Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3949

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
05/800072-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 38-jarige man uit Ede heeft in augustus en september 2018 in Ede meerdere branden gesticht. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ook rekening met 6 door verdachte bekende branden, die bij de zaak gevoegd zijn. In totaal gaat het om 10 branden.

De officier van justitie heeft geëist dat de man wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Brandstichtingen zorgen voor veel maatschappelijke onrust, de branden hebben ook schade veroorzaakt en namen in gevaarzetting toe. Tegelijkertijd zijn de branden beperkt gebleven in omvang; meerdere branden zijn gesticht in afvalzakken en (bouw-)afvalcontainers. De branden zijn in een korte periode gepleegd, waarin de man ernstig ontregeld is geraakt. De man heeft een blanco strafblad. Uit psychiatrisch en psychologisch onderzoek blijkt dat de man zwakbegaafd is en de branden heeft gesticht uit onmacht, ter ontlading van opgebouwde spanning. De man is daarom verminderd toerekeningsvatbaar. De kans op herhaling is laag tot matig. De rechtbank acht het niet passend om de man terug naar de gevangenis te sturen. Het is volgens de deskundigen van groot belang dat de man hulp en begeleiding krijgt, op deze wijze kan de kans op herhaling verder worden verminderd. Dat belang onderschrijft de rechtbank.

De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur die hij al in voorarrest heeft gezeten, met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank legt onder meer toezicht en behandeling op als bijzondere voorwaarden. Totdat de hulp en begeleiding goed is ingericht, zal de man onder elektronisch toezicht blijven staan, door middel van een enkelband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/800072-18

Datum uitspraak : 29 augustus 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] ,

raadsvrouw: mr. M. Krabben-Tmim, advocaat te Rhenen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 15 augustus 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 augustus 2018 te Ede opzettelijk brand heeft gesticht in een (bouwafval)container door open vuur in aanraking te brengen met een aanmaakblokje, althans met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan (de inhoud van) een (bouwafval)container (geplaatst aan de Leeuweriklaan) geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor (de inhoud van) die (bouwafval)container en/of

de zich in de nabije omgeving bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 13 augustus 2018 te Ede opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een stuk stof en/of een brandversneller, althans met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan een stuk berm/gras (gelegen aan de Telefoonweg) geheel of

gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de/het berm/gras en/of de zich in de nabije omgeving bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Ede opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met enig voorwerp, althans met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan een of meerdere zakken vuilnis (gelegen in een (ondergrondse) (vuil)container) en/of een (ondergrondse) (vuil)container (gelegen aan de Ketelstraat) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een of meerdere zakken vuilnis en/of een (ondergrondse) (vuil)container en/of de zich in de nabije omgeving bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

4.

hij op of omstreeks 2 september 2018 te Ede opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met enig voorwerp, althans met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan een of meerdere zakken vuilnis (gelegen in een (ondergrondse) (vuil)container) en/of een (ondergrondse) (vuil)container (gelegen aan de Wielewaallaan) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een of meerdere zakken vuilnis en/of een (ondergrondse) (vuil)container en/of de zich in de nabije omgeving bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

5.

hij op of omstreeks 7 augustus 2018 te Ede opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met enig voorwerp, althans met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan een stuk berm/gras (gelegen aan de Kastelenlaan) geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de/het berm/gras en/of de zich in de nabije omgeving bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Zij heeft aangevoerd dat verdachte zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris heeft bekend deze brand te hebben gesticht. Deze verklaringen kunnen voor het bewijs worden gebruikt volgens de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [naam 1] heeft verklaard dat er op vrijdag 31 augustus 2018 omstreeks 01.51 uur door iemand brand is gesticht in de container ter hoogte van de Leeuweriklaan nummer 7 te Ede. De container zat vol met bouwafval en is door de brand beschadigd.2

Getuige [naam 2] heeft verklaard dat zij een brandje zag in de rode container gevuld met bouwresten.3

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de brand bij de Leeuweriklaan heeft aangestoken met behulp van een aanmaakblokje. Het was een ijzeren container met bouwafval. Hij heeft gekozen voor een ijzeren container omdat hij zo zeker wist dat het vuur niet over kon slaan.4 Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij de brand bij de Leeuweriklaan heeft gesticht.5

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren dat hij de brand heeft gesticht in de container. Hij heeft verklaard dat hij mogelijk in paniek sommige feiten heeft bekend bij de politie.

