Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4308

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
02-12-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6087
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffingsaanslag. Invoer gebruikte auto al dan niet met schade.

Beide partijen beroepen zich voor de handelsinkoopwaarde voor aftrek van schade op een koerslijst van XRAY. De daaruit volgende waarden lopen zeer sterk uiteen. Niet duidelijk is hoe dit komt.

Het bewijsrisico rust op eiser, omdat hij zich beroept op een vermindering van de BPM. Eiser heeft zijn stellingen voldoende onderbouwd. De inspecteur heeft louter op het verschil gewezen. Eiser heeft erop gewezen dat zijn koerslijst door XRAY zelf is opgesteld. Dit blijkt ook uit een daarbij gevoegde mail. Verweerder heeft niet gesteld dat XRAY van onjuiste gegevens is uitgegaan.

De auto heeft tussen de aangifte en de registratie aanzienlijke schade opgelopen. Daardoor is het volgens eiser nu een auto met schadeverleden, wat een blijvende waardevermindering oplevert. De rechtbank gaat hieraan voorbij, omdat eiser geen nieuwe taxatie heeft overgelegd om die waardevermindering te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-12-2019
V-N Vandaag 2019/2765
FutD 2019-3221
DouaneUpdate 2019-0486
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/6087

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2019

in de zaak tussen

[X] h.o.d.n. [X] te [Q] , eiser
(gemachtigde: mr. [A] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 18 oktober 2018, waarbij het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) met aanslagnummer [XXX] ongegrond is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2019. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [B] en mr. [C] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.503;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.532;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 24 november 2017 aangifte voor de BPM gedaan voor een Audi A6 RS6, met als datum eerste toelating [XX XX] 2008 (hierna: de auto). Eiser heeft de aangifte gebaseerd op een taxatierapport, opgemaakt door een taxateur van [E] (hierna: de taxateur). De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 2.169. Daarbij heeft hij de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat bepaald op € 7.025 aan de hand van een koerslijst van XRAY. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 4.856 in mindering gebracht in verband met schade aan de auto.

2. Verweerder heeft een hertaxatie van de auto laten uitvoeren door een medewerker van [F] ( [F] ) te [p] . In het rapport van hertaxatie is de handelsinkoopwaarde bepaald op € 14.615 aan de hand van een koerslijst van XRAY. Hierop is geen waardevermindering in verband met schade toegepast. Verweerder heeft een bedrag van € 3.685 nageheven en € 33 belastingrente in rekening gebracht.

3. In geschil is of de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij is de handelsinkoopwaarde voor aftrek van schade in geschil en ook is in geschil of sprake is van schade aan de auto en zo ja, tot welke waardevermindering dat leidt. In dat verband heeft eiser ook aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig en met vooringenomenheid heeft gehandeld.

4. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van [F] geen erkend taxateur in de zin van artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is. Hij staat niet ingeschreven in enig erkend register, is niet onafhankelijk en niet onpartijdig en beschikt niet over de vereiste kwalificaties en professionele competenties, aldus eiser. Eiser is van mening dat verweerder hierdoor onzorgvuldig en met vooringenomenheid heeft gehandeld.

5. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat het de inspecteur vrij staat om een deskundige van zijn keuze in te schakelen, nu artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur, dat de deskundigen partijdeskundigen zijn en dat daartegen geen bezwaar bestaat (zie Rechtbank Gelderland 5 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:659). De rechtbank ziet gaan enkele aanleiding op dat oordeel terug te komen. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de taxateur een persoonlijk en/of zakelijk belang zou hebben bij de uitkomst van de procedure, anders dan het belang als ingehuurde deskundige. De rechtbank heeft ook verder, afgaande op de inhoud van het taxatierapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid van de hertaxateur te twijfelen.

6. Beide partijen onderbouwen de handelsinkoopwaarde van de auto voor aftrek van schade met een beroep op een koerslijst van XRAY. In de beroepsfase heeft eiser twee nieuwe koerslijsten van XRAY overgelegd, waaruit (uitgaand van een beperkt aantal opties) een handelsinkoopwaarde van € 7.243 volgt. Verweerder houdt vast aan de waarde van € 14.615 die [F] heeft gehanteerd op basis van eveneens een koerslijst van XRAY.

7. Verweerder heeft de juistheid van de door eiser in het geding gebrachte koerslijst betwist. De stelplicht en de bewijslast ter zake rusten op eiser, aangezien hij zich beroept op een vermindering van de BPM. Dat wordt niet anders wanneer eerst een waarde van de auto in onbeschadigde staat wordt bepaald en daarna een aftrek voor schade wordt toegepast, zoals in dit geval (vergelijk de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7007). Dat betekent dat eiser in het licht van de betwisting door verweerder aannemelijk dient te maken dat de door hem verdedigde koerslijstwaarde juist is.

