Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4277

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
05/880822-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt twee mannen en een B.V. voor het overtreden van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Daarnaast hebben vier mannen zich schuldig gemaakt aan het organiseren van een illegale lotto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/880822-14

Datum uitspraak : 19 september 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige strafkamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .

raadsman: mr. R.A.C Frijns, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 augustus 2019 en 5 september 2019.

1 De bevoegdheid van de rechtbank

Het aan verdachte ten laste gelegde betreffen economische delicten. Op grond van artikel 38 Wet op de economische delicten (WED) worden economische delicten behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank als bedoeld in artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO).

In artikel 52 van de Wet RO staat vermeld dat het bestuur voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten enkelvoudige en meervoudige economische kamers vormt. In artikel 4 van het Bestuursreglement van de rechtbank Gelderland is opgenomen dat degenen die deel uitmaken van een cluster dat is belast met de behandeling van economische strafzaken, zijn aangewezen als lid van de enkelvoudige en meervoudige economische kamers.

Op de dagvaarding staat niet expliciet vermeld dat verdachte is gedagvaard voor de meervoudige economische strafkamer. Desondanks is de zaak aangebracht en behandeld

door de kamer die gebruikelijk ook economische strafzaken behandelt. Nu feitelijk een meervoudige economische kamer kennis heeft genomen van de ten laste gelegde feiten

en de rechtbank niet is gebleken dat verdachte op enige wijze in zijn belangen is geschaad, is de rechtbank van oordeel dat zij, ondanks dat dit niet expliciet op de dagvaarding staat vermeld, bevoegd is om als economische kamer kennis te nemen van de ten laste gelegde feiten. Hiermee wordt recht gedaan aan de achterliggende gedachte van de wetgever, namelijk dat economische delicten worden behandeld door een daartoe kundige kamer van de rechtbank.

Uitzondering hierop vormt het onder 5 ten laste gelegde feit (vuurwapenbezit) nu dit feit geen samenhang als bedoeld in artikel 39 van de WED vertoont met de ten laste gelegde economische delicten. De rechtbank verklaart zich ten aanzien van dat feit daarom onbevoegd.

2 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.

[bedrijf 1] ,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 10 april 2016 te Huissen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen opzettelijk zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning (telkens) aan verschillende personen) (een) krediet(en) heeft aangeboden, te weten aan:

- [betrokkene 1] (E. 9.500,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 2, p. 2008-2009 en p. 4034 e.v.]

- [betrokkene 2] (E. 6.150,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 3a, p. 2009 en p. 4206 e.v.]

- [betrokkene 3] (E. 10.000,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 10, p. 2015-2016 en p. 4050 e.v.]

- [betrokkene 4] (E. 60.000, althans enig geldbedrag); [clusternr. 28, p. 2031 en p. 4351 e.v.]

- [betrokkene 5] (E. 15.000,-, althans enig geldbedrag); [clusternr. 51, p. 2042 en p. 4245 e.v.]

- [betrokkene 6] (E. 75.000,-, althans enig geldbedrag);[clusternr. 52, p. 2042 en p. 4284 e.v.]

- [betrokkene 7] (E. 25.000,-, althans enig geldbedrag); [clusternr. 56, p. 2044 en p. 4326 e.v.]

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

2.

[bedrijf 1] ,

zijnde een instelling in de zin van artikel 1 lid 1 onder a sub 2° van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (wettekst geldend in de periode van 1 mei 2012 tot en met 10 april 2016) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2012 tot en met 10 april 2016 te Huissen en/of Zoetermeer en/of (elders) in Nederland,

(telkens) opzettelijk in strijd met de in artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme neergelegde meldingsplicht, (een) verrichte of voorgenomen ongebruikelijk transactie(s) niet en/of niet onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de (voorgenomen) transactie(s) bekend is geworden, heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid,

immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding gedaan van:

- een op of omstreeks 26 augustus 2013 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 20.000 euro aan [betrokkene 8] ; [clusternummer 1, p. 2007-2008 en 3962 e.v.]

- een op of omstreeks 8 mei 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 35.000 euro aan [betrokkene 9] ; [clusternummer 6, p. 2011 en p. 4338 e.v.]

- een op of omstreeks 7 februari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 50.000 euro aan [betrokkene 10] ; [clusternummer 13, p. 2017-2018 en p. 4013 e.v.]

- een op of omstreeks 9 juli 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 28.000 euro aan [betrokkene 11] ; [clusternummer 17, p. 2020-2021 en p. 3903 e.v.]

- een op of omstreeks 3 september 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 180.000 euro aan [betrokkene 12] ; [clusternummer 21, p. 2024-2025 en p. 4277 e.v.];

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 10 april 2016 te Nijmegen en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan (personen uit) het publiek om (telkens) door middel van een of meer(kans)spel(en), te weten (onder meer) een lottospel ("6 aus 49" en/of "6 uit 45" en/of soortgelijke spellen) dat gebaseerd is op Nederlandse en/of Duitse lottotrekkingen mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars (telkens) geschiedde door enige kansbepaling (te weten een (legale) Nederlandse en/of Duitse lottotrekking) waarop de deelnemers (telkens) in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor (telkens) geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend, terwijl hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

4.

hij in of omstreeks de periode van 08 januari 2009 tot en met 11 maart 2009, te Afferden en/of Huissen en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

in genoemde periode (telkens) van in totaal 80.000,- euro, althans van een of meer hoeveelheden geld, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) hoeveelheid geld en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), verborgen en/of verhuld wie bovengenoemde hoeveelheid geld voorhanden heeft/hebben gehad

en/of

bovengenoemde hoeveelheid geld verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt,

door 80.000,- euro te storten en/of te laten storten op verdachtes bankrekening ( [rekeningnummer] t.n.v. [verdachte] en/of (vervolgens) dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk over te maken op andere bankrekeningen dan die van verdachte waaronder een bankrekening van [bedrijf 1] (te weten 50.000,- euro (boekingsdatum 10 maart 2009) en 20.000,- euro (boekingsdatum 11 maart 2009) en/of (een) andere bankrekening(en) (transactieoverzicht AH-521 [map 2] van het dossier)

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die geldbedrag(en)

- onmiddellijk of middellijk - al dan niet gedeeltelijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feiten 1 en 2

Aanleiding onderzoek

In februari 2013 meldt een notariskantoor een ongebruikelijke transactie, waarbij het bedrijf

[bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) betrokken is. Deze transactie is als verdacht aangemerkt door de Financial Intelligence Unit. Daarna volgt verder onderzoek naar het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten door [bedrijf 1] .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1, met uitzondering van de lening aan [betrokkene 6] , en feit 2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat de leningen een zakelijke bestemming hadden zodat de Wft niet van toepassing is. Daarom moet vrijspraak volgen. De raadsman heeft voorwaardelijke verzoeken gedaan om [betrokkene 4] (vierde gedachtestreepje), [betrokkene 5] (vijfde gedachtestreepje) en [betrokkene 13] (zevende gedachtestreepje) te horen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachten cliëntonderzoek hebben gedaan en dat er onvoldoende reden is geweest om meldingen te moeten doen. Bovendien lijkt het het Openbaar Ministerie met name te gaan om de betalingen van de debiteuren aan [bedrijf 1] en niet om de verstrekte leningen die in de tenlastelegging staan. Dit alles moet tot vrijspraak leiden. Daarnaast heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan om [betrokkene 10] (derde gedachtestreepje) nogmaals te horen.

Beoordeling door de rechtbank

[betrokkene 14] (hierna: [betrokkene 14] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 3] .2

[verdachte] (hierna: [verdachte] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] ..3

Op 31 maart 2009 is [bedrijf 1] , gevestigd in Huissen, opgericht. De oprichters zijn [betrokkene 14] , handelend namens [bedrijf 3] , [verdachte] , handelend namens [bedrijf 2] ., en [betrokkene 16] . [betrokkene 16] is benoemd tot zelfstandig bevoegd bestuurder, met de titel ‘algemeen directeur’. De vennootschap heeft onder andere ten doel het verstrekken van zakelijke kredieten en het aan- en verkopen van handelsgoederen, in de ruimste zin des woords.4

De Kamer van Koophandel heeft [betrokkene 16] bij brief van 3 juli 2012 bericht dat is geregistreerd dat hij met ingang van 1 april 2009 is uitgetreden als functionaris van [bedrijf 1] .5

Op 10 oktober 2012 zijn [bedrijf 2] . en [bedrijf 3] toegetreden als bestuurders, ter vervanging van de afgetreden directeur [betrokkene 16] .6

Feit 1

Op grond van artikel 2:60, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) is het verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) verleende vergunning krediet aan te bieden.

Op grond van artikel 1:1 van de Wft wordt onder ‘aanbieden’ verstaan: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst met een consument inzake een financieel product dat geen financieel instrument, premiepensioenvordering (met ingang van 1 december 2011, toevoeging griffier) of verzekering is of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst.

