Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4088

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-06-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
C/05/355282 / KG ZA 19-265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Centraal staat de vraag of het bezoeken door gedaagde van enkele (voormalige) ambtenaren van de Belastingdienst en/of het Ministerie van Financiën (eisers) op hun privéadres of op hun werk voor een te filmen ‘ludieke’ prijsuitreiking, als dreigend onrechtmatig handelen kan worden gekwalificeerd, waarvoor een contactverbod op zijn plaats is. Belangenafweging. Botsende grondrechten. Het belang van eisers weegt gelet op alle omstandigheden zwaarder dan het belang van gedaagde. Gevorderde contactverbod wordt toegewezen. De primair gevorderde lijfsdwang is in dit geval op zichzelf gerechtvaardigd, maar gelet op het feit dat van lijfsdwang niet de beoogde afschrikwekkende werking uitgaat, waardoor lijfsdwang als sanctie op overtreding van het op te leggen contactverbod naar verwachting haar doel voorbij schiet, zal overeenkomstig de subsidiaire vordering van eisers toch een dwangsom worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2019
FutD 2019-2401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/355282 / KG ZA 19-265

Vonnis in kort geding van 28 juni 2019

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

2. [Eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [Eiser sub 3],

4. [Eiser sub 4],

eisers,

advocaat mr. S.M. Kingma te 's-Gravenhage,

tegen

[Gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna de Staat c.s. en [Gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de akte tot eiswijziging, tevens akte houdende overlegging producties

- de mondelinge behandeling (zie ook 1.2)

- de pleitnota van de Staat c.s.

- de pleitnota van [Gedaagde] , tevens houdende wrakingsverzoek

- de afwijzende beslissing van de wrakingskamer van deze rechtbank van 28 juni 2019 op

het verzoek van diezelfde datum van [Gedaagde] tot wraking van de voorzieningenrechter.

1.2.

De mondelinge behandeling stond aanvankelijk gepland op 5 juli 2019. Naar aanleiding van een verzoek van de Staat c.s. om een ordemaatregel of het verplaatsen van de mondelinge behandeling naar een eerdere zittingsdatum heeft de voorzieningenrechter, nadat ook [Gedaagde] zich daarover per e-mail had uitgelaten, de zittingsdatum vervroegd naar 28 juni 2019.

1.3.

Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is daarin op 28 juni 2019 vonnis gewezen. Hierna zullen de overwegingen van dat vonnis worden gegeven.

2 De feiten

2.1.

[Gedaagde] is de echtgenoot van mevrouw [echtgenoot gedaagde] .

2.2.

[echtgenoot gedaagde] is samen met mevrouw [naam vennoot A] van 1 december 1997 tot en met 26 september 1999 vennoot geweest in de vennootschap V.O.F. [naam V.O.F. A] .

2.3.

Tussen [Gedaagde] / [echtgenoot gedaagde] en de Belastingdienst zijn geschillen ontstaan naar aanleiding van naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen en omzetbelasting die de Belastingdienst op 24 juli 2001 respectievelijk 25 juli 2001 heeft opgelegd aan voornoemde vennootschap. De naheffingsaanslagen hebben formele rechtskracht gekregen.

2.4.

Omdat de aanslagen niet werden voldaan, heeft de Belastingdienst [echtgenoot gedaagde] op 11 september 2001 aansprakelijk gesteld voor een totaalbedrag van f 202.164,00, in welk bedrag ook de invorderingsrente en -kosten waren begrepen. Omdat [echtgenoot gedaagde] haar aansprakelijkheid betwistte en de vordering van de Belastingdienst onbetaald liet, heeft de Belastingdienst haar gedagvaard voor de toenmalige rechtbank Arnhem. Bij eindvonnis van 7 mei 2003 heeft de rechtbank [echtgenoot gedaagde] veroordeeld tot betaling aan de Belastingdienst van € 91.738,02 (= f 202.164,00), vermeerderd met nadere invorderingsrente en -kosten. Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd en heeft vervolgens kracht van gewijsde gekregen.

2.5.

Na beslagleggingen heeft [echtgenoot gedaagde] in april 2006 haar schuld uit de aansprakelijkstelling aan de Belastingdienst voldaan.

2.6.

De hiervoor beschreven gang van zaken is voor [Gedaagde] aanleiding geweest voor het indienen van klachten, het uiten van beschuldigingen en het doen van strafrechtelijke aangiften. Deze uitingen waren niet alleen gericht op de Belastingdienst als instelling maar ook op individuele ambtenaren en zagen op beschuldigingen van strafbare en/of anderszins onrechtmatige gedragingen in verband met de hiervoor beschreven naheffingsaanslagen en de invordering daarvan. Dit alles heeft geleid tot een slepend en ernstig conflict, waarin sindsdien veel is gebeurd. Het gaat onder meer om het navolgende.

2.7.

Op 22 november 2002 heeft [Eiser sub 2] , medewerker van de Belastingdienst, aangifte gedaan van bedreiging door [Gedaagde] . [Gedaagde] zou die dag in een telefoongesprek met een collega van [Eiser sub 2] hebben gedreigd dat als hij [Eiser sub 2] voor de auto zou krijgen hij zijn remmen niet zou laten werken, en dat hij met een geweer naar binnen zou komen of met de auto naar binnen wilde rijden.

2.8.