De rechtbank constateert dat verdachte zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij deze brand heeft gesticht, terwijl verdachte tijdens deze verhoren andere feiten heeft ontkend. Bij de politie heeft verdachte ook verklaard hoe hij de brand heeft gesticht, met een aanmaakblokje, en zelfs aangegeven waarom hij in de container brand heeft gesticht, namelijk omdat hij dacht dat de brand in de ijzeren container niet over zou slaan.

Gelet op het feit dat hij op verschillende momenten, namelijk bij de politie en bij de rechter-commissaris, gedetailleerd heeft verklaard over deze brandstichting, is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat verdachte in paniek en daarom ten onrechte deze brandstichting heeft bekend. De rechtbank acht de verklaringen van verdachte bij de politie en de rechter-commissaris betrouwbaar en zal deze gebruiken voor het bewijs.

Op grond van de genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat er gevaar voor goederen te duchten was, nu de container door de brand is beschadigd en er goederen in de container zaten.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Zij heeft aangevoerd dat verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van het blikje op de plaats van de brand, terwijl met dit blikje de brand is aangestoken en er een DNA-match is.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Verbalisant [naam 3] zag op 13 augustus 2018 aan de Telefoonweg 194 een brand aan de rechterzijde van het pand van de Kwantum, tussen de spoorbaan Ede - Wageningen en de erfafscheiding behorende bij het perceel van de Kwantum. Hij rook een sterke benzinelucht en zag 1,5 meter van de brandhaard een Coca-Cola blikje in het gras liggen waaruit een witte papieren doek stak. Het blikje is veiliggesteld, [nummer 1] .6

Verbalisanten hebben onderzoek ingesteld naar deze op 13 augustus 2018 omstreeks 01.15 uur gestichte brand.7 Zij zagen dat de bodem, onder de coniferen, over een oppervlakte van circa één meter door brand zwart was gekleurd. Zij zagen op de bodem diverse verbrande resten blad en gedroogd gras. Zij zagen tevens op het verbrande gedeelte drie blikjes liggen waarvan in één blikje een doek was gestopt. Zij zagen dat deze blikjes, en het doek, door vuur waren aangetast.8

Het blikje met papieren doek ( [nummer 1] )9 is bij de drinkopening bemonsterd ( [nummer 2] ).10 Uit onderzoek blijkt dat het DNA profiel van het monster [nummer 2] matcht met het DNA-profiel van verdachte en dat de matchkans kleiner is dan 1 op 1 miljard.11

Verdachte heeft verklaard dat hij toevallig langs de brand kwam toen deze al was geblust.12 Hij heeft ontkend dat hij de brand heeft gesticht.

De rechtbank stelt vast dat het NFI heeft geconcludeerd dat het DNA-profiel dat op het blikje is aangetroffen matcht met het DNA-profiel van verdachte. Verbalisant [naam 3] heeft een sterke benzinelucht geroken en uit het blikje stak een papieren doek. Het doek en de blikjes waren aangetast door vuur. Verdachte heeft verklaard dat hij in de buurt was kort nadat er brand was geweest. Dit verklaart echter niet hoe het kan dat zijn DNA is aangetroffen op een blikje dat verbrand was en kennelijk is gebruikt om de brand te stichten. Dat verdachte slechts toevallig in de buurt was en de brand niet heeft gesticht acht de rechtbank daarom niet geloofwaardig.

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die, door vuur in aanraking te brengen met een stuk stof met een brandversneller (benzine), brand heeft gesticht waardoor een stuk berm gelegen aan de Telefoonweg is verbrand. Hierdoor was gevaar voor goederen te duchten en is ook daadwerkelijk schade ontstaan.

De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Er was sprake van gemeen gevaar voor goederen.

Ten aanzien van feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] , p. 72 en 73;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 78;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 augustus 2019.

