Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4340

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3686 en 18_3687
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag BPM en vergrijpboete. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn woonplaats in Nederland had. De beroepen zijn gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-04-2020
V-N Vandaag 2020/1103
FutD 2020-1412
V-N 2020/26.30.7
NTFR 2020/1301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 18/3686 en AWB 18/3687

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[eiser] , domicilie kiezend te [eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. [naam gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 23 januari 2018 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .0.0010) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 10.536 en bij beschikking een belastingrente van € 481 in rekening gebracht. Daarnaast heeft verweerder een vergrijpboete opgelegd van € 5.268 (aanslagnummer [000] .0.0017).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 mei 2018 de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld. De procedure over de gehandhaafde naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente is in behandeling genomen onder zaaknummer AWB 18/3686. De procedure over de gehandhaafde vergrijpboete is in behandeling genomen onder zaaknummer AWB 18/3687.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [persoon A] MSc, [persoon B] en [persoon C] .

Overwegingen

1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft een zoon met [de vrouw] ( [de vrouw] ). [de vrouw] woont op het adres [adres] te [plaats in Nederland] . In de Basisregistratie Personen is vermeld dat eiser tot 2 maart 2015 in Nederland woonde waarna hij naar een adres in Polen is vertrokken. Op 3 december 2015 heeft eiser een bestelauto van het merk Mercedes Vito (hierna: de bestelauto) in België geregistreerd.

2. Verweerder heeft een naheffingsaanslag BPM opgelegd omdat eiser op 3 december 2015 in Nederland woonde en hij met een niet in Nederland geregistreerde bestelauto gebruik maakte van de Nederlandse weg. Verweerder heeft bij die aanslag belastingrente in rekening gebracht. Verder heeft verweerder aan eiser een vergrijpboete opgelegd van 50% van de boetegrondslag.

Geschil

3. In geschil is of eiser terzake van de bestelauto BPM verschuldigd is en meer in het bijzonder of eiser op 3 december 2015 in Nederland woonde.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op 3 december 2015 in
[plaats in Nederland] woonde bij [de vrouw] en hun minderjarige zoon. Nadat de auto in beslag was genomen door de ontvanger, is namelijk gebleken dat het adres in [plaats in Nederland] als thuisadres in het navigatiesysteem van de bestelauto was ingevoerd. Verder is de auto van eiser in de periode van 18 maart 2016 tot 11 juni 2017 23 keer waargenomen op dit adres. Uit onderzoek is voorts gebleken dat de auto van eiser in onderhoud was bij een garagebedrijf in [plaats in Nederland] en dat eiser zijn auto als vaste klant regelmatig liet wassen bij [bedrijf D] in [plaats in Nederland] . Eén factuur van Vakantiepark [naam vakantiepark] in België is gericht aan eiser met het adres in [plaats in Nederland] . Eiser woonde in ieder geval niet op het opgegeven referentieadres in België. Uit onderzoek blijkt namelijk dat op dit adres een schoolgebouw staat en geen woning. Desgevraagd hebben de Belgische autoriteiten bevestigd dat eiser niet woont op het adres waarop hij ingeschreven staat. Uit de aanslagen personenbelasting en omzetbelasting is niet af te leiden dat eiser een bedrijf heeft in België gelet op de lage omzet- en inkomensgegevens. De verklaringen van eiser zijn hoe dan ook niet geloofwaardig omdat eiser bij zijn vertrek op 3 maart 2015 uit Nederland een adres heeft opgegeven in Polen, terwijl dat niet juist blijkt te zijn.

5. Eiser betoogt dat hij sinds maart 2015 in België woont en werkt. Eiser heeft een bedrijf in gereedschappen met afzetgebieden in België en Duitsland. Hij reist voor zijn onderneming van de ene naar de andere regio waar hij dan enige tijd op een camping verblijft in zijn caravan. Omdat hij door zijn werkzaamheden geen vaste woonplaats heeft, is hij ingeschreven bij het bevolkingsregister op het adres van de vereniging [naam vereniging] in [plaats 1 in België] . Eiser heeft nooit samengewoond met zijn ex-vriendin [de vrouw] . Hun vijftienjarige zoon woont op doordeweekse dagen bij eiser en in de weekenden bij [de vrouw] . De zoon van eiser gaat naar school in [plaats 2 in België] (België). Eiser organiseert zijn werkzaamheden, en het verblijf op een camping, zo dat de reisafstand naar de school overbrugbaar is. In de perioden dat zijn zoon vakantie heeft, bezoekt eiser de afzetgebieden die verder weg zijn gelegen. Eiser komt regelmatig in [plaats in Nederland] om zijn zoon weg te brengen en op te halen, maar ook voor familiebezoek. Hij laat dan wel eens zijn bestelauto wassen. Eiser heeft zijn bestelauto bij een Nederlands garagebedrijf gekocht, dat een keer een gebrek heeft verholpen dat onder de garantie viel.

