Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:413

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
05/881272-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 60-jarige man uit Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden voor bijstandsfraude. De man en zijn partner kregen sinds 1 februari 2011 een bijstandsuitkering van de gemeente Arnhem. De man verrichtte structureel arbeid in de garage die op naam van zijn zoon stond en ook had hij in een loterij een aanzienlijk bedrag gewonnen. Geen van beide had hij opgegeven bij de gemeente, terwijl hij dat wel had moeten doen. Dat hij niets met zijn werk zou hebben verdiend is volgens de rechtbank in zijn zaak niet relevant. Door geen inzicht te geven in zijn bezigheden en zijn prijs heeft hij de gemeente de mogelijkheid ontnomen om te beoordelen of zijn uitkering al dan niet moest worden aangepast. Dat hem dat duidelijk had moeten zijn volgt niet alleen uit de brieven van de gemeente, maar ook uit het feit dat hij langer geleden voor soortgelijke feiten was veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881272-16

Datum uitspraak : 31 januari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende aan het [adres] ,

gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem,

raadsman: mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 17 januari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 28 februari 2017 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in strijd met een hem en/of medeverdachtes bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 Wet werk en bijstand en/of artikel 17 Participatiewet, opzettelijk heeft/hebben nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan de gemeente, danwel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft/hebben verdachte en/of medeverdachte (telkens) niet (volledig) aan genoemde instantie(s) gemeld - zakelijk weergegeven- dat verdachte en/of medeverdachte werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of inkomsten heeft/hebben genoten en/of of dat verdachte en/of medeverdachte over vermogen heeft/hebben beschikt en/of heeft/hebben kunnen beschikken hetwelk het (zogenaamde) bescheiden vermogen (ver) te boven ging en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een (bijstands)uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Aan verdachte en zijn partner mevrouw [medeverdachte] is door de gemeente Arnhem per

1 januari 1990 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor gehuwden. Per 15 december 2015 is de uitkering voor [medeverdachte] voornoemd omgezet naar de norm voor een alleenstaande vanwege de detentie van verdachte. Gedurende de periode van 3 maart 2016 tot en met

28 februari 2017 hebben verdachte en [medeverdachte] weer een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden ontvangen.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd. Hij heeft meegedeeld dat verdachte er geen vertrouwen in heeft dat de rechtbank zijn verklaring meeweegt bij de beoordeling van het ten laste gelegde feit. Op grond daarvan heeft verdachte besloten dat hij en zijn raadsman niets meer naar voren zullen brengen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn zoon heeft geholpen, dat hij daarvoor geen geld heeft gekregen en dat hij niet wist dat hij zijn werkzaamheden, ook al leverden die geen inkomsten op, toch had moeten melden. Evenmin wist hij dat er een maximum vrij te laten vermogen gold en dat hij de geldprijs, die hij in de loterij had gewonnen, had moeten melden.

Beoordeling door de rechtbank

Wetgeving

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Volgens artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

De tot 30 juni 2013 geldende Wet werk en bijstand kende gelijkluidende bepalingen.

Verdenking

Verdachte is ten laste gelegd dat hij - kort gezegd - werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten daaruit heeft genoten en dat niet heeft gemeld aan de gemeente Arnhem. Evenmin heeft hij volgens het Openbaar Ministerie gemeld dat hij vermogen heeft verworven dat meer was dan het vermogen dat hij op grond van de Participatiewet had mogen hebben.

De gemeente Arnhem heeft de bijstandsuitkering van verdachte met terugwerkende kracht ingetrokken, beëindigd en teruggevorderd, omdat uit onderzoek van de sociale recherche Arnhem is gebleken dat verdachte zich heeft bezig gehouden met structurele autohandel. Hij heeft op geld waardeerbare werkzaamheden verricht bij [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Verdachte heeft nooit bij de gemeente Arnhem op enige wijze melding gemaakt van deze werkzaamheden,3 noch van dat vermogen.

