Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4398

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
05/800090-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling mishandeling partner en bezit verboden slagwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/800090-17

Datum uitspraak : 2 oktober 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 september 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Rheden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen doordat hij die [slachtoffer] (met kracht)

eenmaal of meerdere malen (met een stuk hout in de vorm van een (honkbal)knuppel, althans een voorwerp)

in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam

heeft geslagen en/of heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Rheden, althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) eenmaal of meermalen - (met een stuk hout in de vorm van een (honkbal)knuppel, althans een voorwerp) in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of - die [slachtoffer] bij de haren beet te pakken en/of aan de haren te trekken;

2.

hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Rheden, althans in Nederland, (een) stuk hout in de vorm van een (honkbal)knuppel, zijnde (een) voorwerp(en) als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Aangeefster [slachtoffer] en verdachte hebben sinds oktober 2015 een relatie. Op 30 maart 2017 zijn verdachte en aangeefster in de auto gestapt. Verdachte heeft aangeefster meerdere malen hard met de vlakke hand geslagen op haar benen, gezicht en hoofd en heeft haar ook gestompt op haar benen. Hij heeft een knuppel uit de auto gehaald.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging zware mishandeling (feit 1 primair). Verdachte heeft zich wel schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel (feit 1 subsidiair). Hij heeft haar meermalen met kracht geslagen en gestompt op haar gezicht, hoofd en lichaam. Ook heeft hij haar geslagen met een (honkbal)knuppel. Verder kan ook het dragen van een (honkbal)knuppel (feit 2) wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging zware mishandeling. De verdediging is het niet eens met de officier van justitie dat verdachte zou hebben geslagen met een (honkbal)knuppel, omdat dit alleen volgt uit de verklaring van aangeefster. In de letselrapportage wordt niet uitgesloten dat het letsel is ontstaan door het slaan met een hand. Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte aangeefster heeft geslagen met een knuppel. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar op 30 maart 2017 meerdere malen met zijn vuisten op haar hoofd en gezicht heeft geslagen. Ook heeft hij haar met een knuppel op haar hoofd, hand en benen geslagen. Deze knuppel had hij in de auto liggen. Zij was erg bang en zei: “niet doen” maar verdachte ging gewoon door. Hierdoor voelde zij zich angstig en had zij pijn. Aangeefster heeft door het slaan en stompen (hoofd)letsel opgelopen. 3

De verklaring van aangeefster vindt steun in de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Deze getuigen hebben aangeefster korte tijd na de mishandeling opgevangen. Zij hebben gezien dat aangeefster letsel en pijn had. Daarnaast hebben zij aangeefster horen zeggen dat zij door verdachte was geslagen met de vuist en met een stok op haar hoofd en polsen. Dit verhaal komt overeen met de verklaring die aangeefster kort daarna bij de politie heeft afgelegd en waarbij zij consistent heeft verklaard dat verdachte haar naast het slaan en stompen op haar gezicht en hoofd, ook met een knuppel op haar hoofd, hand en benen heeft geslagen. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij een knuppel in de auto had liggen en deze ten tijde van de mishandeling ook uit de auto heeft gepakt. Zijn verklaring dat hij hiermee niet op het lichaam van aangeefster heeft geslagen, acht de rechtbank gelet op al het voorgaande niet aannemelijk. Uit de letselrapportage volgt dat het merendeel van de onderzochte letsels past bij toegebracht letsel door een hard stomp voorwerp zoals een vuist of houten voorwerp.4

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangeefster meerdere keren met kracht heeft geslagen of gestompt op het gezicht, het hoofd en het lichaam van aangeefster. Hierdoor heeft zij pijn en letsel ervaren. Daarnaast acht de rechtbank bewezen, in tegenstelling tot de raadsvrouw, dat verdachte aangeefster heeft geslagen op haar hoofd en hand met een stuk hout in de vorm van een (honkbal)knuppel.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 50;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 57 e.v.;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2019.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Rheden, althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) eenmaal of meermalen - (met een stuk hout in de vorm van een (honkbal)knuppel, althans een

voorwerp) in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen

het lichaam te slaan en/of te stompen en/of - die [slachtoffer] bij de haren beet te pakken en/of aan de haren te trekken;