Ten aanzien van feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Zij heeft aangevoerd dat verdachte is geobserveerd door de politie die nacht en er geen andere personen worden gezien. En er is brand geconstateerd op de plek waar verdachte kort uit beeld is geraakt. Deze brand past ook bij de werkwijze van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Op 2 september 2018 vanaf 05.00 uur werd verdachte te Ede geobserveerd door verbalisanten.13 Verbalisant [naam 5] volgde verdachte en raakte kort het zicht op verdachte kwijt. [naam 5] is toen teruggegaan naar de plek waar hij verdachte voor het laatst had gezien, de Spechtlaan, en is vervolgens rechtsaf geslagen de Wielewaallaan in. Daar rook hij ter hoogte van een blauwe container een brandlucht en zag hij rook uit de container komen. Hij opende de container en zag papier smeulen. Verbalisant [naam 5] heeft geen andere personen dan verdachte op straat gezien tijdens de observatie.14

Verbalisant [naam 6] zag in de container een half afgebrand groen flesje.15

Aangever [naam 7] heeft verklaard dat hij weet dat er afvalcontainers door Mens Zeist op de Wielewaallaan in Ede zijn geplaatst.16

Verdachte heeft onder meer bekend dat hij gedurende de nacht op de Ketelstraat afvalzakken in brand heeft gestoken17en op het Museumplein in een ondergrondse container brand heeft gesticht18.

De rechtbank constateert ook dat de hiervoor onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde branden gedurende de nacht zijn gesticht én dat twee van deze branden in een (afval)container hebben gewoed.

De door verbalisanten [naam 5] en [naam 6] geconstateerde brand vond ook gedurende de nacht plaats in een afvalcontainer. Dit past bij de werkwijze van verdachte, hij is er ten tijde van het ontstaan van de brand dicht in de buurt gezien en er is niemand anders op straat gezien.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Door de brandstichting was gevaar voor goederen te duchten.

Ten aanzien van feit 5


De officier van justitie en de verdediging hebben vrijspraak bepleit. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte op 7 augustus 2018 de bermbrand heeft gesticht en zal verdachte daarom hiervan vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 31 augustus 2018 te Ede opzettelijk brand heeft gesticht in een (bouwafval)container door open vuur in aanraking te brengen met een aanmaakblokje, althans met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan (de inhoud van) een (bouwafval)container (geplaatst aan de Leeuweriklaan) geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor (de inhoud van) die (bouwafval)container en/of

de zich in de nabije omgeving bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 13 augustus 2018 te Ede opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een stuk stof en/of een brandversneller, althans met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan een stuk berm/gras (gelegen aan de Telefoonweg) geheel of

gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de/het berm/gras en/of de zich in de nabije omgeving bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Ede opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met enig voorwerp, althans met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan een of meerdere zakken vuilnis (gelegen in een (ondergrondse) (vuil)container) en/of een (ondergrondse) (vuil)container (gelegen aan de Ketelstraat) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een of meerdere zakken vuilnis en/of een (ondergrondse) (vuil)container en/of de zich in de nabije omgeving bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

4.

hij op of omstreeks 2 september 2018 te Ede opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met enig voorwerp, althans met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan een of meerdere zakken vuilnis (gelegen in een (ondergrondse) (vuil)container) en/of een (ondergrondse) (vuil)container (gelegen aan de Wielewaallaan) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een of meerdere zakken vuilnis en/of een (ondergrondse) (vuil)container en/of de zich in de nabije omgeving bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert ten aanzien van alle feiten op:

opzettelijke brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft verzocht hierbij de bijzondere voorwaarden conform het advies van de reclassering op te leggen. De officier van justitie heeft verzocht om het geschorste bevel voorlopige hechtenis niet op te heffen, zodat het reclasseringstoezicht hangende een mogelijk hoger beroep kan doorlopen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het weliswaar ernstige feiten betreffen, maar dat de feiten verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Er is sprake van zwakbegaafdheid en verdachte heeft de branden gesticht omdat hij hoopte hulp te krijgen. De eis van de officier van justitie is volgens de raadsvrouw niet passend omdat het belangrijk is dat verdachte in zijn vertrouwde, veilige omgeving blijft. Dan kan hij zijn werk en woning behouden en dit is ook in het belang van de maatschappij. Uit de Pro Justitia rapportage blijkt dat het van groot belang is dat verdachte wordt begeleid en dat hij in een veilige omgeving blijft. Detentie zou averechts werken. Verdachte gebruikt momenteel geen amfetamine meer, maar een stok achter de deur is mogelijk beschermend.