Kamer van Koophandel

Op 21 oktober 2010 heeft [naam 1] het bedrijf [bedrijf 1] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het bedrijf, met als activiteit handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s, is gevestigd op het adres [vestigingsplaats] . Het correspondentieadres is [adres] . Als telefoonnummers zijn opgegeven [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .4

Ten gunste van de Kamer van Koophandel is op 21 oktober 2010 een bedrag van € 34,13 van bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] afgeschreven. Deze rekening staat op naam van [verdachte] en/of [medeverdachte] , [adres]5.

Bedrijfsactiviteiten [bedrijf 1]

Het bedrijf [bedrijf 1] heeft vanaf 1 maart 2011 een bedrijfserkenning bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) en vanaf 16 maart 2011 een geautomatiseerde aansluiting. Het bedrijf heeft één handelaarskenteken, [kenteken 1] .6

Op 1 juni 2011 heeft een controle-bezoek van de RDW bij [bedrijf 1] plaatsgevonden. Daarbij is gesproken met de heer [verdachte] , “vader van de eigenaar (adm)”. Hij verklaarde gemachtigd te zijn om aan het controlebezoek mee te werken.7

De RDW heeft een overzicht van de bedrijfsvoorraad over de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 juni 2016 verstrekt. Daaruit blijkt dat in de periode van 26 maart 2011 tot en met 22 juni 2016 in totaal 329 kentekens op naam van het bedrijf hebben gestaan. De actuele voorraad op

22 juni 2016 was 24 auto’s.8

Telefoons

In de woning van verdachte is een zwarte iPhone 5S in beslag genomen. Het toestel droeg de naam “Iphone van [verdachte] ”. Het telefoonnummer van deze telefoon bleek [telefoonnummer 1] te zijn. In de telefoon werd het emailaccount [e-mailadres] aangetroffen. De vroegste mail in de inbox in dit account dateerde van 13 oktober 2009 en betrof de aanmaak van een Marktplaats-account. Verder waren er op de tijdlijn naar heden meerdere aanmeldingen bij auto-onderdeelbedrijven, auto-handelaarssites en meerdere autohandel en -reparatie gerelateerde mails. Enkele opvallende mails:

  • -

    Bij [bedrijf 2] bleek op 29 augustus 2014 het wachtwoord “ [wachtwoord] ” te zijn gekozen.

  • -

    Op 19 mei 2014 stuurde [bedrijf 5] een welkomstmail ter attentie van dhr. [verdachte] .

  • -

    Op 18 februari 2015 stuurde [bedrijf 3] een welkomstmail gericht aan dhr. [verdachte] .

  • -

    Op 14 februari 2017 stuurde [bedrijf 4] een welkomstmail met de tekst: “Beste [verdachte] . Hartelijk dank, uw account is aangemaakt. Hieronder treft u uw inloggegevens:
    E-mailadres: [e-mailadres] Wachtwoord: [wachtwoord] ”.

De vroegste mail in de uitbox betrof een mail van 1 juli 2014. Daarna volgden in de tijdlijn naar heden een aantal reacties op auto’s die te koop stonden op marktplaats.nl en speurders.nl. De meeste berichten waren niet ondertekend of ondertekend met “groetjes [bedrijf 1] ”.

In de contactlijst van de telefoon stonden 79 contacten, waaronder [naam 10] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] .

In de woning van verdachte is ook een zalmkleurige iPhone 6S aangetroffen in een zwart klapfoedraal. In het foedraal zaten een rijbewijs van verdachte, een kentekenbewijs van de [merk 1] met het kenteken [kenteken 2] en een ING-pas op naam van [bedrijf 1] ,

[naam 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] . Ook dit toestel droeg de naam iPhone van [verdachte] . Het telefoonnummer van deze telefoon bleek [telefoonnummer 2] te zijn. De contactenlijst bleek identiek aan de contactenlijst van de zwarte iPhone 5S te zijn. Op de telefoon stond verder een filmpje waarop te zien was dat verdachte aan een kabel van een reminrichting in de wielkast van een auto werkte. Verdachte werd in het filmpje belaagd door enkele anderen met een persluchtslang. Verbalisant herkende de locatie waar het filmpje was gemaakt als de werkplaats bij [bedrijf 1] aan de [vestigingsplaats] .9

Observaties

In de periode van 19 juli 2016 tot en met 7 augustus 2017 zijn op negen dagen observaties verricht.

