Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3947

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
09-09-2019
Zaaknummer
AWB 18/3947 en 18/5849
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Blokkering, intrekking, beëindiging en terugvordering bijstand. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 18/3947 en 18/5849

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2019

in de zaken tussen

[naam A] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Metin),

en

het college van burgemeeester en wethouders van de gemeente Duiven te Zevenaar, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de uitbetaling van de bijstand van eiseres met ingang van 1 februari 2018 geblokkeerd.

Bij besluit van 6 maart 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de bijstand van eiseres met ingang van 9 februari 2018 ingetrokken en met ingang van 6 maart 2018 beëindigd.

Bij besluit van 1 mei 2018 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de bijstand van eiseres over de periode van 12 oktober 2016 tot en met 8 februari 2018 ingetrokken en over die periode een bedrag van € 19.031,98 bruto aan verstrekte bijstand teruggevorderd.

Bij besluit van 12 juni 2018 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 september 2018 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 3 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 18/3947. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is geregistreerd onder zaaknummer 18/5849.

Verweerder heeft in beide beroepszaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2019. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door R.A. Veldkamp en R. van Vuure.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres ontving vanaf 3 oktober 2013 bijstand naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Zij stond vanaf 30 augustus 2013 in de Basisregistratie personen ingeschreven op het [adres] te [woonplaats] . Naar aanleiding van informatie van een door een klantmanager van verweerder ingeschakelde hulpverlener van RIBW, inhoudend dat eiseres niet reageerde op zijn mails, zij niet thuis is aangetroffen en haar buurman heeft verklaard dat zij vanaf mei 2016 niet meer aanwezig was, heeft de afdeling Regionale Sociale Dienst De Liemers (RSD) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek zijn onder meer bankafschriften van de betaalrekening van eiseres en gegevens van waterbedrijf Vitens en energiebedrijf Nuon, opgevraagd, zijn er in de perioden van 12 oktober 2016 tot en met 23 mei 2017 en 31 oktober 2017 tot en met 9 februari 2018 waarnemingen bij de woning op voormeld adres verricht, alsmede bij een woning te Arnhem, en heeft op 9 februari 2018 met eiseres een gesprek plaatsgehad op het kantoor van de RSD. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 april 2018. Lopende het onderzoek heeft verweerder het primaire besluit 1 genomen, gevolgd door de overige besluiten zoals hiervoor vermeld onder het procesverloop.

2.1.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit 1, gelet op hetgeen het door de RSD verrichte onderzoek tot dusver had opgeleverd, het gegronde vermoeden bestond dat eiseres niet meer haar hoofdverblijf had in verweerders gemeente en derhalve geen recht op bijstand had jegens verweerder, zodat aanleiding bestond om de uitbetaling van de bijstand te blokkeren. Verweerder heeft verder aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat het gerechtvaardigd was om onmiddellijk en aansluitend aan het gesprek op 9 februari 2018 een huisbezoek af te leggen, en dat eiseres heeft geweigerd om daaraan mee te werken. Hierdoor kon het recht van eiseres op bijstand niet langer worden vastgesteld, zodat de bijstand terecht met ingang van 1 februari 2018 is geblokkeerd, met ingang van 9 februari 2018 is ingetrokken en met ingang van 6 maart 2018 is beëindigd.

2.2.

Aan het bestreden besluit 2 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres, gelet op onder meer de verkregen verbruikgegevens van water en elektriciteit, de verrichte waarnemingen en haar pingedrag, haar hoofdverblijf in de periode van 12 oktober 2016 tot en met 8 februari 2018 niet in verweerders gemeente heeft gehad.

3.1.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 1 aangevoerd dat zij wel degelijk haar hoofdverblijf heeft op het [adres] te [woonplaats] en dat haar, gelet op haar persoonlijke omstandigheden, geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij haar medewerking aan het afleggen van een huisbezoek heeft geweigerd. Volgens eiseres heeft zij door haar verleden moeite om mensen te vertrouwen. Nu verweerder daarmee bekend was, had verweerder volgens eiseres een andere handelwijze moeten toepassen. Volgens eiseres was er ook geen grond voor blokkering van haar bijstand.

3.2.