Op 24 juni 2004 is [Eiser sub 2] uitgevallen met psychische klachten. Hij heeft eerst na ruim twee jaar zijn werk weer kunnen hervatten.

2.9.

In 2010 heeft [echtgenoot gedaagde] de Belastingdienst alsmede [Eiser sub 2] en [Naam H] , een andere medewerker van de Belastingdienst, gedagvaard voor de toenmalige rechtbank Arnhem. In die procedure vorderde [echtgenoot gedaagde] van de Belastingdienst, [Eiser sub 2] en [Naam H] betaling van het door de Belastingdienst geïnde bedrag als schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De onrechtmatige daad zou er kort gezegd en onder meer uit bestaan dat de Belastingdienst, [Eiser sub 2] en [Naam H] [echtgenoot gedaagde] stelselmatig en op onrechtmatige wijze hebben benadeeld ten opzichte van [naam vennoot A] . Bij vonnis van

22 december 2010 heeft de rechtbank alle vorderingen van [echtgenoot gedaagde] afgewezen. Het hoger beroep van [echtgenoot gedaagde] is verworpen door het toenmalige gerechtshof Arnhem bij arrest van 6 november 2012. Het arrest heeft kracht van gewijsde verkregen.

2.10.

Ook in twee andere gerechtelijke procedures van [echtgenoot gedaagde] tegen de Belastingdienst is [echtgenoot gedaagde] in het ongelijk gesteld.

2.11.

Op 3 mei 2012 heeft [Gedaagde] [naam Stichting A] opgericht. [Gedaagde] is enig bestuurder en tevens voorzitter, secretaris en penningmeester van deze [naam Stichting A] . [naam Stichting A] is houder van de domeinnaam “ [naam website 1] ”. Op dat domein is uit naam van [naam Stichting A] een website gehost. Op deze website is een groot aantal beschuldigingen van onrechtmatige en strafbare handelingen geuit aan het adres van de Belastingdienst en meerdere met naam en toenaam genoemde ambtenaren van de Belastingdienst.

2.12.

Bij vonnis van 24 juli 2014 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank zijn [Gedaagde] en [naam Stichting A] veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis alle beschuldigingen van onrechtmatige en strafbare handelingen aan het adres van de Belastingdienst en zijn medewerkers, alsmede de namen van deze medewerkers, te (doen) verwijderen en verwijderd te houden van de website op het domein “ [naam website 1] ”. Ook zijn zij veroordeeld om zich te onthouden van toekomstige uitingen in het openbaar van beschuldigingen van onrechtmatige en strafbare handelingen aan het adres van de Belastingdienst en/of andere medewerkers van de Belastingdienst, via welk medium dan ook (in de krant, op de radio, op de televisie, op internet, per e-mail of anderszins), met betrekking tot het hiervoor beschreven geschil en de daaruit voortgevloeide klachten en procedures, en om niet toe te staan of te bewerkstelligen dat anderen dergelijke beschuldigingen uiten op websites waarover [Gedaagde] en [naam Stichting A] de feitelijke macht kunnen uitoefenen. Beide veroordelingen zijn versterkt met een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [Gedaagde] en/of [naam Stichting A] niet aan deze veroordelingen voldoen, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt.

2.13.

Na betekening van voornoemd vonnis heeft [Gedaagde] de gewraakte passages van de website verwijderd c.q. doen verwijderen.

2.14.

Bij dagvaarding van 21 augustus 2014 heeft [Gedaagde] appel ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Op 3 september 2014 heeft de Staat c.s. een anticipatie-exploot uitgebracht. Omdat noch [Gedaagde] , noch [naam Stichting A] vervolgens is verschenen, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 11 november 2014 de Staat c.s. ontslagen van de instantie.

2.15.

Op 11 oktober 2018 is via de website “www. [naam website 2] “ een zwartboek gepubliceerd. Dit zwartboek bevatte op dat moment 20 hoofdstukken en zag op de periode 1999 tot en met mei 2018. In het stuk worden een grote hoeveelheid beschuldigingen geuit aan het adres van verschillende, met naam en toenaam genoemde (voormalig) medewerkers van de Belastingdienst. De domeinnaam “ [naam website 2] ” staat geregistreerd op naam van [naam vennootshap B] . Deze vennootschap naar vreemd recht is opgericht door [Gedaagde] en [echtgenoot gedaagde] en is gevestigd op het (toenmalige) woonadres van [Gedaagde] en [echtgenoot gedaagde] . De administratieve en technische contactpersoon van [naam vennootshap B] is eveneens [Gedaagde] .

2.16.

Bij brief van 4 april 2019 is [Gedaagde] door de advocaat van de Staat c.s. gesommeerd om de onder 2.15 genoemde website binnen 48 uur van het internet te verwijderen en verwijderd te houden. Daarnaast is in deze brief aangegeven dat [Gedaagde] door publicatie van het zwartboek het vonnis van 24 juli 2014 heeft overtreden en daarmee dwangsommen heeft verbeurd. Deze hadden ten tijde van het verzenden van de brief reeds het maximum van € 100.000,00 bereikt.

2.17.