Op 21 juli 2016 heeft een verbalisant gezien dat een witte [merk 2] met het kenteken

[kenteken 3] geparkeerd stond in de [straatnaam] met de neus naar het [adres] . Een man stapte om 10.01 uur in voormelde [merk 2] in en nam plaats op de bestuurdersstoel. Aan de hand van een pasfoto kon de verbalisant met 100% zekerheid vaststellen dat het om verdachte ging. Verbalisant is verdachte gevolgd en zag dat hij de [vestigingsplaats] in reed. Verbalisant heeft zijn dienstvoertuig geparkeerd en is de dijk bij Rijksweg-Oost opgelopen. Hij hoorde dat een slot van een hek werd geopend en zag dat de witte [merk 2] achteruit het terrein van autogaragebedrijf [bedrijf 1] op reed. Verdachte stapte uit de auto en ging het autobedrijf binnen. Om 10.12 uur zag verbalisant dat de rode roldeur van [bedrijf 1] open stond.

Ook op 26, 27, 28 en 29 juli 2016 en 1, 2, 3 en 5 augustus 2016 zijn observaties gedaan. Verbalisanten zagen steeds dat verdachte in de omgeving van het [adres] in de [merk 2] stapte, dat hij alleen in de auto zat en dat hij naar de [vestigingsplaats] reed. Een aantal keren opende hij daar het hek met een sleutel die hij bij zich had. Zijn auto parkeerde hij op het terrein van [bedrijf 1] dan wel op de weg voor het bedrijf. Een verbalisant heeft op

28 juli 2016 ook gezien dat verdachte de loopdeur van de garagedeur van [bedrijf 1] met een sleutel opende en het perceel binnenging.10

Verder zijn vijfentwintig observaties gedaan in de periode van 12 september 2016 tot en met

2 december 2016.

Op 12 september 2016 heeft een verbalisant gezien dat verdachte instapte in de witte [merk 2] met het kenteken [kenteken 3] , die geparkeerd stond ter hoogte van de [straatnaam] in Arnhem. Hij zat als enige in de auto. Verbalisant is de dijk Rijksweg-Oost opgelopen en zag dat de [merk 2] voor het hek van [bedrijf 1] stond. Verdachte opende een deur van [bedrijf 1] en ging naar binnen. Verbalisant merkte op dat het bord van [bedrijf 1] aan het hek was vervangen door een reclamebord met [bedrijfsnaam] . Op het terrein stonden meerdere auto’s. Omstreeks 10.10 uur zag verbalisant dat verdachte en een andere man op het terrein van [bedrijf 1] naar een grijze [merk 5] of [merk 6] keken.11

Op 4 oktober 2016 heeft een verbalisant gezien dat verdachte hem om 9.39 uur passeerde in de witte [merk 2] . Kort daarachter reed de [merk 3] waarin [medeverdachte] zat. Om 9.47 uur zag verbalisant beide auto’s staan op het terrein van [bedrijf 1] . Verbalisant zag dat verdachte om 9.58 uur met een onbekende man stond te kijken bij een auto, een grijze Opel Corsa.12

Op 18 november 2016 zag een verbalisant vanuit het [adres] in Arnhem dat verdachte op de [merk 1] een groene handelarenkentekenplaat bevestigde. Kort daarna passeerde verdachte hem en zag verbalisant dat de [merk 1] zowel voor als achter voorzien was van een groene plaat. Om 10.36 zag een andere verbalisant verdachte de [vestigingsplaats] inrijden in de [merk 1] . De [merk 1] was voorzien van groene kentekenplaten met het nummer [kenteken 1] . Verbalisanten zagen om 10.43 uur een donkere auto in de deuropening. Verdachte stond met een man en vrouw te praten, maakte handgebaren en wees naar de auto.13