8. Op basis van de overgelegde koerslijsten is niet vast te stellen wat het verschil in uitkomst verklaart. Beide partijen hebben dat ter zitting ook bevestigd. Hoewel in beginsel het bewijsrisico bij eiser ligt, is de rechtbank van oordeel dat hij zijn stellingen meer heeft gemotiveerd dan verweerder zijn betwisting heeft onderbouwd. Verweerder heeft louter naar de koerslijst van [F] verwezen. Dat is weliswaar een gemotiveerde betwisting, maar die betwisting is toch vrij algemeen. Daartegenover heeft eiser aanzienlijk meer aangevoerd. Hij heeft erop gewezen dat de door hem overgelegde koerslijst door XRAY zelf is opgesteld. Hij heeft dit onderbouwd met een e-mailbericht van de directeur van XRAY waaruit dit blijkt. Gelet op deze e-mail kon verweerder bij de betwisting van de juistheid niet volstaan met de kale verwijzing naar de koerslijst van [F] . De rechtbank gaat ervan uit dat XRAY de juiste koerslijstwaarde vaststelt op basis van de aangeleverde gegevens. Verweerder heeft niet gesteld, laat staan gemotiveerd, dat XRAY van onjuiste gegevens zou zijn uitgegaan. Verweerder heeft er slechts op gewezen dat de afdrukdatum 5 oktober 2017 zoals vermeld op de koerslijst meer dan een jaar voor de datum van de e-mail ligt. Dat enkele feit leidt niet tot twijfel, omdat in de e-mail naar twee bijlagen wordt verwezen. De gegevens in de overgelegde koerslijsten komen overeen met hetgeen in de e-mail is vermeld. Daar doet de afdrukdatum niet aan af.

9. Gezien het voorgaande heeft eiser de handelsinkoopwaarde van de auto voor aftrek van eventuele schade aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat dus uit van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 7.243.

10. Eiser heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 4.856 aan schade. Ook op dit punt rust de bewijslast op eiser. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Uit de foto’s in het taxatierapport volgt dat er sprake is van een aantal kleine beschadigingen. De auto was echter ten tijde van de registratie ruim negen jaar oud. De rechtbank is al met al van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruiksschade.

11. De rechtbank verwerpt het beroep van eiser op het innameprotocol van Connect Autolease. Tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van beleid van de Belastingdienst om dit protocol als leidraad te hanteren voor het bepalen van normale slijtage en gebruikssporen en andere schade in het kader van de BPM (aldus ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5458).

12. Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat de auto na de taxatie, maar nog vóór de registratie, aanzienlijke schade heeft opgelopen. Hij heeft een factuur van [bedrijf G] overgelegd waaruit volgt dat eiser € 18.979,84 aan herstelkosten (onderdelen, arbeidsloon, bijkomende kosten, spuitwerk en milieutoeslag) heeft betaald. Dit dient volgens eiser te leiden tot een aftrek van € 5.000. Weliswaar is de auto gerepareerd, maar hij heeft nu een schadeverleden. Dit leidt volgens eiser tot een blijvende waardevermindering.

13. De rechtbank is van oordeel dat eiser de waardevermindering niet aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling van de gemachtigde dat de genoemde schade leidt tot een waardevermindering van € 5.000 is daartoe onvoldoende. Eiser had na het herstel van de auto en voor de registratie een nieuw taxatierapport kunnen opstellen. Hij heeft daarvoor niet gekozen. Die keuze kan niet gelegen zijn in het feit dat de schade is hersteld vóór de registratie, omdat het eiser nu juist gaat om de blijvende waardevermindering. De wet schrijft voor dat een taxatierapport moet worden opgesteld wanneer sprake is van meer dan normale gebruikssporen. De keuze van eiser dit niet opnieuw te doen komt voor zijn rekening en risico.

14. Gelet op het voorgaande dient de handelsinkoopwaarde van de auto te worden vastgesteld op € 7.243. Dit is meer dan waarvan verweerder is uitgegaan. Eiser heeft gesteld dat de naheffingsaanslag in dat geval dient te worden verminderd tot € 1.503. Verweerder heeft dit niet betwist. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Het beroep is dus gegrond.

15. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien eiser geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikking belastingrente heeft aangevoerd, is de in rekening gebrachte belastingrente verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslag.

16. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A.G. Ebben, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.