Bij e-mailbericht van 4 april 2019 heeft [Gedaagde] onder meer als volgt op voornoemde sommatie gereageerd:

2. Ik heb er inderdaad voor gekozen om, in weerwil van het door u genoemde vonnis, verdere stappen te ondernemen, dit gezien het feit dat de belastingdienst en haar ministerie volhardt in hun illegale praktijken en deze niet wensen aan te pakken. Met andere woorden, soms dient men een vonnis te negeren om een groter belang te dienen, in dit geval het belang van een ieder, aangezien voornoemde partijen praktijken welke de gemeenschap ernstig financieel hebben benadeeld, gewoon kunnen voortzetten. Soms moet men een ruit inslaan, wat verboden is, om een uitslaande brand te blussen.

3. Gezien bovenstaande peins ik er niet over om wat dan ook van welke website af te halen, mocht u stappen willen ondernemen om uw zin te krijgen, zoals al meer gesteld, be my guest.

(…)

5. Zoals ook al eerder aangegeven aan mevrouw [Eiser sub 4] van het ministerie, rest u dan geen enkele andere keus om gijzeling of gevangenneming te gelasten, waarbij het ministerie van financiën zich zelf weer ontmaskert als zijnde een totalitair, zo niet fascistisch, instituut, iets wat mij al jaren duidelijk is. Daarbij komt nog dat een gijzeling dan wel gevangenneming mij in het geheel niet boeit, dus wat is dan de dwangmaatregel c.q. pressiemiddel?

(…)

8. Verder kan ik u meedelen dat u maar moet doen wat u niet laten kan, eens kijken hoe ver men denkt te kunnen gaan in de omgang met een dissident, helaas voor het ministerie kent Nederland geen Siberië en is het concentratiekamp Buchenwald tegenwoordig een museum en derhalve niet meer geschikt om andersdenkenden te elimineren.

Duidelijk mag zijn dat de oorlog tussen uw opdrachtgever en mij echt is losgebroken en ik aan mijn kant geen tiende van een millimeter meer zal toegeven, ongeacht de gevolgen, dat zij dan maar zo, ik heb, als enige partij in deze, wel respect voor normen en waarden, en wens daarin te volharden, los wat een maffia achtige organisatie daar van denkt of mee doet, de doodstraf bestaat niet in Nederland, pech voor uw cliënt.

2.18.

Daarop heeft de Staat c.s. zich tot de hosting provider gewend met een zogenaamd ‘notice and takedown’ verzoek. Op 5 april 2019 heeft de hosting provider aan dit verzoek voldaan en de bewuste website verwijderd.

2.19.

Enkele dagen later is het zwartboek opnieuw gepubliceerd, deze keer via de website “www. [naam website 3] .com“. Het zwartboek telt nu 21 hoofdstukken. Het nieuwe hoofdstuk 21 bevat onder meer een ‘ledenlijst van de criminele organisatie Cosa Fisca’. Daarop staan ook de namen vermeld van [Eiser sub 2] , [Eiser sub 3] en [Eiser sub 4] (eisers sub 2 tot en met 4).

2.20.

Daarop heeft de advocaat van de Staat c.s. een ‘notice and takedown’ verzoek gedaan aan de hosting provider van het domein ‘ [naam website 3] .com’.

2.21.

Bij e-mailbericht van 15 april 2019 heeft [Gedaagde] onder meer het volgende aan de advocaat van de Staat c.s. bericht:

Verder heb ik zojuist het bericht ontvangen dat er contact geweest te zijn tussen u/uw kantoor en o.a. domeinwinkel of een aan haar gelieerd bedrijf, waarbij mij duidelijk is geworden dat u uw intimidatie richting deze partij of partijen wenst vol te houden, maar ik heb vernomen dat op korte termijn de door u en uw cliënt zo gehate website eerdaags weer online staat via een moeilijk te benaderen web provider en mocht u er toch in slagen deze uit de lucht te krijgen, de volgende enz. enz.

Anders dan velen ben ik niet te intimideren, angst is en blijft een slechte raadgever, zeker als een criminele organisatie, met als rugdekking een ministerie, niet wenst dat zij ter verantwoording wordt geroepen en alles, veelal illegaal, in het werk stelt om de boodschapper van het slechte nieuws een kopje kleiner te maken.

Wijken voor een criminele, totalitaire, dan wel fascistische organisatie omdat men daar de arrogantie schijnt te bezitten om te denken dat zij boven elke wet- en regelgeving staat, is niet mijn stijl, kort gesteld, nog niet misschien.

2.22.

Bij e-mailbericht van 17 april 2019 heeft [Gedaagde] onder meer het volgende aan de advocaat van de Staat c.s. bericht:

Gezien de opstelling en handelwijze van u en uw cliënt, is gisteren overeengekomen om eerder dan de eerder overeengekomen datum nu op 01-05-2019 contractueel vast te leggen met partijen dat het boek met de titel Cosa Fisca, de ambtenaren maffia in Nederland, door mij geschreven zal worden in de aankomende maanden. (…)

Men zou zich af kunnen vragen waarom dit boek ook niet in de Duitse taal uitgeven, echter, op mijn verzoek, zal dit voorlopig niet gaan gebeuren aangezien er bij de vertaling wellicht verkeerde gedachten kunnen ontstaan of foute conclusies getrokken. Zo zou men zich op voorhand kunnen afvragen of b.v. in de zin “.. dus heeft het er alle schijn van dat, gezien de handelwijze van de minister, hij, ongewild dan wel onbewust, de leider zou kunnen zijn van een criminele organisatie.”, het woord leider vertaald zou moeten worden als Fuhrer, wat wellicht verkeerde associaties kan oproepen.

