Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4075

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
05/062436-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens vernieling van de woning van zijn ex-partner, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor haar te duchten was, en wegens vernieling van haar auto tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. Daarnaast dient verdachte een bedrag van bijna € 4.000,- aan schadevergoeding te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/062436-19

Datum uitspraak : 22 augustus 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Raadsman: mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 augustus 2019 en 11 juni 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering aanpassing omschrijving feiten in tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 15 maart 2019, te Gendt, in de gemeente Lingewaard, althans in Nederland, opzettelijk, een gebouw, te weten een woonhuis aan de [adres] , heeft vernield en/of beschadigd, door:

- meermalen met de grijper van een kraanmachine en/of graafmachine, door het dak van voornoemde woning te duwen en/of een deel van het dak van voornoemde woning vast te grijpen en los te trekken en/of te slopen,

en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten:

- de in het gebouw aanwezige huisraad,

en/of levensgevaar voor een ander, te weten:

- [slachtoffer] ,

te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 15 maart 2019, te Gendt, in de gemeente Lingewaard, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met de grijper van een kraanmachine en/of graafmachine,

door het dak van een woning aan de [adres] , ter hoogte van de slaapkamer van voornoemde [slachtoffer] , heeft geduwd en/of een deel van het dak van voornoemde woning vast heeft gegrepen en los heeft getrokken en/of heeft gesloopt en/of heeft vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 15 maart 2019, te Gendt, in de gemeente Lingewaard, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met de grijper van een kraanmachine en/of graafmachine, door het dak van een woning aan de [adres] , ter hoogte van de slaapkamer van voornoemde [slachtoffer] , heeft geduwd en/of een deel van het dak van voornoemde woning vast heeft gegrepen en los heeft getrokken en/of heeft gesloopt en/of heeft

vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 15 maart 2019, te Gendt, in de gemeente Lingewaard, althans in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een voertuig, te weten een Peugeot Partner, met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 45;

- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats-delict, p. 166, en

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 augustus 2019.

Ten aanzien van het primair onder 1 ten laste gelegde feit

Verdachte heeft verklaard dat hij op 15 maart 2019 te Gendt met de sorteerknijper van een graafmachine drie tikken heeft gegeven op het dak van de woning van zijn ex-partner, [slachtoffer] , aan de [adres] . Er is voor wat betreft het feit dat verdachte een gebouw heeft vernield waardoor gemeen gevaar voor goederen is ontstaan sprake van een bekennende verklaring als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 44;

  • -

    het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats-delict, p. 165-167, en

  • -

    de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 22 augustus 2019.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of het handelen van verdachte ook levensgevaar voor een ander, in dit geval [slachtoffer] , heeft opgeleverd.

Levensgevaar voor een ander?

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het handelen van verdachte levensgevaar voor [slachtoffer] heeft opgeleverd, gelet op de conclusie van de Verkeers Ongevallen Analyse op p. 14 en de foto’s vanaf p. 168 in het dossier. Daarbij komt dat [slachtoffer] daadwerkelijk puin op haar arm heeft gekregen op het moment dat ze haar telefoon wilde pakken. Dat [slachtoffer] volgens verdachte al beneden was toen hij de laatste en meest impactvolle klap heeft gegeven met de sorteerknijper, is niet aannemelijk geworden. Er is geen aanleiding om aan de verklaring van [slachtoffer] , dat zij ten tijde van de vernieling in de slaapkamer verbleef, te twijfelen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat het handelen van verdachte levensgevaar voor [slachtoffer] heeft opgeleverd en heeft verzocht verdachte vrij te spreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Op het moment dat verdachte met de sorteerknijper door het dak ging, lag [slachtoffer] niet meer in bed. Zij was beneden, want daar brandde licht. Verdachte heeft niet de intentie gehad om [slachtoffer] iets aan te doen. Hij wilde alleen zijn nalatenschap vernielen. Als hij haar wel wat aan had willen doen, dan had hij met de sorteerknijper het bed kunnen raken. Indien de rechtbank twijfelt over de vraag of het handelen van verdachte levensgevaar heeft opgeleverd voor [slachtoffer] , wordt verzocht een deskundige hierover te horen. Uit het aantreffen van het puin op het bed kan volgens de verdediging niet de conclusie worden getrokken dat er levensgevaar is ontstaan voor [slachtoffer] .

