Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:4059

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-09-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4113
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB volgt dat de keuze om de grondslag sparen en beleggen anders te verdelen gemaakt moet worden voordat de aanslag onherroepelijk vaststaat. Partijen zijn het erover eens dat te laat bezwaar is gemaakt, hetgeen betekent dat de aanslagen van eiser en van zijn echtgenote onherroepelijk zijn komen vast te staan en dus in rechte onaantastbaar zijn geworden. Wijziging van de grondslag is dan – ook in de sfeer van een ambtshalve vermindering – niet meer mogelijk. De mogelijkheid dat een aanslag door verweerder zoals op grond artikel 9.6 van de Wet IB ambtshalve kan worden verminderd, betekent niet dat een aanslag – zoals in het onderhavige geval na het verlopen van de bezwaartermijn – nog niet onherroepelijk vast staat in de zin van artikel 2.17 van de Wet IB. Artikel 9.6 van de Wet IB biedt immers geen bezwaar- en beroepsmogelijkheid tegen een opgelegde aanslag (anders dan door de rechtbank is overwogen in de uitspraak van 25 januari 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:268).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/4113

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[X] te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag (aanslagnummer [xxxxxx] inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.851 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.000.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2018 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zitting van de enkelvoudige belastingkamer heeft plaatsgevonden op 15 februari 2019. Eiser is verschenen en namens verweerder zijn verschenen [A] en [B].

Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep van de echtgenote van eiser, [Y] (zaaknummer AWB 18/4114).

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Op 12 maart 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige belastingkamer. Aanleiding hiervoor waren de tegenstrijdige uitspraken van de rechtbank van 25 januari 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:268) en 15 februari 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:876) over het onderwerp in onderhavige procedure.

Beide partijen hebben desgevraagd nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen


Feiten

1. Eiser en zijn echtgenote zijn fiscale partners van elkaar.

2. Met dagtekening 17 juni 2017 heeft verweerder, overeenkomstig de door eiser ingediende aangifte, de aanslag IB/PVV 2016 vastgesteld.

3. Op 29 april 2018 heeft eiser een herziene aangifte IB/PVV 2016 ingediend. Eiser heeft in deze herziene aangifte de eerder gemaakte onderlinge verdeling van de grondslag sparen en beleggen gewijzigd. Verweerder heeft de herziene aangifte in behandeling genomen als bezwaarschrift.

4. Met dagtekening 4 juni 2018 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Dit is tussen partijen niet in geschil.

5. Verweerder heeft de door eiser ingediende herziene aangifte in behandeling genomen als een verzoek tot ambtshalve vermindering als bedoeld in artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en dit verzoek afgewezen. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.

6. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij ten aanzien van het verzoek om ambtshalve vermindering er de voorkeur aan geeft om rechtstreeks beroep in te stellen bij de rechtbank. Verweerder heeft hiermee ingestemd.

Geschil

7. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen.

8. Eiser heeft betoogd dat hij niet heeft overzien dat de in de eerste aangifte gemaakte keuzes zouden leiden tot de betaling van een hoger bedrag aan inkomstenbelasting dan verschuldigd zou zijn bij een andere keuze. Hij stelt dat hij hierdoor € 1.117 teveel aan belasting heeft betaald.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ambtshalve vermindering van de aanslag niet mogelijk is omdat de keuze om de grondslag sparen en beleggen anders te verdelen moet worden gemaakt voordat de aanslagen onherroepelijk vaststaan.

Beoordeling van het geschil

10. Verweerder is op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 bevoegd om een belastingaanslag ambtshave te verminderen. Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking.

10. Artikel 2.17, vierde lid van de Wet IB 2001 bepaalt, voorzover van belang, dat de voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen tot stand gekomen onderlinge verhouding door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk kan worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag van de belastingplichtige en zijn partner onherroepelijk vaststaan.

10. Anders dan door de rechtbank is overwogen in de uitspraak van 25 januari 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:268) is de rechtbank van oordeel dat verweerder het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag terecht heeft afgewezen. Uit artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB volgt immers dat de keuze om de grondslag sparen en beleggen anders te verdelen gemaakt moet worden voordat de aanslag onherroepelijk vaststaat. Partijen zijn het erover eens dat te laat bezwaar is gemaakt, hetgeen betekent dat de aanslagen van eiser en van zijn echtgenote onherroepelijk zijn komen vast te staan en dus in rechte onaantastbaar zijn geworden. Wijziging van de grondslag is dan – ook in de sfeer van een ambtshalve vermindering – niet meer mogelijk (in gelijke zin: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,
13 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6527).

10. De mogelijkheid dat een aanslag door verweerder zoals op grond artikel 9.6 van de Wet IB ambtshalve kan worden verminderd, betekent dan ook niet dat een aanslag – zoals in het onderhavige geval na het verlopen van de bezwaartermijn – nog niet onherroepelijk vast staat in de zin van artikel 2.17 van de Wet IB. Artikel 9.6 van de Wet IB biedt immers geen bezwaar- en beroepsmogelijkheid tegen een opgelegde aanslag. Deze mogelijkheid heeft eiser al gehad op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 9.6 van de Wet IB biedt slechts een aparte rechtsingang tegen de beschikking ambtshalve vermindering en leidt bij toekenning daarvan ook niet tot een nieuwe aanslag maar tot een verminderingsbeschikking.

14. De stellingen van eiser dat in het aangifteprogramma van de Belastingdienst niet wordt aangegeven welke verdeling het meest gunstigst is, leidt niet tot een ander oordeel. Omdat de fiscaal meest gunstige verdeling van geval tot geval verschilt is de eigen verantwoordelijkheid van eiser dit te berekenen. De omstandigheid dat dit in het aangifteprogramma van de Belastingdienst alleen kan door telkens opnieuw een andere verdeling in te voeren doet hieraan niet af.

15. Voor zover eiser met zijn betoog heeft bedoeld dat de fiscale wetgeving in zijn geval onredelijk uitwerkt, merkt de rechtbank van op dat de redelijkheid van de wetgeving niet aan de belastingrechter ter beoordeling staat. Een verzoek om van de wet af te wijken omdat sprake is van een zogenoemde onbillijkheid van overwegende aard kan alleen met een beroep op de hardheidsclausule worden ingediend bij de Minister van Financiën (artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).

16. Eiser heeft in zijn brief van 16 mei 2019 er op gewezen dat verweerder pas ruim na de door de rechtbank (in het heropeningsbesluit) aangegeven datum heeft gereageerd. Hij meent dat dat de kern van het probleem is, aangezien zijn zaak eveneens handelt over het overschrijden van een termijn. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de vergelijking die eiser maakt, is de wettelijke termijn die eiser heeft overschreden niet te vergelijken met de procedurele termijn die de rechtbank aan verweerder heeft gesteld.

16. Het voorgaande betekent dat verweerder op goede gronden het verzoek om ambtshalve vermindering heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. B.J. Zippelius, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. van Schelven, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.