De raadsvrouw heeft verzocht om een gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte is bereid om mee te werken aan de bijzondere voorwaarden gedurende een proeftijd van drie jaren.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 18 juni 2019;

- een vroeghulpformulier van 3RO, gedateerd 7 september 2018;

- voorlichtingsrapportages van Iriszorg, gedateerd 11 september 2018, 10 december 2018, 13 mei 2019 en 9 augustus 2019;

- een Pro Justitia rapportage van drs. [naam 8] , psycholoog, gedateerd 4 juli 2019.

Ad informandum gevoegde zaken

De rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de ad informandum gevoegde zaken. Verdachte heeft erkend deze strafbare feiten te hebben gepleegd. De officier van justitie heeft toegezegd ter zake van deze feiten geen afzonderlijke strafvervolging te zullen instellen indien dit wordt verdisconteerd in de strafoplegging. Het betreft de volgende feiten, inhoudende dat verdachte:

  • -

    op 16 augustus 2018 in de Ketelstraat te Ede brand heeft gesticht met gevaar voor goederen (zaaksdossier 4);

  • -

    op 23 augustus 2018 in de Telefoonweg te Ede brand heeft gesticht met gevaar voor goederen (zaaksdossier 5);

  • -

    op 26 augustus 2018 op het Museumplein te Ede brand heeft gesticht met gevaar voor goederen (zaaksdossier 6);

  • -

    op 3 september 2018 in de Wielewaallaan te Ede brand heeft gesticht met gevaar voor goederen (zaaksdossier 9);

  • -

    op 4 september 2018 aan de Ganzeweide te Ede brand heeft gesticht met gevaar voor goederen (zaaksdossier 10);

  • -

    op 5 september 2018 aan de Ganzeweide te Ede brand heeft gesticht met gevaar voor goederen (zaaksdossier 11).

Strafmaatoverweging

Verdachte heeft in een periode van een maand tien branden gesticht. Die zijn weliswaar beperkt gebleven in omvang, maar namen toe in gevaarzetting. Zo heeft verdachte een berm in brand gestoken, terwijl het een zeer droge periode betrof. Die brand had zich gemakkelijk kunnen uitbreiden, met alle gevolgen van dien. Kort voordat verdachte werd aangehouden heeft hij geprobeerd een schaftkeet in brand te steken door materiaal te verbranden dat tegen en onder deze schaftkeet stond. In deze schaftkeet stond een gastank. Dit had een ontploffing kunnen veroorzaken.

De nachtelijke brandstichtingen hebben in Ede voor veel maatschappelijke onrust gezorgd en moeten ook gevoelens van onveiligheid hebben veroorzaakt. Bovendien heeft verdachte schade veroorzaakt aan goederen, moest de brandweer regelmatig uitrukken en heeft de politie veel inspanningen moeten verrichten om de dader op te sporen. Hierdoor hebben de brandstichtingen de maatschappij veel geld gekost.

Uit de Pro Justitia rapportage blijkt dat sprake is van een gebrekkelijke ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid. Verdachte lijkt weinig zicht op zijn eigen functioneren te hebben en kan slecht uitleggen wat de oorzaak was van zijn neiging tot brandstichting. Uitgaande van hoe hij beschrijft zich te hebben gevoeld en hoe weinig in- en overzicht in meer gecompliceerde situaties hij kent, kan worden aangenomen dat sprake was van onmachtgevoelens bij gebrek aan begrip en ondersteuning. In de hem ten laste gelegde feiten, lijkt genoemde onmacht uitgeageerd ter ontlading van de opgebouwde spanning. Geadviseerd wordt hem de hem ten laste gelegde feiten slechts in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag tot matig.

De psycholoog heeft ook gerapporteerd dat er beschermende factoren zijn. Namelijk de hechte band met het gezin van herkomst van verdachte en zijn werk, waar hij beschermd en gesteund wordt. Ook is verdachte gemotiveerd voor het accepteren van hulp en toezicht en heeft hij zelfstandige woonruimte. Verder heeft hij voor het eerst duidelijk gemaakt dat hij overvraagd wordt en is zijn moeder nu hiervan op de hoogte. Het is volgens de psycholoog van groot belang dat zicht komt op de noodzaak tot praktische begeleiding, in de vorm van budgetbeheer en administratieve ondersteuning, maar ook bij de verzorging van zichzelf en zijn omgeving. Verder is aandacht voor het gebruik van amfetamine van belang. De psycholoog adviseert de begeleiding en behandeling te organiseren in de vorm van bijzondere voorwaarden.