Op grond van ditzelfde artikel wordt onder ‘krediet’ verstaan: het aan een consument ter beschikking stellen van een geldsom, ter zake waarvan de consument gehouden is een of meer betalingen te verrichten.

Artikel 1:20, eerste lid, van de Wft bepaalt, voor zover van belang, dat deze wet niet van toepassing is op:

- onder d: financiële diensten met betrekking tot krediet bestaande uit het in ontvangst nemen van roerende zaken van een consument tegen het ter beschikking stellen van een geldsom aan de consument, voor zover de vordering op de consument tot terugbetaling teniet gaat indien de betreffende roerende zaken door de financiële onderneming te gelde worden gemaakt;

- onder f: financiële diensten met betrekking tot krediet waarbij is overeengekomen dat geen van de ter zake verschuldigde betalingen van de consument later plaatsvindt dan drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is gesteld, het genot van een roerende zaak, financieel instrument of beleggingsobject is verschaft, dan wel een dienst is verleend;

en met ingang van 25 mei 2011:

- onder e: financiële diensten met betrekking tot krediet dat binnen drie maanden dient te worden afgelost en ter zake waarvan slechts onbetekenende kosten aan de consument in rekening worden gebracht.

De AFM beschouwt kosten van kortlopende kredieten als onbetekenend in relatieve zin als zij maximaal 1% van de kredietsom op jaarbasis bedragen. De kosten zijn onbetekenend in absolute zin indien deze maximaal € 50,- op jaarbasis bedragen.7

[bedrijf 1] is niet bij de Autoriteit Financiële Markten geregistreerd (geweest) en heeft geen vergunning (gehad) voor het aanbieden van krediet.8

De rechtbank dient met betrekking tot de in de tenlastelegging opgenomen leningen te beoordelen of deze als zakelijk of privé moeten worden beschouwd en of één van de uitzonderingen zoals vermeld in artikel 1:20 van de Wft van toepassing is. Zij zal daarbij alle relevante omstandigheden, zoals de contracten die zich in het dossier bevinden, de verklaringen van de leners en de verklaringen van [betrokkene 14] en [verdachte] , ook in onderlinge samenhang, betrekken.

- [betrokkene 1]

Op 23 juli 2013 heeft [betrokkene 1] een lening van € 6.000,- afgesloten. In de overeenkomst staat dat [betrokkene 1] handelt in privé en dat het rentepercentage 5% per maand is.9

Op 27 januari 2014 is deze lening verlengd10 en is ook een nieuwe lening afgesloten tussen [betrokkene 14] , namens [bedrijf 1] , en [betrokkene 1] . Deze nieuwe lening ziet op een bedrag van € 3.500,-.11

[betrokkene 1] heeft verklaard dat het contract is getekend bij [betrokkene 14] in het kantoor in Huissen. [betrokkene 1] is de lening in privé aangegaan, omdat hij de schulden van zijn bedrijf wilde aflossen.12 Er was nog een belastingaanslag van de inkomstenbelasting voor hem als directeur. Op dat moment stond hij niet meer bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met een bedrijf.13

Hoewel in beide overeenkomsten staat vermeld dat het kenteken deel I (en een Volvo V70) ter zekerheid zal worden afgegeven, heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij de auto met de bijbehorende papieren niet heeft hoeven inleveren.14 Ter zitting heeft ook [betrokkene 14] verklaard dat [betrokkene 1] de Volvo niet heeft afgestaan.15

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake geweest van een zakelijke lening en is ook niet één van de uitzonderingen uit artikel 1:20 van de Wft van toepassing. Dat betekent dat [bedrijf 1] een vergunning had moeten hebben voor het aanbieden van deze lening. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook worden bewezen.

- [betrokkene 2]

In het dossier bevindt zich een schuldbekentenis met het logo van [bedrijf 1] , waarover [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij die deels heeft ingevuld. De startdatum van de lening van € 6.000,- is

5 juni 2009. Verder bevat het dossier een inkoopattest en een terugkoopverklaring met betrekking tot een Mercedes CLK 200 cabrio.

[betrokkene 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij bij [bedrijf 4] , de Mercedes dealer in Veenendaal, een financiering heeft afgesloten voor de aankoop van de auto.

[betrokkene 14] heeft ter zitting verklaard dat een verkoper van [bedrijf 4] vroeg of [bedrijf 1] de financiering kon doen. De lening is verstrekt aan [bedrijf 4] , niet aan [betrokkene 2] .

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bovenstaande, ook in onderlinge samenhang bezien, niet dat het [betrokkene 2] is geweest die de lening heeft afgesloten bij [bedrijf 1] . Daarom volgt vrijspraak van dit deel van de tenlastelegging.

- [betrokkene 3]

De vader van [betrokkene 3] is bij [betrokkene 14] en [verdachte] op kantoor in Huissen geweest. Hij wilde een lening voor zijn dochter. Haar auto was het onderpand, maar hoewel er wel een overschrijving van de tenaamstelling is geweest, zijn ze er gewoon in blijven rijden. Zijn dochter had het geld privé nodig.16

In een contract/overeenkomst van 3 juli 2014 verklaart [betrokkene 3] dat zij voor onbepaalde tijd een schuld aangaat van € 10.000,- met een behandelingsfee van 2,5% in de maand. Als onderpand zal een kentekenbewijs van een Mercedes Benz (kenteken [kenteken 1] ) worden afgegeven.17

Bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 3] verklaard dat zij het geld nodig had om van te leven en dat zij nooit een bedrijf op naam heeft gehad. Zij herkent haar handtekening op het contract dat haar wordt getoond.18

Ter zitting heeft [betrokkene 14] verklaard dat [betrokkene 3] de auto heeft verkocht aan [bedrijf 1] en die vervolgens in bruikleen kreeg. Zij betaalde daar een fee voor en de auto is na aflossing van de lening teruggekocht.19

Hoewel de vader van [betrokkene 3] mogelijk tegen [betrokkene 14] en [verdachte] heeft verteld dat zijn dochter de lening voor zakelijke doeleinden nodig had, is de rechtbank van oordeel dat zij de schuld in privé is ingegaan. Dit volgt uit de verklaring van [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris en uit de tekst van het contract.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 1:20, eerste lid, van de Wft. Dit betekent dat [bedrijf 1] een vergunning nodig had voor het aanbieden van de lening aan [betrokkene 3] . Dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden bewezen.

- [betrokkene 4]

In het dossier bevindt zich een aanvullende overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding van 3 oktober 2012. Deze overeenkomst is gesloten tussen [bedrijf 1] en [betrokkene 4] in privé en namens [betrokkene 4] . [bedrijf 1] zal een bedrag van € 60.000,- uitlenen.20

De rechtbank stelt vast dat het bedrag van € 60.000,- op 4 oktober 2012 is overgemaakt van de rekening van [bedrijf 1] met vermelding van ‘Frau [betrokkene 4] ’. De betalingen aan [bedrijf 1] met betrekking tot de aflossing van deze lening (op 4 december 2012 (tweemaal), 10 januari 2013, 15 januari 2013, 1 februari 2013, 1 maart 2013, 4 maart 2013, 2 april 2013, 2 mei 2013, 3 juni 2013, 2 juli 2013, 2 augustus en 2 september 2013) zijn gedaan door ‘ [betrokkene 4] ’.21

Bij e-mail van 27 augustus 2019 heeft de verdediging een schriftelijke verklaring van

[betrokkene 4] (inclusief vertaling) overgelegd. Zij heeft bij een notaris verklaard dat de lening is afgesloten voor bedrijfsdoeleinden.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake geweest van een zakelijke lening, gelet op de tekst van de overeenkomst en de omschrijvingen bij de overboekingen. De rechtbank ziet gelet op deze stukken geen noodzaak om [betrokkene 4] te horen. Het voorwaardelijke verzoek daartoe van de verdediging wordt dan ook afgewezen. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat de schriftelijke verklaring van [betrokkene 4] zeer beknopt is en niet nader is onderbouwd met stukken betreffende het bestaan van het bedrijf en bijvoorbeeld de rekening courant verhouding die [betrokkene 4] met het bedrijf zou hebben, waardoor een terugbetaling door haar privé in de rede lag.

Nu niet is gebleken dat een van de uitzonderingen van artikel 1:20 van de Wft van toepassing is, is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf 1] de lening aan [betrokkene 4] niet zonder vergunning had mogen aanbieden. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

- [betrokkene 5]

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat [betrokkene 5] compagnon was bij het [bedrijf 12] en dat het geld voor dat bedrijf bedoeld was.

In de geldleningsovereenkomst met zekerheidstelling staat dat de geldnemer opdracht geeft aan de geldgever om € 15.000,- over te maken. Daarbij is de naam van [betrokkene 5] doorgehaald en zijn de gegevens van het [bedrijf 12] er met de hand bij geschreven.

