Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4306

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
02-12-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3833
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffingsaanslag. Invoer uit Zwitserland van een gebruikte auto.

Eiser maakt niet aannemelijk dat de auto meer dan gewone gebruiksschade heeft. In dit geval kan de werkelijke afschrijving alleen worden gebaseerd op een koerslijst. De wet biedt geen ruimte voor een correctie ter zake van bijvoorbeeld het ontbreken van onderhoudsboekjes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-12-2019
FutD 2019-3219
V-N Vandaag 2019/2797
V-N 2020/9.25.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/3833

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

25 september 2019

in de zaak tussen

[X] h.o.d.n. [X], te [Q], eiser
(gemachtigde: mr. [A],

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Emmen, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 29 juni 2018, waarbij het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) met aanslagnummer [XXX] ongegrond is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2019. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. [B] en mr. [C] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.443;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.532;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 18 oktober 2017 aangifte voor de BPM gedaan voor een Audi Avant 4.2 FSI RS4 Quattro, met als datum eerste toelating [XX XX] 2013 (hierna: de auto). De auto is op [XX XX] 2017 geregistreerd in het kentekenregister. Eiser heeft de aangifte gebaseerd op een taxatierapport, opgemaakt door een taxateur van [D] (hierna: de taxateur). De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 15.429. Daarbij heeft hij de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat bepaald op € 22.239 aan de hand van een koerslijst van XRAY. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 6.810 in mindering gebracht in verband met schade aan auto. Eiser heeft € 3.712 BPM voldaan.

2. Verweerder heeft een hertaxatie van de auto laten uitvoeren door een medewerker van [E] ([E]) te Soesterberg. In het rapport van hertaxatie is de handelsinkoopwaarde bepaald op € 22.815 aan de hand van een koerslijst van XRAY. Hierop is geen waardevermindering in verband met schade toegepast. Verweerder heeft een bedrag van € 1.518 nageheven en € 9 belastingrente in rekening gebracht.

3. In geschil is of de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in bijzonder is in geschil of sprake is van schade aan de auto en zo ja, tot welke waardevermindering dat leidt. In dat verband heeft eiser ook aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig en met vooringenomenheid heeft gehandeld. Ter zake van de toepassing van de leeftijdskorting hebben partijen ter zitting overeenstemming bereikt.

4. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van [E] geen erkend taxateur in de zin van artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is. Hij staat niet ingeschreven in enig erkend register, is niet onafhankelijk en niet onpartijdig en beschikt niet over de vereiste kwalificaties en professionele competenties, aldus eiser. Eiser is van mening dat verweerder hierdoor onzorgvuldig en met vooringenomenheid heeft gehandeld.

5. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat het de inspecteur vrij staat om een deskundige van zijn keuze in te schakelen, omdat artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur, dat de deskundigen partijdeskundigen zijn en dat daartegen geen bezwaar bestaat (zie Rechtbank Gelderland 5 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:659). De rechtbank ziet geen enkele aanleiding op dat oordeel terug te komen. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de taxateur een persoonlijk en/of zakelijk belang zou hebben bij de uitkomst van de procedure, anders dan het belang als ingehuurde deskundige. De rechtbank heeft ook verder, afgaande op de inhoud van het taxatierapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid van de hertaxateur te twijfelen.

6. Ter zitting heeft eiser laten weten dat hij zich niet verzet tegen de toepassing van de handelsinkoopwaarde voor aftrek van schade van € 22.815 die volgt uit de koerslijst van [E]. Het verschil in waarde hangt samen met de gehanteerde extra opties en accessoires. Er is dus sprake van zowel een hogere cataloguswaarde als een hogere handelsinkoopwaarde volgens de gegevens van verweerder. Deze gegevens leiden ook tot een iets hogere afschrijving dan waarvan eiser in de aangifte is uitgegaan. Eiser heeft dus geen nadeel van het gebruik van deze uitgangspunten.

7. Eiser heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 6.810 aan schade. De stelplicht en de bewijslast ter zake rusten op eiser, aangezien hij zich beroept op een vermindering van de BPM. Dat wordt niet anders wanneer eerst een waarde van de auto in onbeschadigde staat wordt bepaald en daarna een aftrek voor schade wordt toegepast, zoals in dit geval (vergelijk de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7007).

8. De rechtbank constateert dat de auto hier en daar sporen van gebruik vertoont. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank is in dat licht, mede gelet op de in het geding gebrachte foto’s, van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.

9. De rechtbank verwerpt het beroep van eiser op het innameprotocol van [F]. Tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van beleid van de Belastingdienst om dit protocol als leidraad te hanteren voor het bepalen van normale slijtage en gebruikssporen en andere schade in het kader van de BPM (aldus ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5458).