Wat ook te denken van een uitleg in het Duits van de stelling dat u louter en alleen in opdracht handelt van uw cliënt, Befehl ist Befehl, en dat u waakt over de (juridische) veiligheid van uw cliënt als een soort veiligheidsdienst, Sicherheitsdienst, SD, klinkt ook allemaal niet erg prettig en dient dus (voorlopig) vermeden te worden.

2.23.

Bij e-mailbericht van 6 mei 2019 heeft [Gedaagde] onder meer het volgende aan de advocaat van de Staat c.s. bericht:

Gisteren, 05-05-2019, vierde men in Nederland het feit dat, ten koste van vele slachtoffers, men zich bevrijd waande van bepaalde totalitaire overheidsinstellingen met de daarbij behorende ernstige gevolgen voor vele vrijheden en democratische rechten. In de jaren 1940-1945 ging men ook gebukt onder een totalitair bewind van de toen heersende overheid en, liep men niet in de (ganzen) pas en ageerde tegen de zeer verwerpelijke methodes van de machthebbers, liep het slecht af met deze “dissidenten”.

De manier waarop de belastingdienst c.q. het ministerie van financiën deze hele kwestie aanpakt en aangepakt heeft, vertoont helaas vele gelijkenissen met het hier voormelde regime, maling hebben aan de “normale” wetgeving, machtsmisbruik, intimidatie en elk democratisch recht onthouden aan de burgers en, wie de euvele moed heeft man en paard te benoemen, wordt ook behandeld als een crimineel en dissident met desastreuze gevolgen.

(…)

Ook mede gezien de historie in de jaren 1940-1945, kan en mag ik, alleen al uit respect voor allen die hun leven hebben gegeven in die periode, mij niet neerleggen bij de wijze waarop de Nederlandse overheid, de belastingdienst en het ministerie van financiën denken te kunnen opereren.

Wat u dan wel uw cliënt tegen mij wenst te ondernemen, het boeit mij in het geheel niet, buigen voor een “tiran”, nog niet misschien.

(…)

Gestel dat de tenuitvoerlegging van het vonnis zou plaatsvinden, kunt u mij misschien uitleggen wat het netto rendement daar van zou zijn, volgens mij zou er dan sprake zijn van het in uw jargon bekende begrip een Pirus overwinning, een korte uitleg hierna.

(…)

4. Ten derde, en als laatste ultieme poging om mij te intimideren en trachten buiten spel te zetten, de rechterlijke macht te verzoeken mij te gijzelen dan wel gevangenneming te gelasten, echter ook dit scenario kent meer slechte gevolgen dan goede, weer een korte toelichting ter verduidelijking.

a. Deze eis, wel of niet ingewilligd, zou weer het zoveelste bewijs opleveren dat inderdaad uw cliënt zich wenst te bedienen van een totalitaire dan wel fascistische methode, immers zij wenst dan dat een “dissident” buiten spel wordt gezet en monddood wordt gemaakt. Weer hoef ik zelf niets te bewijzen, uw cliënt doet dat zelf, bij voorbaat dank hiervoor.

b. Zou er daadwerkelijk overgegaan worden tot gijzeling dan wel gevangenneming, kan ik u op voorhand meedelen dat dat mij in het geheel niet boeit en dat deze periode zeer kortstondig zou blijken te zijn, dus winst voor uw cliënt weer nul komma nul.

c. Op het moment dat punt b. realiteit zou zijn, verandert er helemaal niets aan de situatie, behalve dat slechts 1 pion (tijdelijk) buiten spel is gezet, ik heb op voorhand maatregelen genomen in het geval dat dit scenario zich zou voordoen.

De door u en uw cliënt zo gehate website blijft gewoon online en, mocht deze door uw toedoen en/of door een vonnis van de rechtelijke macht offline gehaald worden, heb ik slecht nieuws voor u en uw cliënt.

Nu al is geregeld dat, indien de gewraakte website offline wordt gehaald, deze weer door de eigenaar ervan binnen de kortste keren weer online wordt geplaatst via een host welke zeer moeilijk is te dwingen om deze weer offline te halen. (…)

In het geval dat u wellicht niet uw eis ingewilligd krijgt om mij buiten spel te zetten middels gijzeling dan wel gevangenneming of ik, na een korte periode, weer op vrije voeten zou komen, wat dan te denken van mijn motivatie om (werknemers van) uw cliënt te blijven achtervolgen tot dat gerechtigheid is geschied.

(…)

Wat wellicht nog een beschamende conclusie is dat de maffia dezelfde praktijken, lees betrekking van familie en vrienden van een tegenstander, hanteert als het eerder vermelde regime in 1940-1945, kon men een tegenstander niet raken, werd zijn moeder, vader, echtgenote, zoon of dochter te grazen genomen, marteling en geregeld executie. De vraag rijst dus of deze Cosa Fisca allen betiteld dient te worden als een maffia organisatie en/of een fascistische organisatie, het is 1 van de twee of beiden.

2.24.

Bij e-mailbericht van 23 mei 2019 heeft [Gedaagde] onder meer het volgende aan de advocaat van de Staat c.s. bericht:

Ruim zeventig jaar geleden namelijk had een naar mannetje, Adolf Hitler geheten, het 5 jaar voor het zeggen in Nederland, hij en hij alleen maakte de dienst uit en ook hij had niets op met de rechtelijke macht, zijn wil was wet. Ook toen werden terecht andersdenkenden, dissidenten en opponenten zonder enige vorm van een correcte rechtsgang buiten spel gezet, veelal eindigend in concentratiekampen dan wel in de gaskamer, hetgeen door ons allen betiteld wordt als totalitair en fascistisch, maar u c.q. uw cliënt doet in principe exact hetzelfde.