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat ze in de nacht van 15 maart 2019 omstreeks 05.00 uur wakker werd door een droom. Ze hoorde buiten de kraan van verdachte en daarop heeft ze uit het slaapkamerraam gekeken. Aangeefster zag dat de poort dicht zat, terwijl de kraan normaal gesproken de weg op zou gaan. Ze zag de kraan met de giek en de grijper en zag dat de kraan draaide met de grijper in de richting van de slaapkamer. Ze zag dat verdachte in de kraan zat. Aangeefster zag dat de giek met de grijper omhoog ging en dat verdachte met de grijper in het dak greep en het dak sloopte. Ze zag het hele plafond naar beneden komen. Van een omvallende muur is een deel op haar hand terecht gekomen toen ze haar telefoon van het bed wilde pakken.2 Aangeefster heeft letsel opgelopen in de vorm van een schaafwondje op haar rechterhand.3 Na de eerste klap is aangeefster naar de badkamer gevlucht. Ze hoorde nog een tweede en derde klap. Aangeefster heeft verklaard dat ze geen licht heeft aan gedaan.4

Forensisch onderzoek wees uit dat in de slaapkamer diverse hout- en puinresten lagen (foto’s 36 en 37 in de fotomap achter het proces-verbaal). In de slaapkamer bevond zich een tweepersoonsbed, geplaatst onder de schuine kap. In het schuine dak zat een gat (foto’s 38 en 39). Dit gat liep vanaf het hoofdeind van het bed tot aan de eerste gording van de zolderverdieping. Het plafond van de slaapkamer hing los, waardoor de balkenlaag van de zoldervloer zichtbaar was. Op het bed lagen puinresten bestaande uit hout, gips, steen, cellenbeton en dakpannen (foto’s 40 en 41). Twee gordingen waren afgebroken en lagen op het bed (foto’s 42 en 43). Onder de puinresten, aan de zijde van het dak, lagen hoofdkussens. Een deel van de zoldervloer was vernield (foto 44). Een groot gedeelte van de muur, tussen de vloer en het schuine dak, was ingestort (foto’s 45 en 46).5

Een verbalisant van Werkterrein Verkeers Ongevallen Analyse heeft aanvullend onderzoek verricht. Hiertoe heeft hij de maten van de graafmachine en de gevelmaten van de woning opgemeten en is een oorspronkelijke bouwtekening opgevraagd. Op basis van de bevindingen is de verbalisant tot de conclusie gekomen dat de grijper (sorteerknijper), welke aan de giek van de graafmachine was bevestigd, de verdiepingsvloer van de slaapkamer zeker had kunnen bereiken.6

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster niets wilde aandoen, hij wilde haar alleen schrik aanjagen. Verdachte is er vanuit gegaan dat aangeefster niet in bed zou blijven liggen.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij wist waar de slaapkamer van aangeefster was. Op die plek heeft hij twee tikken op het dak gegeven. Bij de derde tik is hij door het dak gegaan. Hij wist dat aangeefster op 15 maart jarig was.7

Overwegingen

Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. In de nacht van 15 maart 2019 omstreeks 05.00 uur is aangeefster [slachtoffer] - bij toeval - wakker geworden. Zij hoorde de kraan van verdachte. Vanwege het vroege tijdstip is zij naar het slaapkamerraam gelopen om te kijken wat er aan de hand was. Zij zag verdachte in de kraan zitten, welke in de richting van de slaapkamer draaide en ze zag dat de giek met de grijper omhoog ging. Het plafond kwam naar beneden en op het moment dat zij haar telefoon van het bed wilde pakken, kwam een deel van de omvallende muur op haar hand terecht. Vervolgens is zij naar de badkamer gevlucht. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de verklaring van aangeefster te twijfelen. Zij acht de verklaring van aangeefster, dat zij boven was op het moment dat verdachte met de grijper door het dak ging, aannemelijk. Voor de verklaring van verdachte, dat hij licht zag branden in de bijkeuken en er vanuit ging dat aangeefster beneden was, biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt en de rechtbank acht deze verklaring dan ook onaannemelijk.

Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte levensgevaar heeft opgeleverd voor [slachtoffer] . Verdachte is om 5.00 uur in de ochtend met de sorteerknijper van de graafmachine door het dak van de woning gegaan, precies ter hoogte van de slaapkamer van [slachtoffer] . Dat verdachte wist dat de slaapkamer zich op die plek in de woning bevond, blijkt uit zijn verklaring. Dat ligt ook voor de hand, nu verdachte zelf jarenlang in die woning heeft gewoond. Gelet op het vroege tijdstip lag het voor de hand dat aangeefster zich in de slaapkamer zou bevinden. Uit de aangifte is ook gebleken dat [slachtoffer] zich daadwerkelijk in de slaapkamer bevond op het moment dat verdachte met de sorteerknijper door het dak ging. Het levensgevaar voor [slachtoffer] was dan ook concreet aanwezig op dat moment. Dat [slachtoffer] daarna niet meer in het bed lag - dat precies op de plaats waar de sorteerknijper door het dak ging onder het schuine dak stond - en bedolven werd onder het puin, is enkel te danken aan het feit dat zij wakker was geworden en uit bed was gegaan. De verklaring van verdachte, dat hij er vanuit ging dat [slachtoffer] zich op het moment van de laatste klap al beneden bevond, is niet relevant. Het gaat immers bij de beoordeling van het primair tenlastegelegde om de vraag of door de vernieling van de woning er levensgevaar te duchten was. Het opzet van verdachte op dit levensgevaar hoeft niet bewezen te worden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover een deskundige nader te horen. Zij zal het voorwaardelijk verzoek van de raadsman dan ook afwijzen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 15 maart 2019, te Gendt, in de gemeente Lingewaard, althans in Nederland, opzettelijk, een gebouw, te weten een woonhuis aan de [adres] , heeft vernield en/of beschadigd, door:

- meermalen met de grijper van een kraanmachine en/of graafmachine, door het dak van voornoemde woning te duwen en/of een deel van het dak van voornoemde woning vast te grijpen en los te trekken en/of te slopen,

en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten:

- de in het gebouw aanwezige huisraad,

en/of levensgevaar voor een ander, te weten:

- [slachtoffer] ,

te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 15 maart 2019, te Gendt, in de gemeente Lingewaard, althans in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een voertuig, te weten een Peugeot Partner, met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Een gebouw opzettelijk vernielen terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden verbonden te worden van een meldplicht bij Reclassering Nederland, een ambulante behandeling door Kairos, een contactverbod ten aanzien van aangeefster [slachtoffer] en een locatieverbod, welk verbod dient te worden gecontroleerd door middel van een elektronisch controlemiddel. De officier van justitie heeft tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een vrijheidsstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Aan een voorwaardelijk strafdeel zouden de bijzondere voorwaarden verbonden kunnen worden zoals gevorderd door de officier van justitie. Daarbij heeft de raadsman verzocht om de inhoud van het locatieverbod te wijzigen, in die zin dat het locatieverbod niet geldt voor de N838. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden achterwege gelaten kan worden. Om de ernst van de feiten te onderstrepen, zou aan verdachte een werkstraf voor de maximale duur kunnen worden opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van de woning van zijn ex-vrouw, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor zijn ex-vrouw te duchten was. In de nacht van 15 maart 2019 - uitgerekend op de verjaardag van zijn ex-vrouw - is verdachte naar zijn bedrijf (achter de woning) gegaan, met de intentie om de inventaris van zijn bedrijf kort en klein te slaan. Een brief van de rechtbank waarin het alimentatiebedrag was verhoogd, was daartoe de aanleiding, aldus verdachte. Hij wilde niet langer werken om enkel in het onderhoud van aangeefster te kunnen voorzien. Hij was voornemens een eind aan zijn leven te maken en daarbij niets aan zijn ex-partner en familie na te laten. In plaats van de boel direct kort en klein te slaan, zoals verdachte van plan was, is hij eerst met de graafmachine naar de woning gegaan. Volgens verdachte wilde hij alleen een paar tikken geven op het dak om aangeefster bang te maken en had hij niet de intentie om haar iets aan te doen. De feiten en omstandigheden, te weten het in de vroege ochtend inslaan op het dak van de woning exact ter hoogte van de slaapkamer van aangeefster, doen anders vermoeden. Dat aangeefster niet is bedolven onder het puin, met alle gevolgen van dien, is enkel te danken aan het feit dat zij toevallig op tijd wakker was geworden en dat zij net op tijd weg kon komen. Zij heeft die nacht voor haar leven gevreesd. Daar komt bij dat verdachte met zijn handelen een aanzienlijke ravage heeft aangericht, zowel in en aan de woning als aan het voertuig van aangeefster.

Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring is gebleken dat deze gebeurtenis een enorme impact heeft gehad op aangeefster. Zij heeft het handelen van verdachte als een aanslag op haar leven ervaren. Naast het feit dat zij veel praktische zaken moest regelen vanwege de schade aan haar woning, voelde zij zich niet meer thuis in deze woning. Ook heeft zij last gehad van de aandacht die deze zaak heeft getrokken, zowel van de pers als van omwonenden. Na een lange wachttijd is zij inmiddels onder behandeling bij een psycholoog.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 2 augustus 2019;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 22 mei 2019, en

- een PJ-rapportage psychologisch onderzoek van drs. [naam 1] , GZ-psycholoog, van 21 mei 2019.

Uit het strafblad van verdachte van 2 augustus 2019 blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Uit het psychologisch rapport van 21 mei 2019 blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van een vermijdende copingstijl, een gebrekkig mentaliserend vermogen en van een andere gespecificeerde depressieve stemmingsstoornis, waarbij laatstgenoemde ten tijde van het onderzoek deels in remissie was. Deze stoornissen waren ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig en beïnvloedden (deels) de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Ten tijde van het ten laste gelegde was bij verdachte sprake van stemmingsproblematiek. Over de externe stressoren, te weten de ophoging van de alimentatie die hij maandelijks aan aangeefster moest betalen, heeft hij niet of nauwelijks met anderen gesproken. Zijn vermijdende aanpak heeft ertoe geleid dat problemen zich opstapelden en onhandelbaar voor hem leken. Zodoende lijkt een soort ‘snelkookeffect’ te zijn ontstaan, waarin stressoren in combinatie met verdachtes vermijdende copingstijl, onvermogen om zijn frustratie te uiten en om hulp te vragen, in snelle tijd tot decompensatie hebben geleid. Door opbouw van spanning en opgekropte woede groeide een gevoel van onmacht en onrecht tot dusdanige sterkte dat dit uitzichtloos voor hem leek. Zijn keuzes zijn ten dele beïnvloed door de forse stemmingsklachten en daarbij behorende bewustzijnsvernauwing of ‘tunnelvisie’ die verdachte op dat moment ervoer. Geadviseerd wordt om verdachte het hem ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt, bij onbehandelde terugkeer in de maatschappij, als laag/matig ingeschat. Desondanks wordt een (ambulante) behandeling wenselijk geacht, waarbij verdachte gaat werken aan de factoren die bij hem bijdragen aan het ‘snelkookeffect’. Geadviseerd wordt de behandeling op te leggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel, welke behandeling dient plaats te vinden binnen het kader van reclasseringstoezicht.

In de hiervoor genoemde PJ-rapportage heeft de psycholoog geadviseerd om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank neemt deze conclusie over.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het uitgebrachte reclasseringsadvies. Daarin wordt eveneens geadviseerd een voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling (met een mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname). Verder wordt geadviseerd deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De rechtbank neemt de conclusies van voornoemde rapporten, voor zover zij zien op het strafadvies, niet over en overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht volgt dat het slechts mogelijk is een voorwaardelijk strafdeel op te leggen bij een gevangenisstraf van maximaal vier jaar. Gezien de aard en ernst van de gepleegde feiten, acht de rechtbank geen andere straf passend dan een langere, onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een straf zoals gevorderd door de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van de feiten. Bij dit oordeel heeft de rechtbank met name betrokken het levensgevaar dat voor aangeefster zich die nacht concreet heeft voorgedaan en waar verdachte zich op zijn minst bewust van moet zijn geweest. Aangeefster mag van geluk spreken dat zij fysiek, behoudens een schaafwond, ongedeerd is gebleven. De rechtbank ziet weliswaar het belang van begeleiding en behandeling van verdachte, maar dit zou te zijner tijd, in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling, gerealiseerd kunnen worden. De wenselijkheid van een contact- en/of locatieverbod kan eveneens in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling beoordeeld worden.


Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank ziet in de ernst van de feiten en het feit dat de situatie tussen verdachte en zijn ex-vrouw ongewijzigd is en verdachte nog onvoldoende behandeling heeft gehad om een gezonde coping aan te leren, redenen om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De rechtbank overweegt dat de persoonlijke belangen van verdachte die hij heeft bij voortduring van de schorsing in dit geval ondergeschikt zijn aan de strafvorderlijke belangen en het belang dat de samenleving heeft bij het hervatten van de voorlopige hechtenis. Met andere woorden, de rechtbank is van oordeel dat verdachte ook een eventueel hoger beroep niet in vrijheid dient af te wachten.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. Ter terechtzitting is de vordering gewijzigd en aangevuld. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.170,04, bestaande uit € 1.670,04 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Materiële schade

Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij aanvullende kosten gevorderd, onder meer voor extra gevolgde consulten bij praktijk [naam 2] en de reiskosten die de benadeelde partij daarvoor heeft gemaakt. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw een document overgelegd aan de rechtbank waarin de data van deze consulten zijn vermeld. Uit dit document maakt de rechtbank op dat de betreffende consulten zijn gevolgd op 7 januari, 17 januari en 21 februari 2019. Nu de bewezenverklaarde feiten dateren van 15 maart 2019, ontbreekt een causaal verband tussen voornoemde consulten en de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal dit deel van de vordering - groot € 208,32 - dan ook afwijzen.

De overige posten, te weten het eigen risico, de facturen van [naam 3] en [naam 4] , medicatie, therapieën bij [naam 2] en [naam 5] , de reiskosten met betrekking tot die therapieën, de telefoonkosten en de parkeerkosten, zijn niet betwist en zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk. Zij zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 1.414,92.

Over de gevorderde reiskosten met betrekking tot het doen van aangifte, gesprekken met de officier van justitie en de advocaat en de aanwezigheid ter zitting, en de gevorderde parkeerkosten, beslist de rechtbank onder het kopje proceskosten.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreekse immateriële schade heeft geleden. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal de rechtbank de vordering ad € 2.500,- toewijzen.

Proceskostenvergoeding

De benadeelde partij vordert vergoeding van de reiskosten die zij heeft gemaakt. Het gaat om reiskosten met betrekking tot het doen van aangifte, een gesprek met de officier van justitie, twee gesprekken met de advocaat en de aanwezigheid ter terechtzitting. De gevorderde kosten zijn niet betwist en de rechtbank zal de vordering toewijzen. De toegewezen proceskostenvergoeding komt daarmee uit op € 46,80.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij(en). De gevorderde en toegewezen vergoeding voor proceskosten is daar niet bij inbegrepen.

Wettelijke rente

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 15 maart 2019.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 170 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van
    € 3.914,92 (drieduizendnegenhonderdveertien euro en tweeënnegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige af;

  • -

    verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
    € 46,80 (zesenveertig euro en tachtig eurocent);

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 3.914,92 (drieduizendnegenhonderdveertien euro en tweeënnegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van volledige betaling en volledig van de hoofdsom 49 (negenenveertig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van Leeuwen (voorzitter), mr. G. Noordraven en
mr. S.H. Keijzer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Blankenspoor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 september 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, registratienummer 2019113471, onderzoek ON4R019039 team Scoop, gesloten op 8 mei 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 44.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 152.

4 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 46.

5 Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats-delict, p. 165-166, met de bijlage Fotomap, p. 186-191.

6 Proces-verbaal aanvullend onderzoek, p. 213-214.

7 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 22 augustus 2019.