zaken laat in de omstandigheden van dit geval, in onderling verband en samenhang bezien, geen andere conclusie toe dan dat de bestuurder van [naam dochtervennootschap] welbewust en onverplicht een situatie van betalingsonmacht heeft gecreëerd. De rechtbank is van oordeel dat de [naam verweerder 1] aldus heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer en meer in het bijzonder het handelsverkeer jegens [gezamenlijke eisers] betaamt. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden treft haar hiervoor een ernstig, persoonlijk verwijt. Daarmee heeft de [naam verweerder 1] onrechtmatig jegens [gezamenlijke eisers] gehandeld en de moederschap is aansprakelijk voor de daardoor door [gezamenlijke eisers] geleden schade.

4.6.

Verweerders hebben als verweer gevoerd dat de veranderingen binnen het concern het resultaat zijn van een jarenlange herstructurering van het bedrijf van [naam verweerder 6] . Hij wilde gelet op zijn leeftijd ervoor zorgen dat zijn drie zoons zouden gaan participeren in het bedrijf. Hiertoe is hij in 2007 een vennootschap onder firma aangegaan met [naam verweerder 7] , is zoon [namen zoons] in datzelfde jaar als ZZP-er werk gaan verrichten voor de vennootschap onder firma en is zoon [namen zoons] vanaf maart 2011 als ZZP-er ingeschakeld door het toen al opgerichte [naam dochtervennootschap] . Het uiteindelijke doel was dat zoon [namen zoons] de [naam verweerder 2] op zich zou nemen, [naam verweerder 7] de betonvloeren en [namen zoons] zou zich richten op de werkvoorbereiding en calculatie van opdrachten voor [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] . Ter zitting hebben verweerders hieraan toegevoegd dat ook de grotere risico’s bij de activiteit [naam verweerder 2] en commerciële redenen aan deze herstructurering ten grondslag lagen.

4.7.

Wat hier ook van zij, dit doet niet af aan het oordeel dat er sprake is van frustratie van verhaal door de activiteiten van [naam dochtervennootschap] te verhangen zonder vergoeding en dat de bestuurder van [naam dochtervennootschap] , de [naam verweerder 1] , persoonlijk een ernstig verwijt treft. Vanzelfsprekend mag de [naam verweerder 1] herstructureren, maar deze wijze van herstructurering is onrechtmatig jegens [gezamenlijke eisers] . Daar komt bij dat zoon [namen zoons] en zoon [namen zoons] sinds 15 december 2017 via hun persoonlijke holdings aandeelhouder en (indirect) bestuurders zijn geworden van de [naam verweerder 1] en [naam verweerder 7] al in 2010. Voor het doel van participeren in het bedrijf was het verhangen van de onderneming van [naam dochtervennootschap] overbodig. Voor het doel van het splitsen van de activiteiten was zulks ook niet nodig: daartoe had bijvoorbeeld oprichting van één zustervennootschap volstaan die tegen betaling van een reële vergoeding een deel van de activiteiten van [naam dochtervennootschap] zou overnemen. Maar de keuzes die nu gemaakt zijn, waren te vermijden geweest en zijn onrechtmatig jegens [gezamenlijke eisers] .

Aansprakelijkheid van de persoonlijke holdings, [naam verweerder 6] en [naam verweerder 7] als indirect bestuurders van [naam dochtervennootschap]

4.8.

Artikel 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op artikel 6:162 BW. Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Dit betekent dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.9.

Uit de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW volgt echter wel dat als een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op die grond, een bestuurder van die rechtspersoon-bestuurder aansprakelijkheid op grond van artikel 2:11 BW (alsnog) kan voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275).

4.10.

Verweersters 4 en 5 waren bestuurders van de [naam verweerder 1] ten tijde van de verhanging van [naam dochtervennootschap] . [naam verweerder 6] was en is bestuurder van verweerster 4 en [naam verweerder 7] was en is bestuurder van verweerster 5. Uit het voorgaande vloeit voort dat, gelet op de hiervoor onder rechtsoverweging 4.5. vastgestelde bestuurdersaansprakelijkheid van de [naam verweerder 1] , ook verweersters 4, 5, [naam verweerder 6] en [naam verweerder 7] in beginsel hoofdelijk aansprakelijk zijn.

4.11.