De inhoud van het zwartboek is een opsomming van bewezen feiten, geen ongefundeerde beschuldigingen, maar in plaats van daar iets mee te doen, kiest u en uw cliënt ervoor de boodschapper van het slechte nieuws een kopje kleiner te maken ter verhulling van de vele delicten. Gelukkig voor mij maakt uw cliënt geen gebruik van concentratiekampen of gaskamers, anders was ik daar allang in beland, dat mag duidelijk zijn gezien de heersende mentaliteit bij uw cliënt en klaarblijkelijk ook bij u.

(…)

Zoals reeds eerder aan u gemeld, is mij verzocht een boek te schrijven over deze zaak met de titel Cosa Fisca, de ambtenarenmaffia in Nederland, en dit boek zal in meerdere talen worden uitgegeven, dus het probleem van het online houden van een website is eindig op enig moment.

In overleg met betrokken partijen zijn tevens een aantal andere zaken overeengekomen ter promotie van dit boek, waaronder onder meer een (komische) prijsuitreiking in verschillende categorieën, te weten de meest corrupte ambtenaar en de grootste ongelikte beer binnen de belastingdienst en het ministerie.

Zonder op voorhand al te verklappen welke ambtenaar thuis zal worden verrast met een prachtige bokaal, kan ik u melden dat in de categorie meest corrupte ambtenaar er twee grote kanshebbers zijn, [Eiser sub 2] en [Eiser sub 4] , en bij de ongelikte beren bokaal valt weer de naam van [Eiser sub 4] , maar ook dingt [Eiser sub 3] duidelijk mee naar deze trofee.

2.25.

Bij e-mailbericht van 13 juni 2019 heeft [Gedaagde] onder meer het volgende aan de advocaat van de Staat c.s. bericht:

Zoals eerder aan u gemeld heeft [naam Stichting A] besloten een prijs uit te reiken aan ambtenaren, werkzaam bij de belastingdienst Rivierenland en het ministerie van financiën, die uitblinken in twee categorieën, te weten de grootste ongelikte beer en de meest corrupte. Omdat is gebleken dat meerdere ambtenaren bijna dezelfde waardering kregen, is de keuze gemaakt om zowel prijzen toe te kennen aan ambtenaren van de belastingdienst Rivierenland als mede ook aan ambtenaren van het ministerie.

Heden, 13-06-2019, is duidelijk geworden dat bepaalde ambtenaren er met kop en schouders boven uit steken t.o.v. hun collega’s en [naam Stichting A] kan u dan ook melden in de categorie van de ambtenaren van het ministerie u beide prijzen, te weten de grootste ongelikte beer als ook de meest corrupte ambtenaar, in de wacht heeft gesleept.

Bij deze prijzen hoort natuurlijk een prachtige bokaal, welke [naam Stichting A] graag persoonlijk aan u wil uitreiken, hetzij op uw werk, hetzij bij u thuis, de keus is aan u.

Ons verzoek aan u is dan ook of u ons wilt laten weten welke locatie uw voorkeur geniet en wanneer, dit i.v.m. het gegeven dat [naam Stichting A] vergezeld zal worden door een filmploeg die deze uitreiking zal vastleggen om deze reportage dan vervolgens uit te zenden.

Tevens kan [naam Stichting A] melden dat bij de belastingdienst Rivierenland twee prijswinnaars zijn, te weten in de categorie de grootste ongelikte beer de heer [Eiser sub 3] en in de categorie de meest corrupte ambtenaar de heer [Eiser sub 2] . Volgens onze informatie zijn beide ambtenaren niet meer werkzaam bij deze belastingdienst, dus zullen wij de prijzen op hun woonadres gaan uitreiken, waar zij beiden op voorhand bericht van zullen ontvangen, zodat ook zij de datum kunnen bepalen.

2.26.

Bij e-mailbericht van 24 juni 2019 heeft [Gedaagde] onder meer het volgende aan de advocaat van de Staat c.s. bericht:

Wat betreft de inhoud van uw eis, gesteld en bewezen wordt weer dat er inderdaad onweerlegbaar sprake is van een totalitair systeem, i.p.v. zaken aan te pakken, eist men nu zelfs lijfsdwang om de boodschapper van het slechte nieuws trachten de mond te snoeren, het is werkelijk een beschamende vertoning voor een vermeende democratie.

Tevens kan ik u melden dat ik een eventuele lijfsdwang met alle genoegen zal ondergaan, zal niet langer duren dan een dag of 5 schat ik in, wetend dat er andere personen zijn die het stokje graag van mij over nemen.

2.27.

Bij e-mailbericht van 24 juni 2019 heeft [Gedaagde] onder meer het volgende aan [Eiser sub 4] bericht:

Gezien de mail van mr. Kingma, waarin hij meldt dat hij op 05-07-2019 een kort geding wenst, wordt het kort dag om voor die datum de dubbele prijsuitreiking u betreffende nog te laten plaatsvinden.

Gelukkig door hulp van derden lijkt het er op dat het toch gaat lukken.