Gelet op de verklaring van [verdachte] , in combinatie met de handgeschreven tekst op de overeenkomst, kan de rechtbank niet uitsluiten dat deze lening niet in privé is afgesloten. Daarom is de Wft niet van toepassing en volgt vrijspraak voor dit onderdeel van de tenlastelegging.

- [betrokkene 6]

In het dossier zit een schuldbekentenis en akte van geldlening met daarop de naam van [betrokkene 6] als schuldenaar en [bedrijf 1] als schuldeiser, met vermelding van een bedrag van € 75.000,-. Dit document is niet ondertekend door [betrokkene 6] .

Bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 6] verklaard een lening te hebben afgesloten bij [bedrijf 3] en niet bij [bedrijf 1] . In zijn beleving had [bedrijf 1] niets met de lening te maken. Ter zitting heeft ook [betrokkene 14] verklaard dat de lening van [betrokkene 6] nooit in [bedrijf 1] heeft gezeten.

Op twee handgeschreven notities met betrekking tot de lening van [betrokkene 6] (p. 4286 en p. 4288) staat ‘ [bedrijf 3] ’ en ‘Betaald Holding’.

Uit het bovenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze lening niet is afgesloten bij [bedrijf 1] . Daarom kan dit onderdeel van de tenlastelegging niet worden bewezen.

- [betrokkene 7]

heeft op 19 juni 2012 een lening van € 25.000,- afgesloten bij [bedrijf 1] , die is verlengd op 1 november 2012.22

[betrokkene 7] heeft verklaard dat hij dit in privé heeft afgehandeld. Hij heeft de lening afgesloten voor [betrokkene 13] en zijn auto borg gesteld voor de lening die [betrokkene 13] kreeg van [verdachte] . De auto van [betrokkene 7] heeft bij [verdachte] gestaan totdat de lening was afbetaald.23

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat de auto inderdaad bij hem in de loods heeft gestaan.24

De rechtbank vindt bewezen dat [betrokkene 7] de lening in privé heeft afgesloten. Hij heeft contact gehad met [verdachte] over de lening en het contract afgesloten en ook was zijn auto het onderpand. Dat het geld bedoeld was voor (het bedrijf van) [betrokkene 13] doet daaraan niet af. Daarom vindt de rechtbank het niet noodzakelijk [betrokkene 13] te horen. Het voorwaardelijke verzoek daartoe van de raadsman wordt dan ook afgewezen.

De rechtbank overweegt dat de auto van [betrokkene 7] bij [verdachte] heeft gestaan. De uitzondering van artikel 1:20, eerste lid, onder d, van de Wft zou van toepassing kunnen zijn. Als de lener in het geval van verkoop van het onderpand geen schuld overhoudt bij de instelling, is de Wft niet van toepassing. De rechtbank stelt vast dat in de met [betrokkene 7] afgesloten overeenkomst staat vermeld dat de geldgever bevoegd is het object te verkopen en de opbrengst te behouden, onverminderd haar recht op het overige wanneer de verkoop onvoldoende zou hebben opgebracht. Dat betekent dat [bedrijf 1] het eventuele verlies in dat geval in rekening brengt bij [betrokkene 7] . De uitzondering van artikel 1:20, eerste lid, onder d, van de Wft is daarom niet van toepassing. [bedrijf 1] had een vergunning nodig voor het aanbieden van deze lening. Dit onderdeel van de tenlastelegging is dan ook bewezen.

Tussenconclusie van de rechtbank met betrekking tot feit 1

De rechtbank overweegt dat de gedragingen van [betrokkene 14] en [verdachte] , zoals het voeren van gesprekken over het aanbieden van een lening en het ondertekenen van contracten, aan [bedrijf 1] kunnen worden toegerekend omdat die gedragingen in de sfeer van [bedrijf 1] plaatsvonden. De beslissingen van [betrokkene 14] en [verdachte] pasten in de normale bedrijfsvoering en waren dienstig aan [bedrijf 1] . Gelet op de feitelijke gang van zaken binnen [bedrijf 1] is bewezen dat [bedrijf 1] opzettelijk zonder de benodigde vergunning leningen heeft aangeboden aan [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 7] .

De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van het medeplegen van [bedrijf 1] . Dat de gedragingen van [betrokkene 14] en [verdachte] aan deze worden toegerekend, brengt niet met zich dat [bedrijf 1] tezamen en in vereniging met [betrokkene 14] en [verdachte] heeft gehandeld.

Feit 2

Onder een instelling als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) wordt, mede gelet op de bijlage bij Richtlijn 2006/48 onder meer bedoeld degene die, geen bank zijnde, in hoofdzaak zijn bedrijf maakt van het verrichten van een of meer van de volgende werkzaamheden: het verstrekken van leningen, waaronder consumentenkrediet, kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerend goed, factoring (met of zonder regres), financiering van commerciële transacties (met inbegrip van voorschotten).

Naar het oordeel van de rechtbank is [bedrijf 1] een instelling als bedoeld in de Wwft. [bedrijf 1] wordt verweten dat zij niet heeft voldaan aan de in artikel 16 van de Wwft opgenomen verplichting om een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie aan de Financiële inlichtingen eenheid te melden, onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden. BFS

De rechtbank stelt vast dat [bedrijf 1] bij de Financial Intelligence Unit niet als melder gesignaleerd staat.25

De rechtbank overweegt dat de verplichting op grond van artikel 16 van de Wwft duidelijk moet worden onderscheiden van de in artikel 3 van de Wwft opgenomen verplichting van een instelling om ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme cliëntonderzoek te verrichten. Zij stelt vast dat niet aan [bedrijf 1] ten laste is gelegd dat niet aan deze onderzoeksplicht is voldaan. Of [bedrijf 1] al dan niet voldoende onderzoek heeft gedaan naar haar cliënten is in het kader van deze strafzaak dan ook niet relevant.

De rechtbank zal hieronder ingaan op de in de tenlastelegging vermelde transacties. Zij hanteert als uitgangspunt de in de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (gebaseerd op artikel 15, eerste lid, van de Wwft en geldend in de tenlastegelegde periode) vermelde indicatoren aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie wordt aangemerkt als een ongebruikelijke transactie.

Ten aanzien van alle in de tenlastelegging opgenomen transacties concludeert de rechtbank dat de in die bijlage vermelde objectieve indicatoren die gelden voor een instelling als [bedrijf 1] , niet van toepassing zijn. De rechtbank zal daarom per transactie beoordelen of wordt voldaan aan de subjectieve indicator, namelijk of er voor [bedrijf 1] aanleiding was om te veronderstellen dat die transactie verband kon houden met witwassen of financieren van terrorisme.

Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende.

De rechtbank volgt de verdediging niet in het betoog dat vrijspraak moet volgen omdat alleen door [bedrijf 1] verstrekte leningen in de tenlastelegging zijn vermeld, terwijl het het Openbaar Ministerie meer lijkt te gaan om de terugbetalingen en de betalingen van rentes. De rechtbank overweegt dat ook een eenmaal verstrekte lening moet worden gemeld als bijvoorbeeld de wijze van terugbetaling van het geleende bedrage of de wijze van betaling van rente daar aanleiding toe geeft. De eerder verrichte transactie kan daardoor immers in een ander daglicht komen te staan.

In het verlengde hiervan overweegt de rechtbank dat het voor de meldingsplicht in beginsel niet relevant is wanneer een transactie heeft plaatsgevonden. Het kan ook gaan om transacties die dateren van vóór de aanvang van de zakelijke relatie tussen de cliënt en de instelling, en die eerst in het kader van de dienstverlening door die instelling aan het licht komen. Ook kan het voorkomen dat de instelling pas na langere tijd het ongebruikelijke karakter van een transactie ontdekt. Het is immers voorstelbaar dat de instelling naar aanleiding van een tweede of derde transactie van een cliënt tot het vermoeden komt dat de handelwijze van de cliënt mogelijk samenhangt met witwassen.

De enkele omstandigheid dat een cliënt van [bedrijf 1] bereid was een in verhouding hoge rente te betalen betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat [bedrijf 1] de betreffende lening had moeten melden. Uit de verklaringen van diverse cliënten van [bedrijf 1] volgt dat zij de hoge rente min of meer voor lief namen omdat ze snel geld nodig hadden. Het was een kwestie van vraag en aanbod en de rechtbank is van oordeel dat dit niet per definitie hoeft te duiden op een mogelijk verband met witwassen, laat staan met terrorisme.

De rechtbank overweegt verder dat in het dossier informatie over een aantal cliënten van [bedrijf 1] is vermeld die afkomstig is uit politiesystemen of van bijvoorbeeld de Belastingdienst. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen die gegevens alleen relevant zijn als [betrokkene 14] en/of [verdachte] op de hoogte was van (de strekking van) die informatie of anderszins aanwijzingen hiervoor had.

