Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4307

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 403
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffingsaanslag.

Invoer gebruikte auto met gastank en benzinetank. Welke CO2-uitstoot is leidend voor de bruto BPM?

In de Zweedse papieren zijn beide uitstoten vermeld. Als deze (of eenzelfde) auto nieuw zou zijn ingevoerd, was op grond van artikel 9, elfde lid, van de Wet BPM uitgegaan van de uitstoot op basis van gas (de laagste van de twee). Op de later ingevoerde auto mag niet meer BPM drukken, dus moet op grond van artikel 110 VWEU ook bij deze auto worden uitgegaan van de (lagere) uitstoot op basis van gas.

Schadeaftrek conform rapport van hertaxatie vermeerderd met 72% van de kosten van het vervangen van de onderhoudsboekjes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-12-2019
FutD 2019-3217
V-N Vandaag 2019/2800
DouaneUpdate 2019-0487
NTFR 2020/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 19/403

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

25 september 2019

in de zaak tussen

[X] h.o.d.n. [XX], wonende te [Q], eiser
(gemachtigde: mr. [A],

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 12 november 2018, waarbij het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) met aanslagnummer [XXXX] en de aan hem opgelegde verzuimboete ongegrond is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2019. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [B] en mr. [C] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 993;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.532;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 19 maart 2018 aangifte voor de BPM gedaan voor een Volvo V60, met als datum eerste toelating 30 december 2014 (hierna: de auto). Eiser heeft de auto geïmporteerd uit Zweden. De auto bevat af fabriek zowel een benzinetank als een gastank. Blijkens de Zweedse papieren bedraagt de CO2-uitstoot met benzine als brandstof 182 gram per kilometer en met gas als brandstof 152 gram per kilometer.

2. Eiser heeft de aangifte gebaseerd op een taxatierapport, opgemaakt door een taxateur van [D] (hierna: de taxateur). De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 9.886. Daarbij heeft hij de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat bepaald op € 17.790 aan de hand van een koerslijst van XRAY, uitgaand van een COx-uitstoot van 152 g/km. Op deze waarde Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 7.904 in mindering gebracht in verband met schade aan auto. Eiser heeft € 1.373 BPM voldaan

3. Verweerder heeft een hertaxatie van de auto laten uitvoeren door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) te Soesterberg. In het rapport van hertaxatie is de handelsinkoopwaarde bepaald op € 16.852 aan de hand van een koerslijst van XRAY op basis van een CO2-uitstoot van 149 g/km. Hierop is een waardevermindering van € 688 in verband met schade toegepast. Verweerder heeft bij de vaststelling van de naheffingsaanslag de bruto BPM berekend op basis van een CO2-uitstoot van 182 g/km. Hij heeft een bedrag van € 1.824 nageheven. Ook heeft hij een boete opgelegd van € 182.

4. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil tot welk getal de gecombineerde CO2-uitstoot (en daarmee de bruto BPM) dient te worden vastgesteld en of in voldoende mate rekening is gehouden met aftrek vanwege schade aan de auto. In verband met dat laatste voert eiser verder aan dat het rapport van de hertaxatie niet voldoet omdat de hertaxateur onvoldoende onafhankelijk en ondeskundig is. Ook de boete is in geschil.

5. In de beroepsfase heeft verweerder te kennen gegeven dat de boetegrondslag dient te worden beperkt tot de te weinig geheven BPM in verband met de te lage CO2-uitstoot. Voor zover de boete is gebaseerd op de te weinig geheven BPM vanwege de schadeaftrek, kan die komen te vervallen.

Ontvankelijkheid

6. De rechtbank overweegt allereerst dat, voordat aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan worden toekomen, beoordeeld dient te worden of eiser het beroepschrift tijdig heeft ingediend. De uitspraak op bezwaar dateert van 12 november 2018. Het beroepschrift is gedateerd 30 november 2018 maar is pas op 9 januari 2019 binnengekomen bij de rechtbank. Partijen hebben echter unaniem verklaard dat de gemachtigde het beroepschrift tijdig (begin december) heeft ingestuurd naar verweerder. Weliswaar is verweerder niet bevoegd op het beroep te beslissen, maar op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde bestuursorgaan bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Partijen zijn het erover eens dat het beroepschrift tijdig bij verweerder is ingediend. De rechtbank heeft geen aanleiding daaraan te twijfelen en acht het beroep dus ontvankelijk.

