Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4371

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
19-4867
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning Opiumwet, aannemelijk dat verzoeker drugs vanuit zijn woning verkocht, burgemeester bevoegd woning te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/4867

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2019 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. L.S. ter Haar),

en

de burgemeester van de gemeente Nunspeet, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Janszen).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker gelast zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] met ingang van 30 augustus 2019 voor de duur van drie maanden te sluiten en gesloten te houden.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en het besluit van 26 augustus 2019 geschorst.

Het vervolgonderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en door A.H. Hinderks.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Waarop is de sluiting van de woning gebaseerd?

2. Op 12 augustus 2019 heeft verweerder een bestuurlijke rapportage ontvangen van de politie, eenheid Oost-Nederland, District Noord Oost Gelderland. In deze bestuurlijke rapportage concludeert de politie op basis van uitgevoerd onderzoek dat vanuit de woning van verzoeker aan de [adres] in [woonplaats] gehandeld wordt in verdovende middelen. Op 17 juli 2019 is in het kader van het onderzoek de woning van verzoeker doorzocht. Hierbij zijn geen verdovende middelen aangetroffen. Wel zijn in de schuur bij de woning een weegschaaltje en diverse gripzakjes aangetroffen. In de keuken is een lepel met weegmechanisme aangetroffen, met daarin witte poederresten.

3. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien om verzoeker op grond van artikel 13b van de Opiumwet te gelasten de woning aan de [adres] in [woonplaats] te sluiten en gesloten te houden voor de duur van drie maanden.

De ordemaatregel en het vervolg

4. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat in het kader van het onderzoek een aantal mensen is gehoord. Een persoon heeft verklaard van verzoeker drugs te hebben gekocht, maar niet waar deze koop plaatsvond. Twee personen hebben verklaard dat zij van verzoeker drugs hebben gekocht in zijn woning aan de [adres]. Verzoeker heeft met name deze laatste twee verklaringen betwist. Hij stelt dat dit verklaringen zouden betreffen van zijn bovenburen. Tegen deze bovenburen heeft hij bij de politie klachten ingediend over door hen veroorzaakte (geluids)overlast. Verweerder heeft benadrukt dat hij meer informatie heeft over deze getuigenverklaringen, doch dat hij daar in verband met privacy en veiligheidsoverwegingen ter zitting geen verdere mededelingen over kan doen.

4.1.

De twee verklaringen zijn van belang voor het standpunt van verweerder dat vanuit de woning van verzoeker is gehandeld in (hard)drugs. Verzoeker heeft deze verklaringen gemotiveerd betwist. Zonder nadere informatie kon de voorzieningenrechter niet beoordelen of het bestreden besluit in bezwaar stand zal houden. Gelet op de vergaande gevolgen die een woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor verzoeker heeft, heeft de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 3 september 2019 aanleiding gezien om een ordemaatregel te treffen en het besluit van 26 augustus 2019 te schorsen. Daarom ligt nu de vraag voor of er aanleiding is de schorsing te handhaven, dan wel op te heffen of te wijzigen.

Was verweerder bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?

5. Verweerder heeft na de ordemaatregel nadere stukken overgelegd, te weten een aanvullende bestuurlijke rapportage van 9 september 2019, een proces-verbaal van bevindingen van 17 juli 2019 over de observatie van de woning van verzoeker, de aanhouding van verzoeker en de doorzoeking van zijn woning, de processen-verbaal van verhoor van verzoekers bovenburen en een (geanonimiseerd) mutatierapport van het buurtonderzoek aan de [adres] in [woonplaats] op 5 september 2019. Verweerder heeft het mutatierapport overgelegd zonder voor die anonimisering een beroep te doen op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is op de zitting besproken en partijen zijn het er over eens dat er geen bezwaar bestaat dat de voorzieningenrechter zijn oordeel mede baseert op dat geanonimiseerde stuk.

5.1.

Verzoeker betoogt dat uit de bestuurlijke rapportages niet kan worden afgeleid dat er sprake was van een handelsvoorraad drugs en dat verweerder reeds daarom niet bevoegd was de woning te sluiten.

5.2.

De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Het is vaste rechtspraak dat verweerder ook bevoegd is om tot sluiting van een woning op grond van artikel 13b Opiumwet over te gaan indien geen drugs zijn aangetroffen in de woning, maar op grond van andere feiten en omstandigheden aannemelijk is dat drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in de woning.1 Uit de processen-verbaal van verhoor van beide bovenburen en van een andere afnemer en de bestuurlijke rapportages blijkt dat vanuit de woning is verkocht en dat het daarbij om handelshoeveelheden ging. Verweerder was daarom bevoegd de woning te sluiten. Dat de strafzaak tegen verzoeker nog niet is afgerond en derhalve niet in strafrechtelijke zin vaststaat of verzoeker veroordeeld zal worden, maakt dit niet anders.2 Deze grond van verzoeker slaagt niet.

Kon verweerder in redelijkheid tot deze sluiting van de woning overgaan?

6. Bij de uitvoering van de sluitingsbevoegdheid maakt verweerder gebruik van de door hem vastgestelde “Beleidsregels Artikel 13b Opiumwet gemeenten basisteam Veluwe Noord”. Sluiting voor de duur van drie maanden is in overeenstemming met het beleid.

6.1.

Verweerder dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.3 Aan de voor bewoner mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op een woning - die raakt aan het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht – dient een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of verweerder in redelijkheid van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is.4

6.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om af te zien van oplegging van de last tot sluiting. Wat verzoeker heeft aangevoerd, is onvoldoende om de last tot sluiting onevenredig te achten.

De conclusie

7. Gelet op het voorgaande is er geen reden om te veronderstellen dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal kunnen houden. De schorsing van het bestreden besluit wordt daarom opgeheven. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij verzoeker na de uitspraak van de voorzieningenrechter een week de tijd zal geven om aan de last te voldoen. Dit is niet onredelijk. De voorzieningenrechter heft de schorsing daarom op met ingang van een week na de verzending van deze uitspraak.

8. Omdat verweerder in eerste instantie onvoldoende stukken had overgelegd om het besluit te beoordelen heeft een tweede zitting plaatsgevonden. Verweerder wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht en twee procespunten voor het indienen van een verzoekschrift en de eerste zitting. Voor het toekennen van de verletkosten van de broer van verzoeker bestaat geen aanleiding omdat de broer geen procespartij is.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    heft de schorsing van het besluit van 26 augustus 2019 op met ingang van een week na de verzending van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.024.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Vergelijk ABRvS 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:993.

2 Vergelijk ABRvS 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2181.

3 Vergelijk ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840. Artikel 4:84 van de Awb luidt: het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met die beleidsregel te dienen doelen.

4 Vergelijk ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362.