- [betrokkene 8]

heeft op 26 augustus 2013 een bedrag geleend van € 20.000,-, tegen een rente van 5% per maand. De rechtbank stelt vast dat er in verband met deze lening betalingen zijn gedaan van de rekening van [betrokkene 8] , maar ook van de rekeningen van [bedrijf 5] , [bedrijf 6] en [bedrijf 7] .

Andere relevante omstandigheden zijn de rechtbank uit het dossier niet gebleken. Dat [betrokkene 8] een flinke rente betaalde en dat er betalingen zijn gedaan van rekeningen van verschillende bedrijven is onvoldoende voor het oordeel dat [bedrijf 1] de lening had moeten melden.

- [betrokkene 9]

heeft op 8 mei 2012 een bedrag geleend van € 35.000,-, met een vergoeding van

€ 1.750,- per maand. De rechtbank heeft in het dossier geen andere relevante informatie over deze lening aangetroffen. Zoals hierboven al is overwogen, is de enkele omstandigheid dat een in verhouding hoge rente is betaald onvoldoende om te oordelen dat [bedrijf 1] de lening had moeten melden.

- [betrokkene 10]

heeft op 7 februari 2014 € 50.000,- geleend van [bedrijf 1] , met een vergoeding van

€ 2.500,- per maand. In verband met deze lening zijn overboekingen gedaan door [betrokkene 17] en [betrokkene 10] Warehouse.

In tapgesprekken tussen [betrokkene 10] en [verdachte] wordt gesproken over een ‘mooi plannetje’ van [betrokkene 10] dat ‘ook weer onderuit is geschoffeld’ en waarvoor hij zich moet melden.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit laatste onvoldoende concreet voor het oordeel dat [bedrijf 1] melding had moeten maken van de lening aan [betrokkene 10] . Ook in samenhang met de overige omstandigheden was er voor [bedrijf 1] geen aanleiding om te veronderstellen dat de transactie van 7 februari 2014 verband kon houden met witwassen of financieren van terrorisme.

- [betrokkene 11]

Op 9 juli 2012 is van de rekening van [bedrijf 1] € 28.000,- overgemaakt naar de rekening van

.26

Op 26 april 2013 is van de rekening van [betrokkene 14] € 1.400,- overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 1] , met de omschrijving ‘contant ontvangen [betrokkene 11] ’. Op de rekening van [bedrijf 1] is op 17 december 2013 € 2.050,- ontvangen van de rekening van [betrokkene 14] met de omschrijving ‘ [betrokkene 11] aflossing’. [bedrijf 1] heeft in 2013 en op 23 november 2015 ook van de rekening van [bedrijf 2] . bedragen ontvangen met de naam van [betrokkene 11] in de omschrijving.27

In de periode tussen 9 juli 2012 en 2 maart 2016 zijn er geen overboekingen geweest van een rekening van [betrokkene 11] of zijn partner [betrokkene 18] naar de rekening van [bedrijf 2] ..28

De rechtbank leidt hieruit af dat [betrokkene 11] contante betalingen heeft verricht in verband met zijn lening. Dit volgt ook uit zijn eigen verklaring dat hij de eerste tijd alle betalingen per bank heeft gedaan, maar dat er ook betalingen contant zijn gedaan. Zijn rekeningen waren op een gegeven moment bevroren in verband met een strafrechtelijk onderzoek en onderzoek door de fiscus, zo heeft [betrokkene 11] verklaard. Over het afsluiten van de lening heeft hij verklaard dat hij via een kennis in contact is gekomen met [verdachte] . Zijn eerste contact met [verdachte] was bij die kennis thuis. [betrokkene 11] is daarna bij [betrokkene 14] op kantoor geweest en heeft toen meteen getekend.29

Op 13 maart 2015 hebben [betrokkene 14] en [verdachte] telefonisch contact. Zij bespreken onder meer het volgende:

[betrokkene 14] : Ik heb nou een aangetekende brief gekregen van de politie.

[verdachte] : Oo wat nou weer

[betrokkene 14] : Ja ik ik mot op verhoor komen

[verdachte] : Wat nou weer

[betrokkene 14] : Voor die [betrokkene 11]

(…)

[verdachte] : En wat van [betrokkene 11] dan wat moet ie weet je niet

[betrokkene 14] : dat heb ik je toch gezegd die had een beetje gezeur gehad ook over witwasserij en

(onverstaanbaar)

[verdachte] : Oja oja

[betrokkene 14] : dat het een beetje een kriebel verhaal was van hem maar toch schijnbaar niet nou”.30

In een telefoongesprek van 17 maart 2015 zegt [betrokkene 14] het volgende tegen [verdachte] over het verhoor bij de politie: “Ja wat [betrokkene 11] wordt wel gelinkt aan groene vingers zei die ik zei nou ja dat kan.”31

Gelet op de contante betalingen van [betrokkene 11] in combinatie met de inhoud van de tapgesprekken tussen [betrokkene 14] en [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat er voor [betrokkene 14] en [verdachte] aanleiding was om te veronderstellen dat de verstrekking van de lening op 9 juli 2012 verband kon houden met witwassen.

- [betrokkene 12]

Op 3 september 2012 heeft [betrokkene 12] een lening van € 180.000,- afgesloten bij [bedrijf 1] .32 Dat bedrag is op diezelfde datum van de rekening van [bedrijf 1] overgemaakt naar een Duitse bankrekening op naam van [betrokkene 12] . Op 7 november 2012 is € 189.000,- van een Belgische bankrekening op naam van [betrokkene 12] overgemaakt naar [bedrijf 1] en op 22 november 2012 is

€ 9.000,- naar de rekening van [bedrijf 1] overgemaakt van een rekening op naam van [bedrijf 8] , gevestigd in het Verenigd Koninkrijk.33

In verband met een lening van [betrokkene 12] van 31 januari 2013, met hypotheekstelling34, zijn in 2013 van de rekening van [bedrijf 1] bedragen overgemaakt aan [bedrijf 9] , een bedrijf van [betrokkene 12] .35 In 2013 en 2014 heeft [bedrijf 1] bedragen ontvangen van [bedrijf 10] en [bedrijf 11] . [betrokkene 12] is enig aandeelhouder en directeur van dit eerste bedrijf.36

Op 11 oktober 2015 vindt een telefoongesprek plaats tussen [betrokkene 12] en [verdachte] . Zij bespreken onder meer het volgende:

“ [betrokkene 12] : Ja. Ik had Rob net aan de lijn

[verdachte] : Ja

[betrokkene 12] : En dat ging over die ehm... die hypotheek. Ik heb toevallig van de week heb ik dus een gesprek gehad, aangaande de pokker (fon.). Want die hebben ze nog van mij, ze willen iets van 11 miljoen of weet ik wat hebben.

[verdachte] : Ja

[betrokkene 12] : Dat gaat heel moeilijk worden. En... Maar ik heb wel, omdat ik dat andere huis verkocht heb...

[verdachte] : Ja

[betrokkene 12] : Heb ik nu een brief gekregen van de prosecutor (Engels)

[verdachte] : Ja

[betrokkene 12] : Dat ik niet mag handelen met de dingen die ik heb. Dus... Ik begreep van Rob dat jullie bezig waren om dat eh...

[verdachte] : Nee daar was Rob mee bezig. Die zegt ja, dat staat er maar, dat staat er maar. En jullie krijgen nog geld en de bank krijgt nog geld. En de hypotheek moet betaald worden, dus het beste is verkopen. Maar mag je niet of wel verkopen?

[betrokkene 12] : Ja hij verteld mij andersom, maar goed dat maakt niet uit. Dat doet er niet toe Ber, dat is niet zo belangrijk

[verdachte] : Nee, nee nee

[betrokkene 12] : Maar ehm... Kijk ik heb er geen problemen mee. Dus eh... Maar ik heb wel een probleem als ik het doe.

[verdachte] : Hoe bedoel jij? Leg me eens uit dan?

[betrokkene 12] : Nou, ik heb dus een brief gekregen dat ik dus niet mag handelen zolang die pokker (fon.) loopt.

[verdachte] : Nee maar jij handelt toch niet op dat moment?

[betrokkene 12] : Die pokker (fon.) is zeg maar de plukze he, de Engelse plukze

[verdachte] : Ja ja ja

[betrokkene 12] : En zolang dat loopt mag ik niet handelen. Ik mag geen dingen ondernemen, ik mag geen aandelen verkopen, ik mag geen aandelen kopen, ik mag niks

[verdachte] : Maar jij verkoopt toch niks op dat moment. Het geld gaat naar de bank, het geld gaat naar ons en dat wastie

[betrokkene 12] : Ja, maar... In ieder geval dat gaat niet, want dan ligt er beslag op

[verdachte] : Eigenlijk verkopen de eigenaren van het huis.... Snap je wat ik bedoel? Ja dat ligt daarop?