Tegen het bestreden besluit 2 heeft zij, kort samengevat, aangevoerd dat de resultaten van het door de RSD verrichte onderzoek onvoldoende grondslag bieden voor intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 12 oktober 2016 tot en met 8 februari 2018. Volgens eiseres wordt haar lage water- en energieverbruik verklaard doordat zij zeer zuinig leeft en door vermoeidheid veel in bed ligt. Eiseres heeft verder aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering van de bijstand af te zien.

4. Verweerder heeft verzocht om de beroepen ongegrond te verklaren.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

De blokkering

5.1.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) hangt het antwoord op de vraag of het blokkeren van de uitbetaling van de bijstand de rechterlijke toetsing kan doorstaan, in het algemeen af van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans het gegronde vermoeden kan hebben, dat het recht op bijstand niet meer bestaat, dat slechts recht op een lagere uitkering bestaat, of dat de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.1 Op grond van de bevindingen van het onderzoek kon verweerder het gegronde vermoeden hebben dat eiseres haar hoofdverblijf niet had op haar uitkeringsadres en derhalve haar inlichtingenverplichting niet was nagekomen. Daarbij is van belang dat de auto van eiseres tijdens de 126 waarnemingen die in de periode van 12 oktober 2016 tot en met 23 mei 2017 zijn verricht slechts 8 maal bij haar woning is aangetroffen. Tijdens de waarnemingen die in de periode van 31 oktober 2017 tot en met 9 februari 2018 zijn verricht is de auto van eiseres slechts 3 van de 45 maal bij haar woning aangetroffen. Tevens is van belang dat uit de door de RSD op 6 juni 2017 ontvangen gegevens van Vitens is gebleken dat het waterverbruik op het adres van eiseres over de periode van 30 augustus 2013 tot 30 maart 2017 (43 maanden) 28 m³ bedroeg. Dit waterverbruik is, gelet op de informatie van het Nibud dat bij een eenpersoonshuishouden een waterverbruik van 164,8 m³ in een periode van 43 maanden gebruikelijk is, als extreem laag aan te merken. Daarnaast was ook het verbruik van elektriciteit, gelet op de van Nuon bij brief van 1 juni 2017 verkregen gegevens, over de periode van 26 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2016 (24 maanden) zeer laag. In de woning op het uitkeringsadres is in die periode 575 kWh elektriciteit verbruikt, waar 3740 kWh over een periode van 24 maanden gebruikelijk is voor een eenpersoonshuishouden. Aangezien de betrokken wijk voorzien is van stadsverwarming, bevatten de gedingstukken geen gegevens over gasverbruik. Voorts is van belang dat uit de bankafschriften van de betaalrekening van eiseres over de periode 3 oktober 2013 tot en met 28 juni 2016 blijkt dat veel pinopnames nabij de [woonwijk A] in [plaats] zijn verricht en dat vanaf 22 oktober 2014 geen pintransactie meer binnen de gemeente Duiven hebben plaatsgehad. In de periode daarvóór hebben slechts enkele pintransacties in de gemeente Duiven plaatsgehad. Uit de door eiseres bij aanvang van het gesprek op 9 februari 2018 aangeleverde bankafschriften over de periode van 1 november 2017 tot en met 7 februari 2018 blijkt dat geen pintransacties binnen de gemeente Duiven hebben plaatsgehad. Op grond hiervan kon verweerder het gegronde vermoeden hebben dat eiseres niet woonachtig was op haar uitkeringsadres en dat zij haar informatieplicht heeft geschonden door dit niet te melden. Verweerder is dan ook op goede gronden tot blokkering van de uitbetaling van de bijstand overgegaan.

De intrekking per 9 februari 2018 en beëindiging

5.2.

Aangezien de weigering van eiseres om mee te werken aan een aansluitend op het gesprek van 9 februari 2018 af te leggen huisbezoek, door verweerder in het primaire besluit 2 ten grondslag is gelegd aan het besluit haar recht op uitkering per deze datum in te trekken en vervolgens te beëindigen, zal de rechtbank deze grondslag op deze plaats bespreken.

5.3.

Indien de belanghebbende de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de PW, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

5.4.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát, en op grond van welke concrete en objectieve feiten en omstandigheden, redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.2

5.5.

In dit geval bestond een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. De hiervoor aangehaalde gegevens over het water- en energieverbruik, de verrichte waarnemingen en het pingedrag van eiseres bieden voldoende grondslag voor de bij verweerder ontstane twijfel aan de juistheid of volledigheid van de door eiseres opgegeven woonsituatie. De woonsituatie van eiseres kon ook niet op een andere effectieve en voor eiseres minder belastende wijze worden geverifieerd.