Volgens eiser had hij bij registratie van de bestelauto in Nederland vrijstelling kunnen krijgen voor de BPM omdat hij ondernemer is. Hij had daarom geen enkel belang bij een verkeerde registratie van zijn bestelauto of woonplaats.

Beoordeling van het geschil

6. In artikel 1, zesde lid, van de Wet BPM is bepaald dat ingeval een niet geregistreerde bestelauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, de belasting is verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

7. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR wordt waar iemand woont naar de omstandigheden beoordeeld. Daarbij heeft volgens vaste jurisprudentie als uitgangspunt te gelden dat een natuurlijke persoon zijn woonplaats in Nederland heeft indien deze persoon daarmee een duurzame betrekking van persoonlijke aard heeft. 1

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in het licht van de gemotiveerde betwisting door eiser, niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser op 3 december 2015 in Nederland woonde. Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op het feit dat [de vrouw] (met wie eiser een kind heeft) in 2015 in [plaats in Nederland] woonde, dat de bestelauto vaak is gezien op haar adres en dat eiser de bestelauto regelmatig liet wassen in [plaats in Nederland] . Uit deze feiten is echter niet zonder meer af te leiden dat eiser in 2015 in Nederland woonde. Eiser heeft namelijk erkend dat hij vaak in Nederland was om zijn zoon weg te brengen naar zijn ex-vriendin en om zijn familie te bezoeken, hetgeen verklaart waarom eiser vaak in
was. Eisers verklaringen over zijn werkzaamheden en steeds wisselende woonplaats in België zijn consistent en bovendien onderbouwd met diverse stukken. Uit die stukken blijkt dat eisers zoon in 2015 naar een Belgische school ging, dat eiser zich in maart 2015 heeft ingeschreven bij een Belgische huisarts, dat eiser was aangemeld bij de Belgische ziekenkas en was verzekerd bij de [naam verzekeringsbedrijf] en dat eiser vanaf 2015 omzet en inkomen heeft opgegeven bij de Belgische belastingdienst. Uit de gegevensuitwisseling met de Belgische autoriteiten is ook niet af te leiden dat eiser niet in België woonde. Deze gegevens ondersteunen juist het standpunt van eiser dat hij een reizend bestaan leidde en zich daarom moest inschrijven in het bevolkingsregister op een referentie- oftewel postadres. De rechtbank kan verder op basis van twee foto’s van het display van het navigatiesysteem niet vaststellen dat eiser het adres in [plaats in Nederland] had ingevoerd als thuisadres. Het lag op de weg van verweerder om daarover meer gegevens uit of over het navigatiesysteem over te leggen, maar verweerder heeft dat nagelaten. Dat op een factuur van een Belgische camping “Vakantiepark [naam vakantiepark] ” het adres in [plaats in Nederland] is vermeld, maakt het oordeel niet anders aangezien deze factuur geen betrekking heeft op 2015. Bovendien heeft eiser een factuur in het geding gebracht, die ziet op de maand september 2015, waarop het referentieadres in België is vermeld. Dat eiser bij zijn vertrek uit Nederland bij de Basisadministratie Personen een adres in Polen heeft opgegeven maakt zijn verklaringen niet ongeloofwaardig. Daaruit kan namelijk niet meer worden afgeleid dan dat eiser toentertijd kennelijk plannen had om daarheen te verhuizen en dat deze plannen niet zijn doorgegaan.

9. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser in Nederland woont, slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. Het beroep tegen de naheffingsaanslag is gegrond.
Omdat de naheffingsaanslag zal worden vernietigd, is ook het beroep tegen de gehandhaafde boetebeschikking gegrond. De uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking zullen worden vernietigd.

10. De rechtbank vindt aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.278 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1 vanwege twee samenhangende zaken). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente;

- vernietigt de boetebeschikking;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.278;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 170 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. J.J. Westerbaan en mr. K. Gilhuis, rechters, in tegenwoordigheid van S. Lensink MSc, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 onder meer arresten van de Hoge Raad van 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285, en van 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824