[betrokkene 12] : Ja. Maar even om het makkelijk te maken, ik hoop het af te ronden voor de kerst

[verdachte] : Ja

[betrokkene 12] : Het is zeker afgerond voor de kerst, kan ik wel zeggen”

en

“ [verdachte] : We zetten vast... Koos, te koop mag er altijd op staan. Het is niet zo dat het morgen verkocht is, dat kan goed drie jaar duren dus. Dus je snapt wat ik bedoel.

[betrokkene 12] : Ja. Ja maar wees er voorzichtig mee, want ik wil geen geouwehoer hebben hier

[verdachte] : Nee doe ik, ik wil ook niet dat jij er narigheid van krijgt. Maar dat doen we allemaal in overleg, dat komt goed jongen

[betrokkene 12] : Ja ja. Want het is zo, kijk als ik, wat uit die pokker (fon.) komt, stel dat ik dat niet wil of niet kan betalen, je krijgt hier voor elke ton die je niet betaald krijg je een halfjaar extra

[verdachte] : Eh en hoeveel willen ze beuren?

[betrokkene 12] : Eén komma... één zeven honderd. Nee één komma één zeventig.

[verdachte] : Ja ja ja

[betrokkene 12] : Bijna 1,2 miljoen zeg maar.

[verdachte] : Ja precies

[betrokkene 12] : Maar dat is gebaseerd op eh... Wat hun dan zeggen, dat was de winst van het verhaal

[verdachte] : Ja

[betrokkene 12] : Ja dat kunnen ze niet ehm... Maar het zijn een stelletje lekkeren hier. Want ik heb dus in het proces... Nou hebben ze dus, al die transporten hebben ze na kunnen gaan. En nou zeggen ze ja, gemiddeld was het zeg maar zoveel, dus nou heb ik iets van bijna 16 ton cannabis overgebracht en bijna 2000 kilo aan eh... Aan class A drugs (Engels). Dus dan snap je het al

[verdachte] : Ja, dat nemen ze je niet in dank af waarschijnlijk

[betrokkene 12] : Nee. Nee nee nee, dus maar ja daar zit ik met mijn hoger beroep natuurlijk ook mee he.”37

De rechtbank overweegt dat [betrokkene 14] en [verdachte] ook na de aflossing van de lening van

3 september 2012 zakelijk contact hielden met [betrokkene 12] en dat op 31 januari 2013 een nieuwe lening met hypotheek is afgesloten. Op enig moment zijn zij op de hoogte geraakt van de strafzaak tegen [betrokkene 12] in het Verenigd Koninkrijk, die ook gevolgen had voor de op 31 januari 2013 door [bedrijf 1] aan [betrokkene 12] verstrekte lening. Naar het oordeel van de rechtbank was er voor [betrokkene 14] en [verdachte] aanleiding om te veronderstellen dat de verstrekking van de lening van 3 september 2012 verband kon houden met witwassen.

Tussenconclusie van de rechtbank met betrekking tot feit 2

De rechtbank overweegt dat de gedragingen en het nalaten van [betrokkene 14] en [verdachte] , zoals het afsluiten van leningen en het niet melden van ongebruikelijke transacties, aan [bedrijf 1] kunnen worden toegerekend omdat die gedragingen en dat nalaten in de sfeer van [bedrijf 1] vielen. De beslissingen van [betrokkene 14] en [verdachte] pasten in de normale bedrijfsvoering.

[betrokkene 14] en [verdachte] hebben ter zitting verklaard dat de transacties met [betrokkene 11] en [betrokkene 12] voor hen niet ongebruikelijk waren. De rechtbank overweegt dat op hen echter wel de plicht rustte om van deze transacties melding te maken bij het meldpunt. Het opzet in het economisch strafrecht is ‘kleurloos’. Dat betekent dat niet is vereist dat het opzet ook is gericht op het niet naleven van de wettelijke verplichting ongebruikelijke transacties te melden. Er hoeft niet te worden bewezen dat er wetenschap was van het feit dat sprake was van een ongebruikelijke transactie.

Gelet op het bovenstaande is bewezen dat [bedrijf 1] opzettelijk geen melding heeft gemaakt van verrichte ongebruikelijke transacties, te weten de betalingen aan [betrokkene 11] en [betrokkene 12] .

Medeplegen van feitelijk leidinggeven feiten 1 en 2

Zoals al eerder is vastgesteld zijn [betrokkene 14] en [verdachte] via respectievelijk [bedrijf 3] en [bedrijf 2] . de aandeelhouders van [bedrijf 1] . [betrokkene 16] is enige tijd algemeen directeur geweest en op 10 oktober 2012 zijn [bedrijf 2] . en [bedrijf 3] toegetreden als bestuurders van [bedrijf 1] .

[betrokkene 16] heeft verklaard dat hij in formele zin directeur van de vennootschap is geweest, maar dat [betrokkene 14] en [verdachte] dat in technische zin waren. Met dat laatste bedoelt [betrokkene 16] iemand die aan de touwtjes trekt, iemand die invloed kan uitoefenen. Hij werd niet zo behandeld en ook niet zo gezien. Zijn eigen rol was zeer beperkt. Hij kreeg instructies van [betrokkene 14] .38 In reactie op deze verklaring heeft [betrokkene 14] ter zitting verklaard dat het juist is dat [betrokkene 16] opdrachten kreeg. Dat was ook logisch, want [betrokkene 14] en [verdachte] waren de aandeelhouders.39

[betrokkene 1] heeft zijn lening afgesloten met [betrokkene 14] , namens [bedrijf 1] .40

Het contract met [betrokkene 3] is ondertekend door [verdachte]41 en zoals bij feit 1 al is vermeld, heeft haar vader op het kantoor in Huissen gesproken met [verdachte] en [betrokkene 14] .

[bedrijf 1] is vertegenwoordigd door [betrokkene 14] bij het afsluiten van de lening aan [betrokkene 4] .42

[betrokkene 7] heeft de lening bij [verdachte] afgesloten.43

[betrokkene 11] heeft met zowel [betrokkene 14] als [verdachte] contact gehad.44

[betrokkene 12] heeft in verband met zijn eerste lening gesproken met [verdachte] .45 De lening van [betrokkene 12] met hypotheekstelling van 31 januari 2013 is door [betrokkene 14] afgesloten en [betrokkene 12] en [betrokkene 14] zijn samen bij de notaris geweest.46

[betrokkene 14] en [verdachte] hebben onderling telefoongesprekken gevoerd over de afgesloten leningen en de terugbetalingen.

Zo vindt op 3 februari 2015 het volgende gesprek plaats:
[verdachte] : Ja ja da go….ja….vin ik ok. Al die contracten die aflopen gaan we effetjes eh…

[betrokkene 14] : Die [betrokkene 1] (fon.) die heb ik al verlengd…dus die heb ik al”.47

Op 3 oktober 2015 belt [verdachte] naar [betrokkene 14] . [betrokkene 14] zegt in dat gesprek dat hij die [betrokkene 1] (fon), die Koppers (fon) gedaan die heeft betaald en [betrokkene 1] staat er maandag op.48

Op 28 augustus 2015 belt [betrokkene 14] met [verdachte] :

[betrokkene 14] : Dan zal ik van de week ook even kijken maar.. volgens mij die Wezenberg (ng) hè heij die staat ook nog steeds niet goed hoor

[verdachte] : Nee. die heeft wel weer wat gestort, maar die hoeft maar één belletje of één smsje

die doen "Bam" en die staat gelijk weer bij

[betrokkene 14] : Nee (3x) dat weet ik

[verdachte] : Maar die gaan we.. alles lopen we even na en dan doen we in één keer.. iedereen een smsje of een belletje of effentjes wat ze allemaal moeten en dan komt het allemaal goed. Goed?”49

Op 31 augustus 2015 belt [betrokkene 14] met [verdachte] :

[betrokkene 14] : Zeg maar wanneer jou het beste uitkomt.

(….)

[verdachte] : Nee ik moet even ’s morgens naar de tandarts half negen ik ben om elf uur bij jou

[betrokkene 14] : dan maken we samen die contracten

[verdachte] : ja is goed.”50

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat [betrokkene 14] en [verdachte] nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt en dat zij allebei vanaf de oprichting van het bedrijf feitelijk leiding hebben gegeven aan [bedrijf 1] . Cliënten kwamen via zowel [betrokkene 14] als [verdachte] bij [bedrijf 1] terecht. Zij sloten allebei contracten af en bespraken de stand van zaken met betrekking tot de leningen en de betalingen met elkaar. De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van het medeplegen van het feitelijk leidinggeven aan de verboden gedragingen.