Verder hebben op 15, 16, 19, 20, 22 en 29 september 2016, 3, 7, 10, 14 en 18 oktober 2016,

8, 15, 21, 28 en 29 november 2016 en 1 en 2 december 2016 observaties plaatsgevonden. Verbalisanten zagen steeds dat verdachte in een witte [merk 2] met het kenteken

[kenteken 3] , een zwarte [merk 3] met het kenteken [kenteken 4] , een rode [merk 4] met het kenteken [kenteken 5] , of een groene [merk 1] met het kenteken [kenteken 2] , dan wel met het kenteken [kenteken 1] , reed. Een aantal keren werd gezien dat hij naar de [vestigingsplaats] reed. Voor zover verdachte niet werd gevolgd, werd na korte tijd gezien dat de auto waarin verdachte reed, geparkeerd stond op het terrein van [bedrijf 1] dan wel op de weg voor het bedrijf. Verbalisanten hebben een aantal keren gezien dat verdachte het hek dan wel de deur met een sleutel opende dan wel het bedrijf binnen ging.14

Getuigen

[getuige 1] heeft verklaard dat hij de persoon op de aan hem getoonde foto herkende als [verdachte] . [getuige 1] huurde vanaf november 2016 de hal in het pand. Daarvoor huurde hij het achterterrein. In het pand zaten twee bedrijven. Het ene bedrijf, [bedrijfsnaam] , was van hem, het andere bedrijf, “ [bedrijf 1] ”, was van [verdachte] . Hij huurt de ruimten van [verdachte] . [verdachte] heeft een sleutel van het kantoor van [getuige 1] , om bij de meterkast te kunnen. [getuige 1] doet alleen zaken met [verdachte] . [verdachte] repareert voor hem.15

[getuige 2] heeft op 29 juni 2015 een auto gekocht bij [bedrijf 1] aan de [vestigingsplaats] . Ze deed zaken met een wat oudere man van 55 à 60 jaar. De man heeft ook de rekening opgesteld. Hij stelde zich voor als eigenaar van het bedrijf. Ze is een keer terug geweest met de auto voor een reparatie aan het portier en is door dezelfde persoon geholpen. [getuige 2] herkende op de aan haar getoonde foto van verdachte de man die haar heeft geholpen.16

[getuige 3] heeft op 21 maart 2016 een auto gekocht bij [verdachte] van het bedrijf [bedrijf 1] in [vestigingsplaats] . De kleppen van die auto tikten en [verdachte] heeft dat verholpen. De persoon met wie hij zaken heeft gedaan had blonde haren en schatte hij ouder dan 50 jaar. Op de aan [getuige 3] getoonde foto herkende hij [verdachte] . Volgens hem is dat de eigenaar van het bedrijf. Hij ziet [verdachte] daar altijd en hij repareert ook zelf. Hij heeft alleen met [verdachte] contact gehad. [verdachte] was serieus met zijn werk. Er viel vaak wel iets met hem te regelen, bijvoorbeeld een aanbetaling.17

[getuige 4] heeft op 13 augustus 2015 een auto gekocht. Hij heeft zaken gedaan met de eigenaar. De eigenaar was een man van 50 à 60 jaar met warrig haar en tattoos op zijn armen. [getuige 4] herkende de persoon op de getoonde foto als de door hem beschreven man.18

In een getapt telefoongesprek met betrekking tot de mogelijkheid om autokosten met een pinbetaling te voldoen heeft verdachte verklaard “(…) ik zit hier al zes jaar (…)”19

Verklaring [naam 1]

heeft in het onderzoek naar vuurwerkdelicten verklaard dat zijn vader, [verdachte] , in feite het autobedrijf aan de [vestigingsplaats] runde.20

Verdachte

Verdachte heeft verklaard dat [telefoonnummer 2] zijn telefoonnummer is.21

Hij heeft verder verklaard dat hij wist dat hij alles wat van belang voor de uitkering was, moest melden.22

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn zoon slechts enkele keren heeft geholpen en daarvoor niet kreeg betaald.