5.6.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB ligt het, indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de betrokkene opgegeven adres noodzakelijk is, in de risicosfeer van de betrokkene indien dat huisbezoek niet mogelijk is. Alleen een zwaarwegend belang dat aan onmiddellijke uitvoering van een huisbezoek in de weg staat, kan een rechtvaardigingsgrond zijn voor het niet verlenen van de verlangde medewerking.3 De door eiseres gestelde persoonlijke omstandigheden zijn niet van zodanig gewicht dat daarvoor het belang van verweerder om onmiddellijk de door eiseres opgegeven woonsituatie te verifiëren zou moeten wijken, gelet op de mogelijkheden om in de woonsituatie wijziging aan te brengen wanneer het huisbezoek op een latere datum zou plaatsvinden. De stelling van eiseres dat zij aan een psychische stoornis lijdt is niet met medische stukken onderbouwd.

5.7.

Eiseres is blijkens het rapport van 5 april 2018 gewezen op de consequenties van het niet meewerken aan een onmiddellijk, in aansluiting op het gesprek van 9 februari 2018, af te leggen huisbezoek. Eiseres heeft daarbij de gelegenheid gekregen haar beslissing om geen medewerking te verlenen te herzien, maar heeft blijkens het rapport in haar weigering volhard. Daarmee heeft zij de op haar rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting geschonden met als gevolg dat verweerder het recht op bijstand van eiseres met ingang van 9 februari 2018 niet langer kon vaststellen. Mede in het licht van het gegronde vermoeden dat eiseres niet haar hoofdverblijf had op haar uitkeringsadres, heeft verweerder de bijstand van eiseres dan ook terecht met ingang van 6 maart 2018 beëindigd en met toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW met ingang van 9 februari 2018 ingetrokken. Eiseres wordt niet gevolgd in haar stelling dat het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag. De vermelding van artikel 53, derde lid, van de PW betreft een kennelijke verschrijving.

De intrekking en terugvordering over de periode van 12 oktober 2016 tot en met 8 februari 2018

5.8.

Ten aanzien van de periode van 12 oktober 2016 tot en met 8 februari 2018 overweegt de rechtbank dat uit de gegevens die verweerder op 4 april 2018 van Vitens heeft ontvangen, is gebleken dat het waterverbruik in de woning van eiseres over de periode van 19 april 2016 tot 19 maart 2018 14 m³ bedroeg. Dit waterverbruik is, gelet op de informatie van het Nibud dat bij een eenpersoonshuishouden een waterverbruik van 88,1 m³ over eenzelfde periode gebruikelijk is, als extreem laag aan te merken. Daarnaast was ook het verbruik van elektriciteit, gelet op de van Nuon bij brief van 30 maart 2018 verkregen gegevens, over de periode van 26 augustus 2016 tot en met 26 augustus 2017 (12 maanden) zeer laag. In de woning op het uitkeringsadres is in die periode 434 kWh elektriciteit verbruikt, waar een verbruik van 1870 kWh per jaar gebruikelijk is voor een eenpersoonshuishouden. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit lage verbruik niet worden verklaard door een zuinige levensstijl en veel op bed liggen. Dit verbruik in onderlinge samenhang bezien met de reeds hiervoor onder 5.1 vermelde waarnemingen en het pingedrag van eiseres bieden voldoende grondslag voor het oordeel dat eiseres in de periode van 12 oktober 2016 tot en met 8 februari 2018 niet woonde op het uitkeringsadres.

5.9.

Eiseres heeft haar inlichtingenplicht geschonden door niet aan verweerder mee te delen dat zij niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Gelet hierop heeft verweerder de bijstand van eiseres terecht met toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW over de periode van 12 oktober 2016 tot en met 8 februari 2018 ingetrokken en de teveel betaalde kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de PW teruggevorderd.

5.10.

Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Het is aan eiseres om het bestaan van de gestelde dringende redenen aannemelijk te maken. Eiseres is daarin niet geslaagd. Hierbij is van belang dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft eiseres als schuldenaar bescherming, of kan zij die bescherming zo nodig inroepen van de regels over de beslagvrije voet.

5.11

De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.W.A. Fleuren, voorzitter, mr. S.W. van Osch - Leysma en mr. S.S. van Nijen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Lankamp, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 september 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9288.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7234.