Feit 3

Aanleiding onderzoek

In februari 2014 kwam een melding binnen bij het Team Criminele Inlichtingen en in augustus 2014 een melding bij Meld Misdaad Anoniem. De strekking van de meldingen was dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich met illegale lotto bezig houden in Nijmegen en omgeving. Naar aanleiding hiervan werd nader onderzoek ingesteld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gelegenheid geven tot het spelen van een illegale lotto, zoals ten laste is gelegd onder feit 3. Hij heeft dit tezamen en in vereniging met anderen gedaan en hij heeft hiervan een gewoonte gemaakt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat uit het dossier niet is gebleken wat verdachte in de woning bij [medeverdachte 1] deed. Ook volgt niet uit het dossier dat verdachte diverse adressen bezocht in verband met illegale lottospelen. Voorts zijn de verklaringen die getuige [getuige 1] heeft afgelegd gebaseerd op aannames. Terughoudendheid in het gebruik van deze verklaringen is daarom geboden. Over de aangetroffen emmer op het terrein van verdachte − met daarin papiersnippers die tot lottobriefjes, tabellen en namenlijsten konden worden gereproduceerd − heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet vast is komen te staan dat de gevonden papieren te maken hebben met de illegale lotto. Ook kan verdachte niet in verband worden gebracht met de emmer. De in de emmer aangetroffen loten en papieren kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Dat verdachte enige rol van betekenis heeft gespeeld in de illegale lotto kan niet worden bewezen zodat vrijspraak dient te volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] worden in de bewijsoverweging aangeduid bij hun achternamen.

Op 10 april 2016 hebben diverse doorzoekingen plaatsgevonden.51

In de tuin, op een terras naast de keuken van de woning van verdachte in Afferden, werd in een emmer een omvangrijke partij (ruim 1600)52 ingevulde lottobriefjes en papiersnippers aangetroffen. De lottobriefjes hadden de onderscheidende opdruk “6 aus 49” en “6 uit 45” en “Duitse Combi Lotto – Holl Combi Lotto.” Twee uit de aangetroffen papiersnippers gereproduceerde documenten betreffen gedeeltes van Lotto-totaallijsten, waarvan op één lijst de datum 2 april 2016 vermeld staat. Ook op de aangetroffen ingevulde lottobriefjes staat de datum 2 april 2016 vermeld.53

Bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] in Nijmegen waren naast [medeverdachte 1] zelf, ook verdachte en [medeverdachte 2] aanwezig. Bij die doorzoeking werden blanco en ingevulde lottobriefjes, € 12.500,- aan contant geld in een kluis, € 672,70 aan kleingeld en doormidden gescheurde formulieren aangetroffen. De formulieren betreffen namenlijsten. Op één van deze namenlijsten staat vermeld: “de Duitse lotto 6 uit 49” met daarop handgeschreven de uitslag van de Duitse lotto “6 aus 49” van zaterdag 9 april 2016.54

In het souterrain van de woning van [medeverdachte 1] was onder andere een kantoorruimte ingericht. Op een tafel in deze ruimte lagen o.a. lottoformulieren en een rekenmachine.55

In de woning van [medeverdachte 2] in Nijmegen werden onder andere aangetroffen: blanco lottoboekjes, een usb-stick en diverse namenlijsten, waaronder een lijst met namen van ‘lopers’ en een lijst met 674 namen met daarop vermeld: “de Duitse lotto 6 uit 49.”56 Op de usb-stick werden meerdere Excel-rekenbestanden aangetroffen. Het bestand genaamd ‘kopie van controlelijst’ was op zaterdag 9 april 2016 om 20.44 uur voor het laatst gewijzigd. Dit rekenbestand bleek zodanig ingericht dat de opgenomen lottospelers, na de invoer van de uitslagen van de legale Nederlandse en/of Duitse lottotrekkingen, eenvoudig als prijswinnaars konden worden geselecteerd.57

[getuige 2] heeft verklaard dat hij een deel van de loterij organiseerde. Hij had ongeveer zes klanten en bracht wekelijks 100 à 110 briefjes naar [medeverdachte 1] . Ook verklaarde [getuige 2] dat hij bedoeld wordt met de vermelding AK NO: 6, zoals dit staat vermeld op een serie lottobriefjes “6 aus 49” die in de in beslag genomen emmer uit de tuin van verdachte zijn aangetroffen. Hij is in februari 2015 begonnen met spelen en is een maand of acht à negen, bijna een jaar lang met de boekjes bezig geweest.58

[getuige 1] heeft verklaard dat, voor zover hij weet, de lotto van verdachte is. Al 20 jaar krijgt hij zijn boekjes van verdachte. [getuige 1] speelde wekelijks mee, hij vulde iedere week 12 of 15 briefjes in. Verdachte haalde de briefjes iedere zaterdag voor de trekking op, dit was tussen 15:30 en 16:00 uur. Dan liep [getuige 1] naar beneden en gaf de briefjes aan verdachte. Hij heeft de envelop ook wel eens uit het raam gegooid. De trekking van zowel de Hollandse als de Duitse lotto is op zaterdagavond te zien op TV. Als hij had gewonnen kwam verdachte zondags tussen 10:00 uur en 12:00 uur een envelop met geld brengen.59Als verdachte op vakantie was, nam [medeverdachte 1] de zaken waar.60

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij enkele keren per jaar boekjes drukte voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Omstreeks het jaar 2006 vroeg [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] lottoformulieren voor hem wilde drukken. [medeverdachte 3] wist dat het niet om de legale lotto ging. [medeverdachte 3] heeft ongeveer 10 jaar lang voor [medeverdachte 2] gedrukt. Hij weet niet precies meer hoe lang hij voor [medeverdachte 1] heeft gedrukt, hij denkt een jaar of acht. De laatste bestelling is in april 2014 geweest. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bestelden formulieren die betrekking hadden op de Nederlandse en Duitse lotto.61

Op 4 februari 2015 is plaatsbepalingsapparatuur geplaatst in de Porsche Panamera van verdachte. Tussen 4 februari 2015 en 27 november 2015 liggen 42 weekenden. In 28 weekenden is het baken op zowel zaterdag als zondag gepeild aan de [adres 1] in Nijmegen, de woning van [medeverdachte 1] . In vier weekenden is het baken niet gepeild bij de woning. In zeven weekenden is er alleen op zaterdag en gepeild en in drie weekenden alleen op zondag.62

Bij observaties is ook [medeverdachte 2] regelmatig gezien bij de woning van [medeverdachte 1] , op momenten dat verdachte daar ook was.

Zaterdag 21 november 2015: 63

16.29

uur: Ik zag dat de Porsche (…) geparkeerd werd op de [adres 1] te Nijmegen, ter hoogte van de woning [adres 1] en dat [verdachte] (…) in de richting van de voordeur van genoemde woning liep.

17.11

uur: wij zagen dat [medeverdachte 2] (…) vanaf de [adres 1] te Nijmegen vertrok met de Renault (…).

Zondag 22 november 2015: 64

7.59

uur: (…). Wij zagen dat [verdachte] (…) naar binnen ging bij perceel [adres 1] te Nijmegen.

8.03

uur: (…). Wij zagen dat [medeverdachte 2] (…) uitstapte en perceel [adres 1] te Nijmegen binnenging.

9.26

uur: Wij zagen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] uit perceel [adres 1] te Nijmegen kwamen lopen. Wij zagen dat [verdachte] twee oranje doosjes in zijn handen droeg. Wij zagen dat [medeverdachte 2] een blauw/witte plastic tas droeg en twee oranje doosjes. Wij zagen dat ze alles in de Renault (…) legden.

Zaterdag 19 maart 2016: 65

16.29

uur: Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte 2] samen aan kwamen lopen over de [adres 1] te Nijmegen. (…). Ik zag dat beiden richting de voordeur van perceel [adres 1] te Nijmegen liepen.

Zondag 20 maart 2016: 66

7.58

uur: Ik zag dat [verdachte] (…) aanbelde bij perceel [adres 1] en vervolgens werd binnengelaten.

8.08

uur: Ik zag dat [medeverdachte 2] (…) na aanbellen bij perceel [adres 1] te Nijmegen werd binnengelaten.

9.16: Ik zag dat [medeverdachte 2] als bestuurder vertrok in de Peugeot (…).

10.03: Ik zag dat [verdachte] uit perceel [adres 1] te Nijmegen kwam en richting zijn BMW (…) liep.

De rechtbank overweegt dat de trekking van de Nederlandse en Duitse Lotto wekelijks op zaterdagavond plaatsvindt. Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en [medeverdachte 2] op zaterdag vóór het tijdstip van de trekking bij de woning van [medeverdachte 1] kwamen. Op zondag kwamen ze weer bij genoemde woning en werden de prijzen verdeeld. Verdachten maakten voor het bepalen van de prijswinnaars gebruik van de lottotrekkingen van de legale lotto.

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk gelegenheid heeft gegeven tot het spelen van een lottospel. Noch gesteld, noch gebleken is dat verdachte of één van de medeverdachten een vergunning had als bedoeld in de Wet op de Kansspelen. Hiermee staat dan ook vast dat voor de lotto zoals die is georganiseerd door verdachte en medeverdachten geen vergunning was verleend. Er was dus sprake van een illegale lotto.