3 Het geschil

3.1.

De Staat c.s. vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, uitvoerbaar op alle dagen en uren:

i.

[Gedaagde] verbiedt contact op te nemen of te doen nemen met [Eiser sub 2] , [Eiser sub 3] , [Eiser sub 4] of andere individuele medewerkers en voormalig medewerkers van de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën, hetzij op hun werk, hetzij op hun privéadres, in persoon, per post, per e-mail of in welke vorm dan ook, behoudens – enkel voor zover dat nodig is voor [Gedaagde] eigen belastingverplichtingen – met de algemene contacttelefoonnummers en/of contactadressen van de Belastingdienst,

ii. primair

het hiervoor gevorderde verbod uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaart, zulks met verlening van verlof aan de Staat c.s. om, indien [Gedaagde] na betekening van dit vonnis het hiervoor gevorderde verbod overtreedt, tot tenuitvoerlegging van de lijfsdwang over te gaan, voor de duur van maximaal één jaar, en met verlening van verlof tot dadelijke tenuitvoerlegging,
ii. subsidiair

bepaalt dat [Gedaagde] een dwangsom verbeurt van telkens € 100.000,00 (met een maximum van € 1.000.000,00) voor iedere handeling waarmee hij geheel of gedeeltelijk niet of niet meer aan de hiervoor gevorderde veroordeling uit dit vonnis voldoet,

althans zodanige voorzieningen treft als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren,

iii.

[Gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,

iv.

de nakosten conform het liquidatietarief begroot op € 157,00, dan wel, in het geval van betekening, op € 239,00.

3.2.

[Gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

rechtsmacht

4.1.

Op grond van artikel 5 lid 1 juncto artikel 7 lid 2 van de zogenaamde herschikte EEX-verordening (Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken) geldt dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. In de onderhavige zaak kan het schadebrengende feit – kort gezegd het bezoeken van ambtenaren van de Belastingdienst en/of het Ministerie van Financiën op hun privéadres dan wel op hun werk – zich voordoen in Nederland, nu [Eiser sub 2] , [Eiser sub 3] en [Eiser sub 4] woonachtig en werkzaam zijn in Nederland. Daarmee is de Nederlandse rechter bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

4.2.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank is op grond van artikel 102 juncto artikel 107 Rv (mede) bevoegd om van het geschil kennis te nemen, omdat het schadebrengende feit zich onder meer in Duiven, de woonplaats van [Eiser sub 2] , dreigt voor te doen.

toepasselijk recht

4.3.

Op grond van artikel 4 lid 1 van de zogenaamde Rome II-verordening (Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen) is het recht dat van toepassing is op een vordering uit onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet. Dat is in dit geval Nederland, zodat Nederlands recht van toepassing is.

inhoudelijke beoordeling

4.4.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van de Staat c.s.

4.5.

Vast staat dat [Gedaagde] van plan is om [Eiser sub 2] , [Eiser sub 3] en [Eiser sub 4] thuis op te zoeken met een cameraploeg en aan hen een prijs (bokaal) uit te reiken voor ‘meest corrupte ambtenaar’ of ‘ongelikte beer’. [Gedaagde] wil dit, zoals hij op zitting heeft bevestigd en toegelicht, zo spoedig mogelijk zelf uitvoeren of door een derde laten uitvoeren. Deze plannen vormen de directe aanleiding voor dit kort geding, waarmee de Staat c.s. deze ‘prijsuitreiking’ wenst te voorkomen en ook meer in het algemeen wil bewerkstelligen dat genoemde ambtenaren en andere (voormalige) ambtenaren van de Belastingdienst en/of het Ministerie van Financiën niet meer individueel door [Gedaagde] kunnen worden benaderd. De vraag die in dit kort geding centraal staat, zo is ook ter zitting door de Staat c.s. bevestigd, is of het bezoeken door [Gedaagde] of door iemand anders namens [Gedaagde] van [Eiser sub 2] , [Eiser sub 3] en/of [Eiser sub 4] en/of andere (voormalige) ambtenaren van de Belastingdienst en/of het Ministerie van Financiën op hun privéadres of op hun werk voor een te filmen prijsuitreiking als omschreven, als dreigend onrechtmatig handelen kan worden gekwalificeerd, waarvoor een contactverbod zoals gevorderd op zijn plaats is.

4.6.

In dit verband wordt voorop gesteld dat een dergelijke vordering in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 10 lid 1 van het (Europese) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van [Gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM), waaronder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 lid 1 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen en/of handelingen van [Gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrijheid van meningsuiting of het recht op bescherming van eer en goede naam alsook de persoonlijke levenssfeer – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen (verbonden aan de botsende grondrechten) worden afgewogen.

4.7.

Het belang van [Gedaagde] is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over – al dan niet vermeende – misstanden die de samenleving raken. Een prijsuitreiking met de strekking die [Gedaagde] voor ogen staat kan hiervan onderdeel uitmaken. Het belang van [Eiser sub 2] , [Eiser sub 3] en [Eiser sub 4] is erin gelegen dat zij het recht hebben verschoond te blijven van ernstige beschuldigingen die leiden tot ontoelaatbare aantasting van hun eer en goede naam, alsmede van ontoelaatbare inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer. De Belastingdienst en het Ministerie van Financiën – en dus de Staat – hebben er belang bij dat hun individuele medewerkers hiervan verschoond blijven. Zoals de voorzieningenrechter in het vonnis van 24 juli 2014 ook heeft overwogen, heeft de Belastingdienst er voorts belang bij dat hij zijn publieke taak goed kan uitoefenen en dat hij wordt gezien als een betrouwbare organisatie. Op de Belastingdienst rust als werkgever de verantwoordelijkheid te zorgen voor een werkomgeving waarin zijn medewerkers ongestoord hun werk kunnen doen.