De rechtbank neemt de voorgaande conclusies en adviezen van de deskundigen over.

De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat hij in een korte periode ernstig ontregeld lijkt te zijn geraakt. Verder houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat elektronisch toezicht in de vorm van een enkelband een zware belasting is en ook vrijheidsbeperkend is. Verdachte heeft al enige tijd elektronisch toezicht gehad en zal ook gedurende de opbouw van de begeleiding en behandeling nog onder elektronische controle moeten blijven staan.

De psycholoog geeft duidelijk aan dat het werk van verdachte, zijn moeder en de eigen woning, een beschermende omgeving vormen die het recidivegevaar beperkt. Voor de rechtbank is duidelijk geworden dat verdachte zijn leven weer in positieve zin richting heeft weten te geven. De rechtbank is daarom van oordeel dat het, ondanks dat de ernst van de feiten op zichzelf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigt, niet opportuun is om verdachte opnieuw zijn vrijheid te benemen. Wel acht de rechtbank een forse stok achter de deur noodzakelijk. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 15 maanden, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank zal daarbij een proeftijd voor de duur van drie jaren opleggen met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De rechtbank zal daarnaast een harddrugsverbod opleggen, welk verbod gecontroleerd kan worden middels urinecontroles. De rechtbank acht dit van belang gezien het amfetaminegebruik van verdachte. Verdachte heeft dit gebruik inmiddels weliswaar gestaakt, maar in de periode dat de brandstichtingen zijn gepleegd was daarvan wel nog sprake.

Verder acht de rechtbank het evenals de officier van justitie van belang dat het lopende toezicht kan worden voortgezet. De rechtbank zal daarom het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis niet opheffen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 5 ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 510 (vijfhonderdentien) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 429 (vierhonderdnegenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- medewerking zal verlenen aan het door Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Iriszorg [adres 1] , telefoonnummer [telefoonnummer] ) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht en zich aan de opdrachten en aanwijzingen van de reclassering zal houden. Het meewerken aan huisbezoeken is een onderdeel van de meldplicht en veroordeelde dient mee te werken aan de methode Stap voor stap;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Iriszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, en zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en het meewerken aan (urine)controles kan onderdeel zijn van de behandeling;

- gedurende de proeftijd in de avond en nachtelijke uren aanwezig zal zijn op zijn woon/verblijfadres. Daarbij heeft hij op doordeweekse dagen een aaneengesloten blok van 14 uur ter invulling van onder andere zijn dagbesteding. In de weekenden heeft veroordeelde 8 uur per dag vrij te besteden. Wanneer veroordeelde op doordeweekse dagen geen dagbesteding heeft, heeft hij 8 uur vrij te besteden. De precieze tijdstippen worden vooraf vastgesteld door de reclassering, in overleg met veroordeelde en zijn afhankelijk van de dagbesteding. Het locatiegebod wordt gecontroleerd met een elektronisch controlemiddel. Het huidige verblijfadres is [adres 2] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Dit locatiegebod geldt tot de behandeling en begeleiding goed zijn opgestart, te beoordelen door de reclassering;

- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van harddrugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Vogel (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. C.A.H. Pouwels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Langstraat, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 augustus 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 9] van de politie Oost- Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019140723, gesloten op 2 april 2019, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] , p. 192.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 2] , p. 197.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 612.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte in het kader van de vordering tot inbewaringstelling,
7 september 2018.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 89.

7 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 97.

8 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 98.

9 Het proces-verbaal biologisch en dactyloscopisch onderzoek, p. 106.

10 Het proces-verbaal biologisch en dactyloscopisch onderzoek, p. 107.

11 NFI rapport DNA onderzoek, p. 109.

12 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 augustus 2019.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 209

14 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 210

15 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 222.

16 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 7] , p. 206.

17 Het proces-verbaal van verdachte, p. 609.

18 Het proces-verbaal van verdachte, p. 610.