Overweging

De rechtbank leidt uit voormelde bewijsmiddelen af dat verdachte al vanaf de inschrijving van [bedrijf 1] betrokken is geweest bij dit bedrijf. Bij de gegevens van de Kamer van Koophandel is onder meer zijn telefoonnummer doorgegeven. Ook het andere bij de Kamer van Koophandel opgegeven telefoonnummer blijkt bij verdachte in gebruik. Op de dag van inschrijving van [bedrijf 1] bij de Kamer van Koophandel is geld afgeschreven van de bankrekening van verdachte en [medeverdachte] ten gunste van de Kamer van Koophandel. Aannemelijk is dat dit de inschrijvingskosten betreffen. Verder komt uit de bewijsmiddelen naar voren dat verdachte in de periodes waarin observaties hebben plaatsgevonden vaak naar [bedrijf 1] reed en de auto parkeerde op het terrein van [bedrijf 1] of langs de weg voor het bedrijf. Een aantal keren is waargenomen dat hij het hek opende dan wel de deur in de roldeur en dat hij met mensen in gesprek was over auto’s die op het terrein stonden. Meerdere getuigen hebben verklaard dat zij een auto bij [bedrijf 1] hebben gekocht. Deze getuigen omschreven de persoon, die zich vaak voordeed als eigenaar en van wie ze de auto kochten als een man van 50 à 60 jaar. Zij herkenden de man op de foto van verdachte die hen werd getoond als de persoon die hun had geholpen. Ook uit de verklaring van getuige [getuige 1] kan worden afgeleid dat verdachte zich gedroeg als eigenaar. De getuigen hebben ook verklaard dat verdachte reparaties aan hun auto uitvoerde. Dat komt ook naar voren uit een filmpje dat op een van de telefoons is aangetroffen.

De rechtbank is op grond van voormelde bewijsmiddelen dan ook van oordeel dat verdachte niet alleen werkzaamheden in de zin van reparaties en de verkoop van auto’s verrichtte voor [bedrijf 1] , maar dat hij zich daarbij ook voordeed als eigenaar van het bedrijf. Dat verdachte slechts af en toe zijn zoon heeft geholpen, zoals hij heeft verklaard, acht de rechtbank niet aannemelijk. De bewijsmiddelen wijzen daar immers niet op. De verklaring van verdachte, dat hij er geen geld voor heeft gekregen, maakt het oordeel niet anders. Het verrichten van werkzaamheden, ook als daar niet voor betaald is, diende op grond van artikel 17 van de Wet werk en bijstand en op grond van artikel 17 van de Participatiewet immers aan de gemeente gemeld te worden.
Uit de beschikkingen van de gemeente Arnhem komt naar voren dat verdachte bij de gemeente nooit melding heeft gemaakt van de door hem verrichte werkzaamheden. Dit leidt tot de conclusie dat verdachte de ingevolge artikel 17, eerste lid van de Wet werk en bijstand en artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet op hem rustende informatieplicht heeft geschonden gedurende de ten laste gelegde periode. De rechtbank merkt hierbij op dat de schending van de informatieplicht niet bewezen is in de periode van 15 december 2015 tot en met 2 maart 2016, nu verdachte in die periode in detentie heeft verbleven en de uitkering voor hem was stopgezet.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van medeplegen. Verdachte en [medeverdachte] hebben gedurende de periodes van 1 februari 2011 tot en met 14 december 2015 en van 3 maart 2016 tot en met 28 februari 2017 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden ontvangen. [medeverdachte] was dus medeverantwoordelijk voor het geven van (juiste) informatie. Uit de beschikkingen van de gemeente Arnhem volgt dat geen melding is gedaan van de werkzaamheden van verdachte. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat ook [medeverdachte] geen melding heeft gedaan van de werkzaamheden van verdachte, terwijl zij, gelet op de frequentie van de werkzaamheden en het feit dat zij en verdachte samenleefden en samenwoonden, van de werkzaamheden op de hoogte moet zijn geweest.