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt bij het afwegen van al deze belangen het volgende. Vast staat dat [Gedaagde] al jaren in onmin leeft met de Belastingdienst. In dit verband heeft [Gedaagde] de Belastingdienst en verschillende individuele ambtenaren beschuldigd van allerlei strafbare en/of anderszins onrechtmatige gedragingen. [Gedaagde] en/of [echtgenoot gedaagde] hebben meerdere procedures gevoerd tegen de Belastingdienst en/of individuele ambtenaren. In al deze procedures zijn zij in het ongelijk gesteld (zie 2.9 en 2.10). In 2012 heeft [Gedaagde] verschillende medewerkers van de Belastingdienst (en de Belastingdienst zelf) aan de digitale schandpaal genageld, door deze met naam en toenaam van ernstige vergrijpen te beschuldigen op een voor een ieder toegankelijke website van de door hem opgerichte en beheerde stichting [naam Stichting A] (zie 2.11). Dit heeft geleid tot het vonnis van de voorzieningenrechter van 24 juli 2014 (zie 2.12). Vervolgens is in 2018 via een website die uiteindelijk naar [Gedaagde] leidt een zwartboek gepubliceerd, waarin wederom een groot aantal ernstige beschuldigingen wordt geuit aan het adres van verschillende, met naam en toenaam genoemde (voormalig) medewerkers van de Belastingdienst (zie 2.15). Nadat deze website op verzoek van de Staat c.s. door de hosting provider is verwijderd, is het inmiddels aangevulde zwartboek op een andere website opnieuw gepubliceerd (zie 2.19). In de daarop gevolgde correspondentie tussen de advocaat van de Staat c.s. en [Gedaagde] heeft [Gedaagde] onomwonden te kennen gegeven dat hij zich niets aantrekt van wie of wat dan ook en dat hij verder zal blijven gaan met het uiten van de eerder geuite beschuldigingen aan het adres van de Belastingdienst, individuele ambtenaren van de Belastingdienst en de advocaat van de Staat c.s. In deze uitingen en correspondentie vergelijkt [Gedaagde] de Nederlandse overheid met het Duitse naziregime en de maffia. [Gedaagde] verklaart in deze correspondentie uitdrukkelijk dat hij het vonnis van de voorzieningenrechter van 24 juli 2014 bewust naast zich neer heeft gelegd (zie 2.17 en 2.21 tot en met 2.24). De tot op heden laatste stap van [Gedaagde] betreft de recente aankondiging dat hij, of iemand anders namens hem, met een camera enkele medewerkers van de Belastingdienst en/of het Ministerie van Financiën op hun privéadres, dan wel op hun werk wil bezoeken voor de meergenoemde, te filmen prijsuitreiking (zie 2.24 en 2.25). [Gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij beschikt over de adressen van [Eiser sub 2] , [Eiser sub 3] en [Eiser sub 4] en dat hij al eens eerder een envelop bij [Eiser sub 2] in de brievenbus heeft gedaan.

4.9.

Tegen deze achtergrond kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de aankondiging van [Gedaagde] dat hij of iemand anders namens hem [Eiser sub 2] , [Eiser sub 3] en/of [Eiser sub 4] op hun privéadres of op hun werk zal bezoeken voor het uitreiken van een award en dat hij dit geheel zal laten filmen, als dreigend onrechtmatig handelen worden aangemerkt. Het is gelet op de gehele voorgeschiedenis immers zeer aannemelijk dat een dergelijk bezoek voor de betreffende ambtenaren uitermate belastend, intimiderend en bedreigend is. Het op deze wijze thuis dan wel op hun werk bezoeken van individuele ambtenaren van de Belastingdienst gaat veel te ver, omdat deze acties niet meer in verhouding staan tot een daarmee gemoeid belang van vrijheid van meningsuiting. [Gedaagde] heeft ter zitting desgevraagd erkend door wraakzucht te worden gedreven. De voorgenomen plannen vormen dan ook een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Indien [Gedaagde] het niet eens is met de beslissingen en/of de handelwijze van de Belastingdienst en/of individuele ambtenaren van de Belastingdienst, staan er voor [Gedaagde] andere wegen open, zoals het indienen van een klacht, het maken van bezwaar of het doen van aangifte bij de politie. Dat deze wegen niet tot het door [Gedaagde] gewenste resultaat hebben geleid geeft hem niet het recht om inbreuken te plegen op de persoonlijke levenssfeer en de goede naam van de betreffende ambtenaren.

4.10.

Alle bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval in onderling verband en samenhang in aanmerking nemend dient het belang van de Staat c.s. naar het oordeel van de voorzieningenrechter derhalve zwaarder te wegen dan het belang van [Gedaagde] . Het gevorderde contactverbod ligt dan ook voor toewijzing gereed, met dien verstande dat het [Gedaagde] zal worden verboden om gedurende één jaar na betekening van dit vonnis in persoon of door een derde namens hem contact op te (doen) nemen met [Eiser sub 2] , [Eiser sub 3] en [Eiser sub 4] op hun privéadres, werkadres, per post, per e-mail, of in welke vorm dan ook. Vast staat dat geen van hen nog actuele bemoeienis heeft met lopende fiscale zaken van [Gedaagde] , zodat ook daarin geen reden is gelegen om hen nog te benaderen.