De rechtbank is tevens van oordeel dat verdachte dit tezamen en in vereniging met onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gedaan. Hoewel, mede door het zwijgen van verdachten, niet exact duidelijk is geworden wat de rolverdeling tussen verdachten was, is wel bewezen dat er op enigerlei wijze is samengewerkt. Dat verdachte enkel wel eens lottobriefjes bij [getuige 1] ophaalde en zijn bezoeken aan [medeverdachte 1] niets met de illegale lotto te maken hadden, zoals verdachte ter zitting naar voren heeft gebracht, vindt de rechtbank op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen niet aannemelijk.

Gelet op de verklaring van [getuige 1] dat hij al 20 jaar lottoboekjes van verdachte krijgt vindt de rechtbank ook de ten laste gelegde periode bewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om terughoudend met de verklaring van [getuige 1] om te gaan, zoals door de verdediging naar voren is gebracht. Zijn verklaring wordt immers ondersteund door objectieve informatie, te weten diverse observaties. Op zaterdag 14 maart 2014 om 15:47 uur, op zaterdag 21 november 2015 om 15:58 uur en op zaterdag 19 maart 2016 om 15:48 uur gooit [getuige 1] een witte envelop naar beneden die door verdachte wordt opgevangen.67 Dit is conform de verklaring van [getuige 1] dat verdachte de briefjes iedere zaterdag voor de trekking tussen 15:30 en 16:00 uur kwam ophalen en dat [getuige 1] de envelop ook wel eens naar beneden gooide.

Voorts verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat niet vast is komen te staan dat de gevonden papieren in de emmer te maken hebben met de illegale lotto. Vast staat dat verdachte geen bemoeienis heeft gehad met het organiseren van de legale lotto. De rechtbank kan dan ook niet tot een andere conclusie komen dan dat een emmer met daarin ruim 1600 loten te maken heeft met de illegale lotto. Bovendien zijn in de emmer lottobriefjes aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met [getuige 2] , die heeft bekend dat hij een deel van de illegale lotto organiseerde. Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook vast dat de in de emmer aangetroffen papieren met de illegale lotto te maken hebben. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat de emmer op zijn terrein stond, zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde, gelet op de vindplaats van de emmer.

Gelet op de frequentie (wekelijkse trekkingen) en de periode waarin het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en medeverdachten een gewoonte hebben gemaakt van het gelegenheid geven tot het spelen van een illegale lotto.

Feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat er geen bewijs is dat het bedrag van € 80.000,- afkomstig is uit enig misdrijf. Bovendien heeft verdachte slechts een contant bedrag op de eigen bankrekening gestort en dat geld vervolgens overgeboekt naar [bedrijf 1] . Dat handelen is niet gericht op het verhullen of verbergen van een criminele herkomst.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft op 8 januari 2009 € 80.000,- gestort op zijn privérekening. Op 10 maart 2009 is

€ 50.000,- van die rekening overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 1] en op 11 maart 2009 heeft een overboeking van € 20.000,- naar diezelfde rekening plaatsgevonden. Volgens het Openbaar Ministerie kon verdachte op 8 januari 2009 niet beschikken over een dergelijk contant geldbedrag.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen. Door een dergelijk bedrag aan contant geld met een onbekende herkomst te storten en vervolgens over te boeken, kan sprake zijn van het verbergen of verhullen van de werkelijke aard van het geldbedrag, dan wel van het omzetten van dat geldbedrag zoals bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt dat in zaken waarin een verdenking van witwassen voorligt, het volgende toetsingskader geldt.

Voor een bewezenverklaring van het onderdeel "afkomstig uit enig misdrijf" is, gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

De rechtbank overweegt dat in deze strafzaak bewezen is dat verdachte strafbare feiten heeft gepleegd. Gelet op de pleegperiodes zijn deze strafbare feiten niet relevant bij beoordeling van de vraag of verdachte met de tenlastegelegde transactie geld afkomstig uit enig misdrijf heeft witgewassen.

Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo'n verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De raadsman heeft op 19 juni 2019 enkele stukken naar de officier van justitie verzonden en zich op het standpunt gesteld dat verdachte op genoemde datum wel degelijk over een contant bedrag van € 80.000,- kon beschikken. Daarbij is naar voren gebracht dat eind 2008 een groot bedrag contant is opgenomen, onder meer afkomstig van de verkoop van paarden en een woning.

Naar aanleiding van die stukken is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Daarin is

geconcludeerd dat verdachte niet kon beschikken over € 80.000 contant geld. De verklaring over geldopnames eind 2008 afkomstig uit de verkoop van een woning in 2004 en opbrengsten uit de verkoop van paarden is door de verbalisant als op voorhand hoogst onwaarschijnlijk bestempeld.

De rechtbank overweegt dat verdachte een verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld. Uit de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie nader onderzoek heeft laten doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van het geld, leidt de rechtbank af dat het Openbaar Ministerie de verklaring van verdachte concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk vond. In het proces-verbaal van bevindingen is slechts geconcludeerd dat de verklaring van verdachte op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De rechtbank is van oordeel dat met deze conclusie, ook in het licht van de door de raadsman overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting, niet wordt voldaan aan het criterium dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het bedrag van € 80.000,- een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Daarom wordt verdachte vrijgesproken van feit 4.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

[bedrijf 1] ,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 10 april 2016 te Huissen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen opzettelijk zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning (telkens) aan verschillende personen) (een) krediet(en) heeft aangeboden, te weten aan:

- [betrokkene 1] (E. 9.500,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 2, p. 2008-2009 en p. 4034 e.v.]

- [betrokkene 2] (E. 6.150,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 3a, p. 2009 en p. 4206 e.v.]

- [betrokkene 3] (E. 10.000,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 10, p. 2015-2016 en p. 4050 e.v.]

- [betrokkene 4] (E. 60.000,- althans enig geldbedrag); [clusternr. 28, p. 2031 en p. 4351 e.v.]

- [betrokkene 5] (E. 15.000,-, althans enig geldbedrag); [clusternr. 51, p. 2042 en p. 4245 e.v.]

- [betrokkene 6] (E. 75.000,-, althans enig geldbedrag);[clusternr. 52, p. 2042 en p. 4284 e.v.]

- [betrokkene 7] (E. 25.000,-, althans enig geldbedrag); [clusternr. 56, p. 2044 en p. 4326 e.v.]

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

2.

[bedrijf 1] ,

zijnde een instelling in de zin van artikel 1 lid 1 onder a sub 3° van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (wettekst geldend in de periode van 1 mei 2012 tot en met 31 december 2013) dan wel artikel 1 lid 1 onder a sub 2° van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (wettekst geldend in de periode van 1 januari 2014 tot en met 10 april 2016) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2012 tot en met 10 april 2016 te Huissen en/of Zoetermeer en/of (elders) in Nederland,

(telkens) opzettelijk in strijd met de in artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme neergelegde meldingsplicht, (een) verrichte of voorgenomen ongebruikelijk transactie(s) niet en/of niet onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de (voorgenomen) transactie(s) bekend is geworden, heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid,

immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding gedaan van:

- een op of omstreeks 26 augustus 2013 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 20.000 euro aan [betrokkene 8] ; [clusternummer 1, p. 2007-2008 en 3962 e.v.]

- een op of omstreeks 8 mei 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 35.000 euro aan [betrokkene 9] ; [clusternummer 6, p. 2011 en p. 4338 e.v.]

- een op of omstreeks 7 februari 2014 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 50.000 euro aan [betrokkene 10] ; [clusternummer 13, p. 2017-2018 en p. 4013 e.v.]

- een op of omstreeks 9 juli 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 28.000 euro aan [betrokkene 11] ; [clusternummer 17, p. 2020-2021 en p. 3903 e.v.]

- een op of omstreeks 3 september 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een betaling van 180.000 euro aan [betrokkene 12] ; [clusternummer 21, p. 2024-2025 en p. 4277 e.v.];

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 10 april 2016 te Nijmegen en/of andere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan (personen uit) het publiek om (telkens) door middel van een of meer (kans)spel(en), te weten (onder meer) een lottospel ("6 aus 49" en/of "6 uit 45" en/of soortgelijke spellen) dat gebaseerd is op Nederlandse en/of Duitse lottotrekkingen mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars (telkens) geschiedde door enige kansbepaling (te weten een (legale) Nederlandse en/of Duitse lottotrekking) waarop de deelnemers (telkens) in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor (telkens) geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend, terwijl hij van het plegen van dit/deze misdrijf/misdrijven een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding geven aan opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 2:60, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2: tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding geven aan opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 3: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet op de kansspelen, terwijl van het plegen van dat misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.

6 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden en een geldboete van € 25.000,-.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie aan sfeervorming heeft gedaan en een onjuist beeld van verdachte heeft gecreëerd. Hij heeft ook gewezen op de duur van de procedure. Een gevangenisstraf is geen passende strafmodaliteit.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft als feitelijk leidinggever leningen verstrekt zonder de benodigde vergunning en nagelaten om twee ongebruikelijke transacties te melden bij het daartoe bestemde meldpunt.