Vermogen

Uit onderzoek naar een op naam van verdachte staande bankrekening met het nummer [rekeningnummer 3] , is gebleken dat op 13 maart 2013 vijf keer een bedrag van

€ 2.273,65 is bijgeschreven met als omschrijving ‘ [bedrijf 6] ’.23

Verdachte heeft verklaard dat dit een prijs betrof die hij in een loterij heeft gewonnen.24 Ter zitting heeft hij verklaard niet te hebben geweten dat hij dit had moeten melden. Het bedrag van € 11.368,25 lag weliswaar onder het op dat moment vrij te laten vermogen voor gehuwden van € 11.590 ingevolge artikel 34, derde lid, aanhef en onder c, van de Wet werk en bijstand, maar was met andere vermogenselementen mogelijk van belang voor de vaststelling of het vrij te laten vermogen niet werd overschreden. Een bedrag van € 220 op enige rekening was daartoe al toereikend. Ook om die reden heeft verdachte niet voldaan aan zijn inlichtingenverplichting op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand.

Wetenschap

Verdachte heeft verklaard niet te hebben geweten dat hij van bovengenoemde activiteiten en ontvangen prijs melding had moeten maken bij de gemeente. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Bij de beschikking van 13 april 2016 tot toekenning van de uitkering op grond van de Participatiewet is aangegeven met welk bedrag het vermogen dat aanwezig werd geacht mocht groeien en tevens is gewezen op de verplichting om alles te melden wat van invloed kon zijn op de uitkering.25 Bekend mag worden verondersteld dat soortgelijke mededelingen ook zijn gedaan in het kader van de Wet werk en bijstand, terwijl ook op tussentijdse beoordelingsformulieren dan wel wijzigingsformulieren steeds werd gevraagd of er wijzigingen waren opgetreden in activiteiten, inkomsten en vermogen. Verder is verdachte eerder veroordeeld voor soortgelijke overtredingen. Dat alles maakt dat verdachte dus had moeten weten, althans in ieder geval redelijkerwijze had moeten vermoeden, dat deze activiteiten en prijs van invloed konden zijn op zijn uitkering. Het verweer dat hij niet bekend was met deze verplichting en dat hem (opzettelijke) overtreding daarvan niet kan worden verweten, gaat derhalve niet op.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 28 februari 2017 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in strijd met een hem en/of medeverdachtes bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 Wet werk en bijstand en/of artikel 17 Participatiewet, opzettelijk heeft/hebben nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan de gemeente, dan wel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft/hebben verdachte en/of medeverdachte (telkens) niet (volledig) aan genoemde instantie(s) gemeld - zakelijk weergegeven- dat verdachte en/of medeverdachte werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of inkomsten heeft/hebben genoten en/of of dat verdachte en/of medeverdachte over vermogen heeft/hebben beschikt en/of heeft/hebben kunnen beschikken hetwelk het (zogenaamde) bescheiden vermogen (ver) te boven ging en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een (bijstands)uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van de dagen die verdachte in verzekering gesteld is geweest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft zich in de periodes van 1 februari 2011 tot en met 14 december 2015 en van