Bruto BPM

7. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat moet worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van 152 g/km mede verwezen naar een vrijwel identieke zaak die op dezelfde zitting is behandeld (zaaknummer 19/405). Ook dat betreft een auto die eiser heeft ingevoerd met zowel een benzinetank als een gastank. Voor die auto zijn beide uitstoten in de RDW-gegevens vermeld. Dat zou volgens eiser moeten leiden tot een gegrond beroep en via artikel 110 van het VWEU mag de onderhavige, identieke auto niet zwaarder worden belast. Verweerder bestrijdt dat de RDW-gegevens leidend zijn. Hij wijst daarvoor op de voorschriften in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling). Volgens verweerder vermeldt de typegoedkeuring van de auto een uitstoot van 182 g/km.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte uitgaat van een uitstoot van 182 g/km. In het midden kan blijven of en in hoeverre verweerder gehouden is aan te sluiten bij RDW-gegevens. De voorschriften in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling zijn gebaseerd op Richtlijn 2007/46/EG van 5 september 2007 (hierna: de Kaderrichtlijn). Daarin is de wijze van vaststelling van de CO2-uitstoot van auto’s op de Europese markt vastgelegd. De Kaderrichtlijn is, evenals Verordening (EG) 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008, gebaseerd op Verordening (EG) 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad.

9. Artikel 9, elfde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) sluit voor de bepaling van de CO2-uitstoot aan bij de verordeningen. Voor de toepassing van dat artikel is de CO2-uitstoot de uitstoot die is gemeten overeenkomstig bijlage XII van Verordening 692/2008. Indien de meting mede met LPG of aardgas is uitgevoerd, wordt de CO2-uitstoot van de auto met LPG of aardgas gehanteerd.

10. In de Zweedse papieren van de auto is zowel de CO2-uitstoot voor benzine als die voor gas vermeld. Dit betekent dat bij het op de markt brengen van de auto twee metingen zijn verricht, zoals voorzien in de laatste zin van artikel 9, elfde lid, van de Wet BPM. Indien de auto (dan wel eenzelfde auto) in 2014 nieuw in Nederland zou zijn ingevoerd zou de hoogte van de BPM dus zijn bepaald aan de hand van de CO2-uitstoot op basis van gas, oftewel op 152 g/km. Omdat de belasting op een later ingevoerde auto gelet op het bepaalde in artikel 110 van het VWEU niet hoger mag zijn dan de belasting die rust op een zich al op de Nederlandse markt bevindende referentieauto, dient ook bij de onderhavige auto te worden uitgegaan van een uitstoot van 152 g/km voor de vaststelling van de bruto BPM. Hieraan kan het bepaalde in de Uitvoeringsregeling niet afdoen. Het gelijk is in zoverre aan eiser. Hij heeft de bruto BPM terecht berekend op € 7.303.

Waardevermindering in verband met schade

11. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ geen erkend taxateur in de zin van artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is. Hij staat niet ingeschreven in enig erkend register, is niet onafhankelijk en niet onpartijdig en beschikt niet over de vereiste kwalificaties en professionele competenties, aldus eiser. Eiser is van mening dat verweerder hierdoor onzorgvuldig en met vooringenomenheid heeft gehandeld.

12. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat het de inspecteur vrij staat om een deskundige van zijn keuze in te schakelen, omdat artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur, dat de deskundigen partijdeskundigen zijn en dat daartegen geen bezwaar bestaat (zie Rechtbank Gelderland 5 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:659). De rechtbank ziet geen enkele aanleiding op dat oordeel terug te komen. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de taxateur een persoonlijk en/of zakelijk belang zou hebben bij de uitkomst van de procedure, anders dan het belang als ingehuurde deskundige. De rechtbank heeft ook verder, afgaande op de inhoud van het taxatierapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid van de hertaxateur te twijfelen.