Verdachte heeft regels omzeild die tot doel hebben het financiële verkeer te controleren en kredietnemers te beschermen. Ook heeft verdachte de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen.

Daarnaast heeft verdachte, samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] jarenlang de Wet op de Kansspelen overtreden door een illegale lotto te organiseren. Verdachte heeft hierbij kennelijk enkel gehandeld uit financieel gewin. Het is verboden om zonder vergunning een lotto te organiseren. Doel van dit verbod is niet alleen het voorkomen van gokverslaving, maar ook het beschermen van de consument en het tegengaan van criminaliteit en illegaliteit. Een vergunningstelsel maakt het mogelijk om (voorafgaand) toezicht te houden op de aanbieders van kansspelen. Het door de overheid gehanteerde kansspelbeleid wordt door het handelen van verdachte op onaanvaardbare wijze doorkruist.

De rechtbank heeft zich deels onbevoegd verklaard en minder bewezenverklaard dan de officier van justitie bewezen achtte. Mede daarom zal de rechtbank aan verdachte een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist.

De rechtbank constateert daarnaast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Uitgangspunt is dat de berechting van een zaak in eerste aanleg met een eindvonnis moet zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Ruim drie jaar na de aanhouding van verdachte is de zaak op zitting behandeld. Naast het feit dat het onderzoek tegen verdachte omvangrijk is geweest, is de lange duur van de behandeling ook een gevolg van de proceshouding van de verdediging, er is immers een groot aantal getuigen, in verband met het ten laste gelegde onder feit 1 en 2, door de verdediging opgegeven en door de rechter-commissaris gehoord. Deze omstandigheden rechtvaardigen echter niet een overschrijding van de redelijke termijn met ruim één jaar. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het ten laste gelegde onder feit 3 geen enkel verband houdt met het ten laste gelegde onder de feiten 1 en 2. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom de zaak van verdachte met betrekking tot het organiseren van een illegale lotto niet eerder op zitting is aangebracht. De rechtbank zal in de strafoplegging dan ook rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Ook houdt de rechtbank rekening met het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 24 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Gelet op bovenstaande is een gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank niet meer aan de orde. Alles afwegende vindt de rechtbank een geldboete van € 10.000,- en een taakstraf van 200 uur passend en geboden.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op

de artikelen 23, 24c, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

artikel 2:60 van de Wet op het financieel toezicht,

artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme,

artikel 1 van de Wet op de kansspelen en de

artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van feit 5;

 spreekt verdachte vrij van feit 4;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 5;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een taakstraf gedurende 200 (tweehonderd) uur met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;

 beveelt dat de tijd, die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en

mr. B.F. Schuver, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar en mr. E. Bruinsma-Visscher, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op

19 september 2019.

mr. Schuver is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, tactische opsporing, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0750-2014062979 (onderzoek 07TAC14010 Trombone), gesloten op 27 december 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Uittreksel Kamer van Koophandel, p. 341.

3 Uittreksel Kamer van Koophandel, p. 340.

4 Oprichtingsakte, p. 3297-3314.

5 Brief Kamer van Koophandel, p. 3327.

6 Aandeelhoudersbesluit 8 oktober 2012, p. 3324 en Opgaveformulieren betreffende toetreden bestuurder, p. 3338-3341.

7 AFM, Q&A over Flitskrediet ‘onbetekenende kosten’, p. 3540-3542.

8 Definitieve standpuntbepaling AFM, p. 3672.

9 Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4034-4037.

10 Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4038-4041.

11 Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4042-4045.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] (G09.01), p. 3737-3738.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris, 6 februari 2018.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris, 6 februari 2018.

15 Verklaring van [betrokkene 14] ter zitting van 28 augustus 2019.

16 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris, 5 april 2018.

17 Contract/overeenkomst, p. 4050.

18 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris, 5 april 2018.

19 Verklaring van [betrokkene 14] ter zitting van 28 augustus 2019.

20 Aanvullende overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4351-4352.

21 CD-rom AH521, Excel-bestand bankrekening [bedrijf 1] .

22 Geldleningsovereenkomst met zekerheidsstelling, p. 4326-4327 en Geldleningsovereenkomst met zekerheidsstelling, p. 4328-4329.

23 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 7] bij de rechter-commissaris, 6 februari 2018.

24 Verklaring van [verdachte] ter zitting van 28 augustus 2019.

25 Aanvullend proces-verbaal overtreding WWFT, p. 2276.

26 Proces-verbaal van bevindingen AH111, p. 3253.

27 Proces-verbaal van bevindingen AH111, p. 3254.

28 CD-rom AH521, met betrekking tot de bankrekening van [bedrijf 2] .

29 Proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 11] bij de rechter-commissaris, 13 april 2018

30 CD-rom AH521, Tapgesprek [naam 5] -3400.

31 CD-rom AH521, Tapgesprek [naam 5] -3523.

32 Schuldbekentenis en akte van geldlening, p. 4277-4278 en proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 12] bij de rechter-commissaris, 27 februari 2018.

33 Proces-verbaal van bevindingen AH112, p. 3260-3262.

34 Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4124-4125 en Akte hypotheek met geldlening, p. 4116-4123.

35 Proces-verbaal van bevindingen AH112, p. 3260-3262 en e-mail [betrokkene 12] aan [betrokkene 14] , p. 4145.

36 Proces-verbaal van bevindingen AH112, p. 3260-3262.

37 CD-rom AH521, tapgesprek [naam 1] en proces-verbaal zaaksdossier 01, p. 2024-2025.

38 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 16] , p. 1466-1470.

39 Verklaring van [betrokkene 14] , afgelegd ter zitting van 28 augustus 2019.

40 Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4034-4037.

41 Contract/overeenkomst, p. 4050.

42 Aanvullende overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4351-4352.

43 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 7] bij de rechter-commissaris, 6 februari 2018.

44 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 11] bij de rechter-commissaris, 13 april 2018.

45 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 12] bij de rechter-commissaris, 27 februari 2018.

46 Overeenkomst van geldlening tevens akte van verpanding, p. 4124-4125 en Hypotheek met geldlening, p. 4116-4123.

47 Proces-verbaal van bevindingen AH097, p. 3051.

48 CD-rom AH521, Tapgesprek [naam 2] .

49 CD-rom AH521, Tapgesprek [naam 3] .

50 CD-rom AH521, Tapgesprek [naam 4] .

51 Proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5187.

52 Excel-bestand behorend bij rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, onderzoek Trombone, proces-verbaalnummer AH479-001.

53 Proces-verbaal van doorzoeking [adres 2] , proces-verbaal nummer AH530, opgemaakt te Arnhem op 11 april 2016, proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5189 en 5192 t/m 5194, afbeeldingen lottobriefjes, p. 5328 t/m 5331 en gedeeltes van Lotto-totaallijsten, p. 5337 en 5338.

54 Proces-verbaal van doorzoeking [adres 1] te Nijmegen, p. 5154, 5156 en 5157, lijst van inbeslaggenomen goederen, p. 5158, proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5187, 5193 en 5196, afbeelding blanco lottobriefjes, p. 5347, afbeelding ingevulde lottobriefjes, p. 5341 en afbeeldingen deelnemerslijsten p. 5343 en p. 5349 t/m 5360.

55 Proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5190.

56 Proces-verbaal van doorzoeking [adres 2] , proces-verbaal nummer AH421, opgemaakt te Arnhem op 2 mei 2016 met bijlage lijst van inbeslaggenomen goederen, proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5191, 5194 t/m 5196, afbeelding lijst lopers, p. 5381, deelnemerslijst, p. 5390 t/m 5402 en afbeeldingen blanco lottoboekjes, p. 5407 en 5408.

57 Proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5191 en 5195 en excel-bestand Kopie van controlelijst, p. 5412 t/m 5428.

58 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 5222 t/m 5224 en proces-verbaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 6 februari 2018.

59 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , p. 1384 t/m 1386.

60 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , afgelegd bij de rechter-commissaris op 2 februari 2018.

61 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 1424 t/m 1427 en 1430.

62 Rapport met betrekking tot bakengegevens Porsche Panamera [kenteken 2] , p. 5104.

63 Proces-verbaal van observatie zaterdag 21 november 2015, p. 5033, 5035 en 5036.

64 Proces-verbaal van observatie zondag 22 november 2015, p. 5039 en 5040.

65 Proces-verbaal van observatie zaterdag 19 maart 2016, p. 5047.

66 Proces-verbaal van observatie 20 maart 2016, p. 5059 en 5060.

67 Proces-verbaal van observatie zaterdag 14 maart 2015, p. 5020, proces-verbaal van observatie zaterdag 21 november 2015, p. 5035 en proces-verbaal van observatie zaterdag 19 maart 2016, p. 5047.