Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4208

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
AWB - 18_6781 en 18_6785
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Onjuiste besluitvorming. Beroep gegrond. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 18/6781 en 18/6785

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 september 2019

in de zaken tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.M.J. Schrijver),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder

(gemachtigde: W.C.M. Hermans).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) over de periode van 2 april 2018 tot en met 31 augustus 2018 60 minuten huishoudelijke ondersteuning toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 mei 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder over de periode van 1 september 2018 tot en met 8 maart 2019 60 minuten huishoudelijke ondersteuning toegekend in de vorm van een pgb. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Naar aanleiding van het tegen het primaire besluit 2 gemaakte bezwaar, heeft verweerder dit besluit bij besluit van 24 september 2018 (het primaire besluit 3) ingetrokken en aan eiseres over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2019 7,5 uur huishoudelijke ondersteuning per week toegekend in de vorm van een pgb en tegen een uurtarief van € 28,-.

Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 2 met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede gericht te zijn tegen het primaire besluit 3.

Bij besluit van 3 december 2018 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 3, onder verwijzing naar een advies van de algemene bezwaarschriftencommissie van 26 november 2018, ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dit beroep is bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 18/6781.

Bij besluit van 4 april 2018 (het primaire besluit 4) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wmo 2015 over de periode van 13 april 2018 tot en met 13 september 2018 60 uur begeleiding toegekend in de vorm van een pgb. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 mei 2018 (het primaire besluit 5) heeft verweerder (naar de rechtbank begrijpt) het primaire besluit 4 ingetrokken en aan eiseres over de periode van 13 april 2018 tot en met 13 september 2018 75 uur begeleiding toegekend in de vorm van een pgb. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 september 2018 (het primaire besluit 6) heeft verweerder aan eiseres over de periode van 24 september 2018 tot en met 31 december 2019 3 uur begeleiding per week aan eiseres toegekend in de vorm van een pgb en tegen een uurtarief van € 36,- per uur.

Verweerder heeft de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 4 en 5 met toepassing van artikel 6:19 van de Awb geacht mede gericht te zijn tegen het primaire besluit 6.

Bij besluit van 3 december 2018 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder, onder verwijzing naar een advies van de algemene bezwaarschriftencommissie van 26 november 2018, het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 4 gegrond verklaard en dit besluit herroepen,

met toekenning van een proceskostenvergoeding. De bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 5 en 6 heeft verweerder ongegrond verklaard. Het verzoek van eiseres om haar schade tot een bedrag van € 8.000,- te vergoeden, heeft verweerder bij het bestreden besluit 2 afgewezen. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dit beroep is bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 18/6785.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres ontvangt de maatwerkvoorzieningen Wmo HH standaard, WMO HH maatwerk en WMO-BG. De ondersteuning in de huishouding en de begeleiding zijn in het verleden geleverd door zorgverlener ABO Ondersteuning. Hierna heeft eiseres met zorgverlener Thuiszorg Groot Gelre onderhandeld over het sluiten van een zorgovereenkomst.

2. Verweerder stelt zich in de bestreden besluiten 1 en 2 op het standpunt dat aan eiseres met de primaire besluiten 1 en 3 en de primaire besluiten 5 en 6 een toereikend pgb is toegekend om huishoudelijke ondersteuning en begeleiding bij de door haar gewenste zorgverlener Thuiszorg Groot Gelre in te kopen. Verweerder is niet gebleken van omstandigheden waardoor eiseres geen dan wel onvoldoende zorg zou kunnen inkopen. Dat eiseres tot op heden geen zorgovereenkomst heeft gesloten, dient volgens verweerder voor rekening en risico van eiseres te blijven. Verweerder overweegt dat niet met terugwerkende kracht een voorziening kan worden toegekend, omdat daarvan geen gebruik meer kan worden gemaakt. Aan de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding legt verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres haar verzoek niet heeft onderbouwd.

3. Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en onjuist zijn gemotiveerd. Zij voert daartoe aan dat haar niet kan worden aangerekend dat zij geruime tijd geen overeenkomst met een zorgverlener heeft kunnen afsluiten. Volgens eiseres is zij sinds het zogenaamde keukentafelgesprek in november 2015 geconfronteerd met een opeenstapeling van door of namens verweerder afgegeven onvolledige en onjuiste besluiten, waarbij onder meer fouten zijn gemaakt met betrekking tot het aantal toekende uren zorg, het gehanteerde uurtarief en de toekennningsperioden. Dit heeft er volgens eiseres toe geleid dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) als budgetbeheerder van het pgb heeft geweigerd om facturen van haar zorgverlener ABO Ondersteuning uit te betalen. Eiseres kon hierdoor de haar toegekende uren zorg niet (volledig) inzetten. Na verscheidene verzoeken om de opschorting van de uitbetaling van het pgb te beëindigen, heeft de SVB hieraan pas op 10 december 2017 gevolg gegeven. Vanwege de door verweerder gemaakte fouten heeft zorgverlener ABO Ondersteuning de zorgverlening aan eiseres inmiddels beëindigd. Eiseres was daardoor aangewezen op andere zorgverleners, die hogere uurtarieven hanteren. Volgens eiseres heeft verweerder niet in samenspraak met eiseres bekeken of de in de primaire besluiten 3 en 6 opgenomen uurtarieven toereikend waren om zorg bij een andere zorgverlener in te kopen. De in de primaire besluiten 3 en 6 vermelde bruto uurtarieven van respectievelijk € 28,- voor huishoudelijke ondersteuning en € 36,- voor begeleiding, komen volgens eiseres weliswaar overeen met de bruto uurtarieven die zorgverlener Thuiszorg Groot Gelre (waarmee eiseres in onderhandeling was) voor het leveren van HH maatwerk en BG hanteert, maar eiseres heeft verweerder reeds bij een emailbericht van 27 maart 2018 laten weten dat nog moest worden bezien of zorgverlener Thuiszorg Groot Gelre de gevraagde zorg wilde leveren. Uiteindelijk is volgens eiseres gebleken dat zorgverlener Thuiszorg Groot Gelre de zorg niet kon leveren. Weliswaar heeft eiseres inmiddels zorgverlener Stichting Thuiszorg bereid gevonden om huishoudelijke ondersteuning en begeleiding voor dezelfde uurtarieven te leveren, maar deze zorgverlener hanteert normaliter hogere uurtarieven. Verweerder moet daarom volgens eiseres een hoger tarief voor huishoudelijke ondersteuning en begeleiding toekennen. Eiseres voert verder aan dat verweerder behalve bij de primaire besluiten 2 en 4, telkens met ingang van data in het verleden zorg heeft toegekend waardoor eiseres gedurende enkele periodes geen gebruik heeft kunnen maken van die zorg. Eiseres verzoekt de rechtbank tevens om verweerder te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding. In dat verband heeft zij aangevoerd dat zij door toedoen van verweerder maandenlang geen huishoudelijke ondersteuning en begeleiding heeft kunnen inkopen. Door het afgeven van onjuiste besluiten en onzorgvuldig handelen is, naar eiseres heeft gesteld, haar gezondheid achteruit gegaan en lijdt zij vanaf 13 juli 2018 aan een burn-out. Eiseres acht een schadevergoeding van € 8.000,- daarom billijk.

4. Verweerder verzoekt om het beroep ongegrond te verklaren.

5. De rechtbank stelt voorop dat slechts ter beoordeling voorliggen het bestreden besluit 1, waarbij de primaire besluiten 1 en 3 in stand zijn gelaten, en het bestreden besluit 2, waarbij de primaire besluiten 5 en 6 in stand zijn gelaten. Het primaire besluit 2 van 1 mei 2018 ligt niet ter beoordeling voor, omdat dit besluit bij het primaire besluit 3 is ingetrokken. In dit verband overweegt de rechtbank nog dat eiseres niet wordt gevolgd in haar standpunt dat verweerder op 1 mei 2018 twee keer een besluit heeft genomen waarbij over de periode van 1 september 2018 tot en met 8 maart 2019 60 minuten huishoudelijke ondersteuning in de vorm van een pgb is toegekend. De door eiseres op 16 mei 2018 en 25 mei 2018 ontvangen besluiten met datum 1 mei 2018 betreffen exact hetzelfde besluit. Met het opnieuw ontvangen van dit besluit is dan ook geen nieuw rechtgevolg in het leven geroepen. Evenmin ligt ter beoordeling voor het primaire besluit 4 nu dit (naar de rechtbank begrijpt) bij het primaire besluit 5 is ingetrokken.

5.1.