13. Eiser heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 7.904 aan schade. De stelplicht en de bewijslast ter zake rusten op eiser, aangezien hij zich beroept op een vermindering van de BPM. Dat wordt niet anders wanneer eerst een waarde van de auto in onbeschadigde staat wordt bepaald en daarna een aftrek voor schade wordt toegepast, zoals in dit geval (vergelijk de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7007).

14. De rechtbank constateert dat de auto hier en daar sporen van gebruik vertoont. De taxateur van DRZ heeft voor het reinigen van het interieur en herstel inclusief spuiten van het portier rechtsachter in totaal € 828,87 aan kosten berekend, wat volgens hem leidt tot een waardevermindering van € 688. Voor het overige heeft hij gemotiveerd betwist dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Dat geldt ook voor de stelling van eiser dat de gasinstallatie defect zou zijn. Volgens de taxateur van DRZ is er geen schade aan de brandstofdistributiepijp. Hij heeft daarvan ook foto’s aan het rapport toegevoegd. Ook de andere posten zijn specifiek benoemd in het rapport van DRZ. Daarmee is sprake van een gemotiveerde betwisting van het rapport van eiser. De rechtbank is in dat licht, mede gelet op de in het geding gebrachte foto’s, van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor het overige sprake is van meer dan normale gebruiksschade.

15. De rechtbank verwerpt het beroep van eiser op het innameprotocol van [E] Tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van beleid van de Belastingdienst om dit protocol als leidraad te hanteren voor het bepalen van normale slijtage en gebruikssporen en andere schade in het kader van de BPM (aldus ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5458).

16. Wel zal de rechtbank in overeenstemming met de jurisprudentie van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zoals de uitspraak van 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5984, rekening houden met een waardevermindering ter zake van het ontbreken van onderhoudsboekjes, nu verweerder heeft erkend dat die niet aanwezig waren. Zij zal daarvoor aansluiten bij het bedrag van € 85 dat eiser heeft genoemd. Uit de foto’s blijkt niet dat het nodig was Nederlandse software te programmeren. Het enkele opvoeren van die post in het rapport is geen onderbouwing ervan. Uitgaand van 72% van € 85 en het bedrag van € 688 dat verweerder heeft geaccepteerd bedraagt de totale waardevermindering als gevolg van schade en bijkomende zaken € 749. De XRAY-uitdraai van DRZ levert de laagste handelsinkoopwaarde op voor aftrek van schade, maar is gebaseerd op een onjuiste CO2-uitstoot. Daarom sluit de rechtbank aan bij de koerslijst die eiser heeft gebruikt. Daaruit volgt een waarde van € 17.790. Na aftrek in verband met schade bepaalt de rechtbank de handelsinkoopwaarde van de auto op € 17.041. De cataloguswaarde van de auto is € 52.590. Dat betekent dat de afschrijving 67,60% beloopt. Uitgaand van een bruto BPM van € 7.303 bedraagt de verschuldigde BPM € 2.366. Eiser heeft op aangifte € 1.373 voldaan. Daarom vermindert de rechtbank de naheffingsaanslag tot € 993. Het beroep is dus gegrond.

Boete

17. Verweerder heeft de boete alleen gehandhaafd voor zover het de CO2-uitstoot en de daarop te baseren bruto BPM betreft. Omdat het beroep in zoverre gegrond is, heeft de rechtbank de boetebeschikking vernietigd. Ook het beroep tegen de boete is dus gegrond.

Proceskostenvergoeding

18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt het beroep met zaaknummer 19/405 niet aan als samenhangende zaak, omdat in het onderhavige dossier andere werkzaamheden nodig waren (beoordeling van schade) en ook de feiten met betrekking tot de CO2-uitstoot deels verschilden (wel of niet vermelden van de uitstoot bij gas in de RDW-gegevens).

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A.G. Ebben, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.