Verweersters 4, 5, [naam verweerder 6] en [naam verweerder 7] hebben, ter voorkoming van aansprakelijkheid, erop gewezen dat hen geen persoonlijk verwijt treft nu de herstructurering verband hield met de bedrijfsopvolging en de wens van de zonen om op een ander (deel)gebied werkzaam te zijn. [naam verweerder 6] en [naam verweerder 7] hebben hierbij geen enkele rol van betekenis gespeeld, aldus verweerders. De rechtbank volgt hen hierin niet. Over de redenen voor de herstructurering heeft de rechtbank in het voorgaande onder 4.7. reeds geoordeeld, waarnaar de rechtbank in dit verband verwijst. Dat [naam verweerder 7] persoonlijk geen enkele rol in deze herstructurering heeft gespeeld is niet onderbouwd en strookt niet met de verklaring van de accountant van verweerders ter zitting dat hij de hernieuwde vennootschapsstructuur heeft besproken met [naam verweerder 6] en [naam verweerder 7] . Bovendien heeft [naam verweerder 6] ter zitting verklaard dat hij de touwtjes van de vennootschap nog in handen wilde houden door bestuurder van [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] te worden. Verweerders 4, 5, [naam verweerder 6] en [naam verweerder 7] zijn dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de door de handelswijze van verweerster 1 voor [gezamenlijke eisers] ontstane schade.

Aansprakelijkheid van [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3]

4.12.

De vorderingen van [gezamenlijke eisers] jegens [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] zijn eveneens gegrond op onrechtmatige daad. Volgens [gezamenlijke eisers] hebben [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] zich onvoldoende de belangen van [gezamenlijke eisers] aangetrokken en deze belangen op onrechtmatige wijze geschonden. Daarnaast hebben [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] willens en wetens onrechtmatig geprofiteerd van de onrechtmatige daad van de [naam verweerder 1] , aldus [gezamenlijke eisers] .

4.13.

[naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] betwisten dat zij onrechtmatig hebben geprofiteerd van de onrechtmatige daad van de [naam verweerder 1] . Er is geen sprake van het willens en wetens ontmantelen van [naam dochtervennootschap] met als enige doel verhaal door [gezamenlijke eisers] onmogelijk te maken en daarmee zijn belangen te frustreren. De beoogde oprichting van de diverse vennootschappen was ruimschoots voor de juridische procedure tussen [naam dochtervennootschap] en [gezamenlijke eisers] ingezet. Daarnaast was geen sprake van het onderbrengen van activa of activiteiten in de nieuwe vennootschappen. [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] hebben slechts nieuwe opdrachten aangenomen en uitgevoerd.

4.14.

[naam verweerder 6] is direct bestuurder van [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] en indirect bestuurder van [naam dochtervennootschap] . De [naam verweerder 1] is enig aandeelhouder van zowel [naam dochtervennootschap] als [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] . Er is daarmee sprake van nauwe verwevenheid tussen de vennootschappen. [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] hebben geprofiteerd van de verhanging van de onderneming van [naam dochtervennootschap] . Dit kan ook niet anders nu de opdrachten die normaal gesproken door [naam dochtervennootschap] zouden worden uitgevoerd en gefactureerd vanaf hun oprichting door [naam verweerder 2] en [naam dochtervennootschap] werden uitgevoerd en gefactureerd. [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] waren voorts via hun bestuurder bekend met de verplichtingen van [naam dochtervennootschap] aan [gezamenlijke eisers] en dienden zich te realiseren dat door hun handelwijze, het niet vergoeden van de waarde van de van [naam dochtervennootschap] overgenomen bedrijfsactiviteiten, [naam dochtervennootschap] geen verhaal meer zou bieden voor de vordering van [gezamenlijke eisers] . Door toch mee te werken aan de verhanging van de onderneming van [naam dochtervennootschap] op de wijze als hiervoor onder 4.4. en 4.5. omschreven, hebben [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] onrechtmatig gehandeld jegens [gezamenlijke eisers] .

Conclusie

4.15.

De gevorderde verklaring voor recht zal gelet op het voorgaande worden toegewezen. Ook zullen verweerders hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade aan [gezamenlijke eisers] .

Omvang van de schade

4.16.

