Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4076

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
C/05/355641 / KG RK 19/533
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De klachten van verzoeker betreffen in wezen de manier waarop hij door de rechter is bejegend. Voor dergelijke klachten is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Verzoeker kan over de wijze

van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn gesteld noch gebleken. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

;

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/355641 / KG RK 19/533

Beslissing van 3 september 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende te Nijmegen,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. A. Tegelaar,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter van 25 juni 2019 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 8 juli 2019.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

  • -

    verzoeker,

  • -

    de officier van justitie mr. T.G.C. Fölling met een collega.

De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verzoeker] met nummer 05/263442-18.

2.2.

Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij door de rechter kritisch is ondervraagd. Daarbij heeft hij de woordkeuze van de rechter als onnodig grievend ervaren. Het gaat hierbij onder meer om de vraag of verzoeker een kort lontje heeft, de door de rechter gebruikte uitdrukking ‘op zijn plat Amsterdams gezegd zijn we erom heen aan het kletsen’, ‘grote onzin’ en ‘kletspraat’. Verzoeker vindt deze woordkeuze niet passend voor een rechter en hij heeft dit als kwetsend ervaren. Verzoeker is van mening dat er aan

de zijde van de rechter sprake is geweest van vooringenomenheid.

2.3.

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is geweest van vooringenomenheid aan de zijde van de rechter. De rechter heeft verzoeker uitgebreid de mogelijkheid geboden om zijn zaak te bespreken, er zijn getuigen gehoord en verzoeker is tijdens de zitting in de gelegenheid gesteld om een geluidsfragment te laten horen. Het staat de rechter vrij om verzoeker stevig te bevragen, aldus de officier van justitie. De rechter heeft de taak om de waarheid vast te stellen en mag daarin kritisch zijn. De officier van justitie is van mening dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.

2.4.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

3.2.

De klachten van verzoeker betreffen in wezen de manier waarop hij door de rechter is bejegend. Voor dergelijke klachten is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Verzoeker kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn gesteld noch gebleken. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. F.M.T. Quaadvliet, K.A.M. van Hoof en mr. J.M. Graat, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Zeiler en in openbaar uitgesproken op 3 september 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.