3 maart 2016 tot en met 28 februari 2017 samen met zijn inmiddels overleden partner schuldig gemaakt aan het nalaten gegevens te verstrekken aan de gemeente Arnhem die van belang konden zijn voor de vaststelling van zijn recht op en de hoogte van een uitkering. Verdachte heeft in de genoemde periodes werkzaamheden verricht voor [bedrijf 1] zonder dit te melden aan de gemeente. Hij heeft de gemeente hierdoor de mogelijkheid ontnomen zijn recht op een uitkering, rekening houdend met die inkomsten, in heroverweging te nemen.
Het niet doorgeven van de juiste informatie heeft geleid tot een bevoordeling van zichzelf en van [medeverdachte] . De gemeente heeft de uitkering van verdachte en [medeverdachte] beëindigd. De gemeente heeft vastgesteld dat, gelet op het beleid ten aanzien van oncontroleerbare inkomsten waartoe de autohandel wordt gerekend, ten onrechte een uitkering is verstrekt tot een bedrag van € 104.467,62.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het sociaal stelsel, dat voorziet in een uitkering voor mensen die zelf niet in staat zijn inkomsten te verwerven. Hij heeft een uitkering ontvangen, die is betaald door de maatschappij; burgers die werken en over hun inkomsten belasting betalen, waarvan onder meer het sociaal stelsel in stand wordt gehouden. Verdachte had afstand moeten doen van zijn uitkering dan wel de inkomsten moeten opgeven zodat de gemeente zijn recht op uitkering opnieuw had kunnen beoordelen. Door dit na te laten heeft verdachte het systeem ondermijnd. De rechtbank verwijt verdachte dat hij het delict bagatelliseert en geen enkel schuldbesef toont, terwijl de bewijsmiddelen onmiskenbaar wijzen op strafwaardig gedrag.

De rechtbank heeft gekeken naar de justitiële documentatie van 14 januari 2019. Daaruit blijkt dat verdachte ook in 1991 en in 1997 is veroordeeld voor uitkeringsfraude. Verdachte was daarom een gewaarschuwd mens en wist dus wel degelijk van de hoed en de rand. De rechtbank zal rekening houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, gelet op de veroordeling van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juli 2017 en de strafbeschikking van het Openbaar Ministerie van 25 mei 2015.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsrapport van 17 april 2018. Volgens de reclassering kan het recidiverisico niet worden ingeschat vanwege de ontkennende houding van verdachte. De rechtbank maakt daaruit op, dat verdachte hoegenaamd ook geen enkel schuldbesef heeft en ziet dit als een strafverzwarende omstandigheid. Toezicht op bijzondere voorwaarden en directe interventies/behandelingen zijn niet geïndiceerd.

Gelet op de ernst van het feit, de lange periode van de fraude, de hoogte van het fraudebedrag en gelet op de persoon van verdachte acht de rechtbank een gevangenisstraf van 6 maanden passend.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 63 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Welbergen (voorzitter), mr. R.S. Croll en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 januari 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Sociale Recherche Arnhem, Afdeling Handhaving van het Cluster Werk en Inkomen van de gemeente Arnhem, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer 2016-4, gesloten op 8 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal, p. 0004, Beschikking van de gemeente Arnhem, p. 2903.

3 Beschikking van de gemeente Arnhem, p. 2898, beschikking van de gemeente Arnhem, p. 2903.

4 Suwi Bedrijvenregister, p. 292.

5 Rekeningafschrift, p. 148.

6 Brief RDW, p. 257.

7 RDW, rapportage controle-bezoek, p. 267.

8 Brief RDW, p. 257 en Informatie bedrijfsvoorraad, p. 271-172, 281.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 328-331.

10 Proces-verbaal stelselmatige observatie, p. 79-83.

11 Proces-verbaal stelselmatige observatie, p. 84-85.

12 Proces-verbaal stelselmatige observatie, p. 87-88.

13 Proces-verbaal stelselmatige observatie, p. 93-94.

14 Proces-verbaal stelselmatige observatie, p. 85-92, 94-96.

15 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , p. 2908-2909.

16 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , p. 2913-1914.

17 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] , p. 2919-2920.

18 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] , p. 2928-2929.

19 Telefoontap, p. 2988.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 2966.

21 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 0042.

22 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 0036.

23 Overzicht rekening [rekeningnummer 3] , p. 131.

24 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

25 Beschikking gemeente Arnhem, p. 2892.