Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:434

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1209
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor een pluimveehouderij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1209

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2019

in de zaak tussen

[naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] ,

allen te Winssen, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] , te Winssen

(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders)

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de activiteit “milieu” voor de oprichting van een pluimveehouderij.

Eisers hebben beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Namens eisers is [naam 1] verschenen, bijgestaan door gemachtigde [naam 6] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, P. Rosendaal en L. Zaal. Voorts zijn verschenen [derde belanghebbende 2] , bijgestaan door zijn mr. M.I.J. Toonders en ing. R.J.M.B. Derks.

Overwegingen

1. Op 5 juli 2016 heeft [derde belanghebbende 2] een aanvraag ingediend voor het oprichten van een pluimveehouderij met 84.800 vleeskuikens op het perceel [adres] te [plaats] . De aanvraag ziet op de eerste fase van de vergunningverlening en betreft de omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” (milieuvergunning) op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 1o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de tweede fase zal een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo) worden aangevraagd.

Eisers wonen in de omgeving van het perceel, en zij vrezen overlast door de pluimveehouderij. Zij hebben daarom (tijdig) een zienswijze tegen de ontwerp-milieuvergunning van 3 februari 2017 ingediend en vervolgens beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de verleende milieuvergunning.

2. Ter zitting hebben eisers de beroepsgrond met betrekking tot de aantasting van de volksgezondheid ingetrokken.

Artikel 2.5.3.1 Omgevingsverordening

3.1.

Eisers betogen dat de milieuvergunning in strijd is met artikel 2.5.3.1 van de omgevingsverordening Gelderland, omdat door de verkoop van het perceel aan [derde belanghebbende 1] niet langer sprake is van een verhuizing van een bestaand bedrijf.

3.2.

Artikel 2.5.3.1 van de Omgevingsverordening luidt als volgt:

“In bestemmingsplannen wordt nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven niet toegestaan.”

3.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het toetsingskader voor een milieuvergunning wordt gevormd door artikel 2.14, derde lid, van de Wabo. De milieuvergunning kan op grond van dit artikel slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Binnen dit toetsingskader is geen ruimte voor een toets aan de Omgevingsverordening. Dit betreft een grond die in het kader van de procedure tegen het bestemmingsplan had kunnen worden aangevoerd.

De beroepsgrond slaagt niet.

Uitvoerbaarheid

4.1.

Eisers betogen dat de pluimveehouderij in de aangevraagde omvang van 5060 m² en met 84.800 vleeskuikens economisch niet rendabel is. Volgens eisers is de pluimveehouderij pas rendabel als deze wordt uitgebreid tot vier maal het huidige bouwvlak, en dit is in strijd met het bestemmingsplan.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals hiervoor is aangegeven kan de milieuvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. De beroepsgrond van eisers heeft betrekking op de (economische) uitvoerbaarheid. Ook dit punt kan niet in het beroep tegen de milieuvergunning aan bod komen. Eisers hebben deze beroepsgrond in de procedure tegen het bestemmingsplan aan kunnen voeren.

De rechtbank is overigens niet gebleken dat een pluimveehouderij met 84.800 vleeskuikens niet rendabel te exploiteren valt.

De beroepsgrond slaagt niet.

MER

5.1.

Eisers betogen dat een milieueffectrapportage (MER) had moeten worden opgesteld. Volgens eisers valt niet uit te sluiten dat op enig moment meer dan 85.000 stuks pluimvee in het bedrijf aanwezig zijn.

5.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

Of een MER-plicht bestaat is afhankelijk van de vraag of de drempelwaarde van 85.000 stuks pluimvee wordt overschreden. Daarvoor wordt gekeken naar hetgeen is aangevraagd. Omdat de aanvraag de drempelwaarden niet overschrijdt, bestond geen MER-plicht.

De beroepsgrond slaagt niet.

Indirecte geluidhinder

6.1.

Eisers betogen dat overlast door het af- en aanrijden van (vracht)verkeer onvoldoende is onderzocht. Volgens eisers wordt het (vracht)verkeer pas in het verkeersbeeld opgenomen bij het passeren van de kruising met de Koningstraat.

6.2.

Aan de omgevingsvergunning is het geluidsonderzoek van Sain milieuadvies van 5 augustus 2016 ten grondslag gelegd. Verweerder stelt zich, evenals Sain, op het standpunt dat het verkeer van en naar de inrichting ter hoogte van de omliggende woningen in het heersende verkeersbeeld is opgenomen. Daarom hoeft het aspect “indirecte geluidhinder” niet verder te worden onderzocht.

Verweerder heeft (ten overvloede) wel de geluidhinder als gevolg van dit verkeer berekend. Daarbij is in de nachtperiode uitgegaan van 9 vervoersbewegingen met vrachtwagens, met een bronvermogen voor een vrachtwagen van 104 dB. Uit de berekening blijkt dat de grenswaarde van 50 dB uit de circulaire “Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met de vergunningverlening w.m.” van de minister van VROM van 29 februari 1996 niet wordt overschreden, aldus verweerder.

6.3.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in onder meer de uitspraak van 8 augustus 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB1305) heeft overwogen worden de gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de inrichting niet meer aan een inrichting toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval indien dit verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.

6.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning van eisers heeft een vrachtwagen afkomstig van de inrichting reeds 600 meter afgelegd. Ter hoogte van de woningen van eisers zullen de vrachtwagens op snelheid zijn en zich door hun rijgedrag niet langer onderscheiden van ander verkeer dat zich ter plaatse kan bevinden. Dat het verkeer voor eisers herkenbaar zal zijn als afkomstig van de inrichting – omdat tot de kruising met de Koningstraat niet of nauwelijks sprake is van (vracht)verkeer – is bij deze beoordeling niet van belang. Het gaat om verkeer dat zich op de Begijnenstraat kan bevinden.

Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de vrachtwagens ter hoogte van de woningen zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit betekent dat de milieugevolgen van dit verkeer ter plaatse van deze woningen niet meer kunnen worden toegerekend aan de inrichting. Omdat de hinder niet aan de inrichting kan worden toegerekend, bestaat ook geen noodzaak om de rijrichting van het vrachtverkeer via een voorschrift in de milieuvergunning te reguleren.

De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzitter, mr. drs. M.S.T. Belt en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 10 januari 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.