[gezamenlijke eisers] stelt dat zijn schade bestaat uit een bedrag gelijk aan zijn vordering op [naam dochtervennootschap] , te weten een bedrag groot € 119.010,09. Ter onderbouwing verwijst hij naar een begroting door een deurwaarder.

4.17.

De omvang van de schade van [gezamenlijke eisers] moet worden bepaald door de financiële positie waarin [gezamenlijke eisers] door het onrechtmatig handelen van verweerders is komen te verkeren te vergelijken met de financiële positie waarin zij zou hebben verkeerd zonder dit onrechtmatig handelen.

4.18.

[naam dochtervennootschap] is veroordeeld om aan [gezamenlijke eisers] te betalen:

- € 73.000,-- te vermeerderen met btw en wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 3 juni 2014 tot de dag van volledige betaling

- € 1.545,71 aan buitengerechtelijke kosten

- € 17.262,14 aan proceskosten in de hoofdzaak

- € 1.426,02 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis aan kosten in de vrijwaringszaak

- € 199,-- aan nakosten.

4.19.

Bovenstaande bedragen zijn onverhaalbaar gebleken als gevolg van het onrechtmatig handelen van verweerders. Ook de door [gezamenlijke eisers] nadien gemaakte executiekosten ad € 2.183,46 en betekeningskosten ad € 80,04 (totaal: € 2.2.263,50) waren zonder het onrechtmatig handelen van verweerders niet gemaakt en zijn daarom toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is dat [naam dochtervennootschap] niet in staat zou zijn geweest deze bedragen te voldoen als verweerders niet onrechtmatig zouden hebben gehandeld. Dit ligt ook niet voor de hand gelet op de resultaten die [naam verweerder 2] en [naam verweerder 3] hebben geboekt en waarvan moet worden aangenomen dat [naam dochtervennootschap] deze zou hebben geboekt als de verhanging niet zou hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat deze bedragen tezamen de schade is die [gezamenlijke eisers] heeft geleden door het onrechtmatig handelen van verweerders en dat deze bedragen derhalve zullen worden toegewezen op de hierna te vermelden wijze. Omdat niet over alle posten wettelijke rente is toegewezen in de procedure tegen [naam dochtervennootschap] en/of geen rente is gevorderd in de onderhavige zaak is een onderverdeling gemaakt voor wat betreft de rente.

4.20.

Verweerders hebben erop gewezen dat de schade nog niet vast staat nu [naam dochtervennootschap] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in de vrijwaringszaak. Dit doet niet af aan het feit dat de huidige stand van zaken is dat [naam dochtervennootschap] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, is veroordeeld tot betaling van voornoemde bedragen aan [gezamenlijke eisers] en dat door het onrechtmatig handelen van verweerders het verhaal van [gezamenlijke eisers] van deze bedragen op [naam dochtervennootschap] is gefrustreerd. Zonder het onrechtmatig handelen van verweerders had [gezamenlijke eisers] deze bedragen in rechte kunnen verhalen op [naam dochtervennootschap] .

4.21.

Verweerders zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gezamenlijke eisers] worden begroot op:

- betekening oproeping € 103,38

- griffierecht 1.565,00

- salaris advocaat 3.414,00 (2,0 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 5.082,38

4.22.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat verweerders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de onrechtmatige gedraging als hiervoor omschreven;

5.2.

veroordeelt verweerders hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [gezamenlijke eisers] te betalen een bedrag van € 93.432,87 (drieënnegentig duizendvierhonderdtweeëndertig euro en zevenentachtig eurocent) waarvan € 73.000,-- exclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente over:

- het bedrag van € 73.000,-- en de daarover te berekenen btw met ingang van 3 juni 2014

- het bedrag van € 1.426,02 met ingang van de veertiende dag na betekening van het vonnis van 7 december 2016 aan [naam dochtervennootschap]

- het bedrag van € 1.545,71 met ingang van 3 juli 2018

- het restantbedrag met ingang van de datum van de procesinleiding

tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt verweerders hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [gezamenlijke eisers] te betalen een bedrag van € 2.263,50 aan executiekosten en betekeningskosten betreffende de procedure tegen [naam dochtervennootschap] ,

5.4.

veroordeelt verweerders hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gezamenlijke eisers] tot op heden begroot op € 5.082,38, te vermeerderen met de wettelijke over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt verweerders in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat verweerders niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. tot en met 5.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2019.