2.

hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Rheden, althans in Nederland, (een) stuk hout in de vorm van een (honkbal)knuppel, zijnde (een) voorwerp(en)

als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een wapen van categorie IV.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de mishandeling van zijn partner wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 70 uur (met aftrek), te vervangen door 35 dagen hechtenis. De officier van justitie houdt daarbij in het voordeel van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Aan het voorwaardelijk deel dienen de volgende bijzondere voorwaarden te worden verbonden: een meldplicht en deelname aan de gedragsinterventie BORG (stoppen van partnergeweld). Voor het dragen van een (honkbal)knuppel heeft de officier van justitie een geldboete van € 225,-- gevorderd te vervangen door 4 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht uitsluitend een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een werkstraf op te leggen. Bij de duur van de straf dient rekening te worden gehouden met het overschrijden van de redelijke termijn. Verdachte zal zich aan alle voorwaarden houden die de rechtbank oplegt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 6 augustus 2019 en

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 28 maart 2019.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van huiselijk geweld tegen zijn levensgezel, waardoor zij pijn en letsel heeft opgelopen. Hij heeft haar meerdere malen geslagen en gestompt op haar gezicht, hoofd en lichaam en daarbij ook gebruik gemaakt van een (honkbal)knuppel. Het is een wonder dat zij hieraan slechts beperkt letsel heeft overgehouden. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de gevoelens van veiligheid en de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . De rechtbank rekent verdachte dit zeer aan. Van slachtoffers van mishandeling is bekend dat zij een dergelijke gebeurtenis als zeer traumatisch kunnen ervaren en dat zij nog lang last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat

verdachte de zorg draagt voor zijn jonge dochter en hij kennelijk weer op goede voet staat met zijn partner. Daarnaast zijn er sinds 30 maart 2017 geen nieuwe strafbare feiten gemeld bij de politie. De rechtbank houdt eveneens rekening met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De vervolging is reeds aangevangen op 31 maart 2017, toen verdachte in deze zaak in verzekering is gesteld. Het heeft vervolgens 2 jaar en 6 maanden geduurd voordat de rechtbank uitspraak doet. De redelijke termijn is dus met 6 maanden overschreden.

Alles afwegend en rekening houdende met de strafmaat in soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals gevorderd door de officier van justitie recht doet aan de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal dan ook aan verdachte opleggen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast acht de rechtbank het uitvoeren van een werkstraf van 70 uur passend en geboden. Voor het dragen van een (honkbal)knuppel legt de rechtbank een geldboete op van € 225,--.

Gelet op de agressieproblematiek van verdachte en de bereidheid van verdachte hieraan te werken, zal de rechtbank met het oog op voorkoming van recidive verdachte onder toezicht stellen van de reclassering en aan het voorwaardelijke deel de volgende bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht en deelname aan de gedragsinterventie BORG (stoppen van partnergeweld).

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 23, 24c, 62, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet Wapens en Munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich uiterlijk binnen vijf werkdagen na dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland, Nieuwe Oeverstraat 65, 6811 JB te Arnhem;

5. actief deelneemt aan de gedragsinterventie BORG, de justitiële interventie gericht op het voorkomen van partnergeweld en zich hierbij houdt aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot het verrichten van een werkstraf gedurende 70 (zeventig) uren, met bevel dat, indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 35 (vijfendertig) dagen;

 bepaalt dat deze werkstraf binnen één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid;

 de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is;

beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (1 dag = 2 uren) geheel in mindering worden gebracht;

 veroordeelt verdachte voorts wegens het bewezenverklaarde voor de overtreding (feit 2) tot een geldboete van € 225,-- (tweehonderdvijfentwintig) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E. Venema (voorzitter), H.P.M. Kester en mr. M.A. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 oktober 2019.

mr. M.A. van Leeuwen en mr. J.M.P. van der Meulen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer [nummer] , gesloten op 7 april 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 57 en 58.

3 Letselrapportage opgesteld door [naam] , p. 63 e.v.

4 Letselrapportage opgesteld door [naam] , p. 63.