De rechtbank overweegt verder als volgt. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat pas bij de primaire besluiten 3 en 6 volledige besluiten zijn afgegeven en dat de besluitvorming daarvóór niet juist is verlopen. Volgens verweerder hebben wijkcoaches verkeerde codes, met daaraan een onjuist aantal zorguren gekoppeld, in het registratiesysteem ingevoerd. Hierna heeft correctie op correctie plaatsgehad, waardoor uiteindelijk niet meer inzichtelijk was op hoeveel huishoudelijke ondersteuning en begeleiding eiseres in welke periodes recht had. Gelet hierop had verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 5 bij respectievelijk de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond moeten verklaren en deze primaire besluiten moeten herroepen en nieuwe besluiten moeten nemen over de aanspraken van eiseres ingaande respectievelijk 2 april 2018 en 13 april 2018. Eiseres wordt gevolgd in haar standpunt dat aan de bestreden besluiten een zorgvuldigheidsgebrek kleeft, omdat het wijkteam niet tijdig, correct en in samenspraak met eiseres heeft bepaald waar zij recht op had. De rechtbank onderschrijft dan ook niet het standpunt van verweerder in de bestreden besluiten dat het in de risicosfeer van eiseres ligt dat geen zorgovereenkomst is afgesloten.

5.2.

Gelet op wat hiervoor onder overweging 5.1. wordt geoordeeld, zijn de beroepen van eiseres gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit 1 en het bestreden besluit 2 vernietigen, voor zover daarbij de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 5 ongegrond zijn verklaard. De rechtbank zal de primaire besluiten 1 en 5 herroepen. Omdat eiseres in de betrokken periodes geen kosten voor huishoudelijke ondersteuning en begeleiding heeft gemaakt, bestaat geen aanleiding om (beslissend op de bezwaren tegen de primaire besluiten 1 en 5) alsnog over de periodes waarop die besluiten betrekking hebben en dus over in het verleden gelegen periodes een pgb (voor wekelijks 7,5 uur huishoudelijke ondersteuning en 3 uur begeleiding) toe te kennen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bestreden besluiten voor het overige te vernietigen. In dit verband wordt overwogen dat is gebleken dat eiseres naar haar eigen zeggen met de primaire besluiten 3 en 6 de door haar gewenste zorg heeft kunnen inkopen. De omstandigheid dat eiseres zich bezwaard voelt, omdat zorgverlener Stichting Thuiszorg volgens eiseres normaliter een hoger uurtarief hanteert, doet daar niet aan af.

Verzoek schadevergoeding

5.3.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weersproken dat beëindiging van de zorgverlening door zorgverlener ABO Ondersteuning het gevolg is geweest van de (voorbereiding van de) onjuiste besluitvorming als bedoeld onder overweging 5.1. Er is echter geen grond voor toekenning van een materiële schadevergoeding aan eiseres, omdat niet is gebleken dat eiseres materiële schade heeft geleden. Zo is er geen sprake van een situatie dat eiseres elders zorg heeft ingekocht en de kosten daarvan heeft voorgeschoten en andere materiële schade is (onvoldoende) onderbouwd.

5.4.

Voor de vraag of er immateriële schadevergoeding kan worden toegewezen, dient zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.

5.5.

In gevallen als het onderhavige zal in de regel wel sprake zijn van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan. Verwezen wordt in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995, LJN ZC 1608. Om voor vergoeding van immateriële schadevergoeding in aanmerking te komen, moet aannemelijk worden gemaakt dat eiseres zodanig heeft geleden onder de onrechtmatige besluiten en de voorbereiding daarvan dat daarenboven sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon in de zin van artikel 6:106 van het BW. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk te achten dat daarvan bij eiseres sprake is. Uit de processtukken blijkt dat eiseres steeds geprobeerd heeft om verweerder ertoe te bewegen om juiste besluiten af te geven. Gelet op de aard en de ernst van de gevolgen van de herhaalde onrechtmatige besluitvorming voor eiseres acht de rechtbank in dit specifieke geval een schadevergoeding van € 500,- billijk.

Proceskosten

5.6.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op een bedrag van

€ 3.072,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 3 punten voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder de door eiseres betaalde griffierechten aan haar vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 1, voor zover daarbij het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond is verklaard;

- herroept het primaire besluit 1 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit 1;

- laat het bestreden besluit 1 voor het overige in stand;

- vernietigt het bestreden besluit 2, voor zover daarbij het bezwaar tegen het primaire besluit 5 ongegrond is verklaard;

- herroept het primaire besluit 5 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit 2;

- laat het bestreden besluit 2 voor het overige in stand;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.072,-;

- draagt verweerder op om de door eiseres betaalde griffierechten van in totaal € 92,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzitter, mr. S.W. van Osch - Leysma en

mr. M.J. van Lee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Lankamp, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 18 september 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.