10. De wet voorziet bij motorrijtuigen zonder schade niet in de mogelijkheid tot het bepalen van de afschrijving op grond van een taxatierapport wanneer de auto voorkomt in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. Voor deze auto is een dergelijke koerslijst aanwezig, zodat eiser bij de waardebepaling daarvan gebruik had moeten maken. De rechtbank ziet - anders dan Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de hiervoor genoemde uitspraak van 27 augustus 2019 - in de wettelijke bepalingen uitdrukkelijk geen ruimte om de koerslijstwaarde te corrigeren voor bijvoorbeeld het ontbreken van onderhoudsboekjes. De vraag of het ontbreken daarvan een waardedrukkend effect heeft, is niet relevant.

11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of dit in overeenstemming is met artikel 110 van het VWEU, omdat de auto is geïmporteerd uit Zwitserland. De rechtbank wijst erop dat Zwitserland wel lid is van de Europese Vrijhandelsorganisatie en dat er diverse bilaterale verdragen met Zwitserland bestaan. Eiser heeft zich daar echter niet op beroepen, terwijl het naar het oordeel van de rechtbank de rechtsstrijd van partijen te buiten gaat als de rechtbank zelf zou onderzoeken of er wellicht een bepaling is in een verdrag met Zwitserland dat vergelijkbaar is met artikel 110 van het VWEU, nog daargelaten de vraag of aan die bepaling rechtstreekse werking toekomt.

Leeftijdskorting

12. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd omdat eiser niet langer een beroep doet op het goedkeurende beleid in het Kaderbesluit BPM, nr. 2017/1135M (hierna: het Kaderbesluit), op grond waarvan bij de aangifte vijf werkdagen worden opgeteld ter bepaling van de tabelkorting. Eiser heeft uitgerekend dat dit leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag met € 75. Verweerder heeft dit niet bestreden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een andere conclusie.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser gegrond. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.443.

14. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien eiser geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikking belastingrente heeft aangevoerd, is de in rekening gebrachte belastingrente verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslag.

15. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Omdat het beroep gegrond is, komen de door hem in beroep gemaakte kosten als regel in aanmerking voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verweerder heeft hiertegen verweer gevoerd. De rechtbank ziet echter geen aanleiding van de hoofdregel af te wijken, aangezien niet gezegd kan worden dat het louter aan eiser te wijten is dat hij hoger beroep heeft ingesteld. Eiser heeft aan de orde willen stellen of verweerder niet zelf had moeten corrigeren voor het recht op extra leeftijdskorting. Aan de beoordeling daarvan komt de rechtbank niet toe, omdat verweerder ter zitting heeft verklaard te kunnen instemmen met de toepassing van de extra leeftijdskorting. Het staat een belastingplichtige in beginsel vrij gronden in beroep aan te voeren of te wijzigen. Daarmee kan niet gezegd worden dat het louter aan eiser te wijten is dat er beroep moest worden ingesteld.

16. De rechtbank ziet daarnaast ook aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser heeft moeten maken voor de behandeling van het bezwaar. Daarvoor bestaat op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb slechts aanleiding voor zover geoordeeld kan worden dat sprake is van een onrechtmatigheid die aan verweerder is toe te rekenen. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de aangifte niet kan worden beschouwd als een beroep op toepassing van de goedkeuring die is opgenomen in het Kaderbesluit. De rechtbank laat nog in het midden of dat gelet op de datum van de aangifte en de datum eerste toelating van de auto in dit geval überhaupt mogelijk was en zal haar oordeel onderbouwen vanuit de systematiek.

17. Ten tijde van de aangifte wordt berekend hoeveel BPM op dat moment verschuldigd is. Dat was in dit geval € 3.721. Dat bedrag is niet afhankelijk van de hoogte van de tabelkorting, omdat de werkelijke afschrijving (op basis van koerslijst of taxatie) in dit geval hoe dan ook hoger is. De herrekening van de bruto BPM vindt niet op basis van een verzoek van de belastingplichtige (in dit geval: eiser) plaats. Deze vindt altijd plaats wanneer een hogere afschrijving wordt toegepast dan de tabelkorting. De herrekening dient om een eventuele export in de toekomst te vergemakkelijken en om te voorkomen dat daarbij meer BPM wordt teruggegeven dan is voldaan. Dat voor die herrekening gegevens uit de aangifte worden gebruikt, maakt niet dat die aangifte als een verzoek tot toepassing van de goedkeuring kan worden beschouwd. Verweerder heeft bij de herrekening automatisch de goedkeuring toegepast. Partijen zijn het erover eens dat toepassing van die goedkeuring leidt tot een minder gunstige behandeling dan het niet toepassen van de goedkeuring. Daarmee is het aan de keuze van verweerder te wijten dat er meer BPM is geheven dan ook volgens verweerder verschuldigd is. Dit kan worden beschouwd als een onrechtmatigheid in voormelde zin.

18. De te vergoeden kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

19. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A.G. Ebben, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.