4.11.

De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding om dit contactverbod ook op te leggen met betrekking tot andere individuele medewerkers en voormalig medewerkers van de Belastingdienst en/of het Ministerie van Financiën. In zoverre zal het gevorderde contactverbod worden afgewezen.

4.12.

Gelet op de gehele voorgeschiedenis is het de vraag op welke manier [Gedaagde] kan worden bewogen tot het nakomen van het contactverbod. Dat de Staat c.s. graag ziet dat er een stok achter de deur wordt geplaatst voor het geval [Gedaagde] zich er toch niet aan wil houden is goed te begrijpen. De vraag die resteert, is hoe dat moet worden vormgegeven. De Staat c.s. vordert in dit verband primair toepassing van lijfsdwang.

4.13.

Lijfsdwang als sanctie op overtreding van het op te leggen contactverbod dient zeer terughoudend te worden toegepast en kan slechts worden opgelegd als ultimum remedium: voldoende aannemelijk dient te zijn dat geen enkele andere – minder rigoureuze – prikkel tot nakoming effect heeft en dat het belang van de Staat c.s. toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt.

4.14.

De gang van zaken laat zien dat [Gedaagde] zich in een eerdere kwestie niet veel gelegen heeft laten liggen aan een dwangsom. Zoals reeds overwogen heeft [Gedaagde] een eerder kort gedingvonnis bewust naast zich neergelegd en daarmee al een bedrag van

€ 100.000,00 aan dwangsommen verbeurd. Ter zitting heeft [Gedaagde] ook weer uitdrukkelijk verklaard dat hij niet onder de indruk is van een op te leggen dwangsom. Dit maakt dat in dit geval op het eerste gezicht is voldaan aan de vereisten om een zwaarder middel op te leggen en dus zou de onderhavige uitspraak uitvoerbaar bij lijfsdwang kunnen worden verklaard.

4.15.

Toch zal de voorzieningenrechter hiertoe niet overgaan. Op verschillende momenten heeft [Gedaagde] in correspondentie te kennen gegeven zich niet te zullen laten weerhouden van zijn plannen als er lijfsdwang of gijzeling wordt verbonden aan een contactverbod. Zo heeft hij te kennen gegeven dat gijzeling dan wel gevangenneming hem in het geheel niet boeit, dat hij die met alle genoegen zal ondergaan en dat hij, indien hij na een gijzeling weer op vrije voeten komt, extra gemotiveerd is om werknemers van de Belastingdienst te blijven achtervolgen totdat gerechtigheid is geschied (zie 2.17, 2.23 en 2.26). Ter zitting heeft [Gedaagde] hier nog aan toegevoegd dat hij door wraak wordt gedreven en dat op het moment dat hij na toepassing van lijfsdwang weer vrijkomt, “de beer echt los is”, omdat hij zich tot dusverre in zijn eigen beleving rustig heeft gehouden. [Gedaagde] acht het zijn taak om mensen net zolang ter verantwoording te roepen totdat ze toegeven, aldus [Gedaagde] . Het heeft er dus alle schijn van dat van het toepassen van lijfsdwang niet de door de Staat c.s. beoogde afschrikwekkende werking uitgaat. In dat geval schiet lijfsdwang als sanctie op overtreding van het op te leggen contactverbod naar verwachting haar doel voorbij, terwijl het hoe dan ook een grote inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer van [Gedaagde] . Er is bovendien aanleiding om er rekening mee te houden dat met lijfsdwang de bescherming en de rust voor de betreffende ambtenaren die de Staat c.s. zoekt niet effectief bereikt wordt, maar dat veeleer een averechts effect wordt bereikt. De gevorderde toepassing van lijfsdwang zal derhalve worden afgewezen.

4.16.

Niettegenstaande hetgeen hiervoor onder 4.14 is overwogen, zal de voorzieningenrechter overeenkomstig de subsidiaire vordering van de Staat c.s. aan het op te leggen contactverbod toch een dwangsom verbinden, een en ander zoals hierna in het dictum is weergegeven Het heil dat daarvan is te verwachten is mogelijk beperkt, maar de aanleiding voor het opleggen van het contactverbod noopt tot een prikkel tot nakoming, terwijl aan een dwangsom niet op voorhand alle zin ontzegd kan worden op grond van een eerdere kwestie.

4.17.

[Gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 397,61

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 2.016,61

4.18.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [Gedaagde] gedurende één (1) jaar na betekening van dit vonnis in persoon of door een derde namens hem contact op te (doen) nemen met [Eiser sub 2] , [Eiser sub 3] en [Eiser sub 4] op hun privéadres, werkadres, per post, per e-mail, of in welke vorm dan ook,

5.2.

veroordeelt [Gedaagde] om aan de Staat c.s. een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt [Gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat c.s. tot op heden begroot op € 2.016,61, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [Gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [Gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op

28 juni 2019 in tegenwoordigheid van de griffier, terwijl de overwegingen waarop de beslissing stoelt afzonderlijk zijn vastgelegd op 11 juli 2019.

Coll.: MvG