Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3856

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
29-08-2019
Zaaknummer
19/497 + 19/498
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:7022, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Toewijzing van de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van de opgeëiste persoon voor de duur van 30 dagen;

een afwijzing van het verzoek om de schorsing van de uitleveringsdetentie;

op grond van de Uitleveringswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK gelderland

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Rechtbanknummer : 19/497 + 19/498

Lurisnummer : UTL-I-2016011306

Zittingsdatum : 12 juli 2019

BESLISSING van de rechtbank Gelderland, meervoudige raadkamer voor strafzaken, zittinghoudende te Arnhem, in de zaak van:

naam : [opgeëiste persoon], hierna te noemen: opgeëiste persoon,

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in PI Zwolle.

PROCEDURE

Ter zitting zijn gehoord de raadsman mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. G. Nijpels. De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen.

De meervoudige raadkamer heeft kennisgenomen van de stukken in deze zaak alsmede van de op 28 juni 2019 door de officier van justitie gedane vordering tot verlenging van de gevangenhouding met 30 dagen en het verzoek van de raadsman van 28 juni 2019 tot schorsing van de uitleveringsdetentie.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de gevangenhouding met 30 dagen.

De verdediging heeft verzocht de uitleveringsdetentie, hangende de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, te schorsen onder dezelfde voorwaarden als gesteld bij beschikking van 26 januari 2018 van de rechtbank Gelderland. Dit verzoek om een voorlopige voorziening zal op 28 augustus a.s. door de civiele voorzieningenrechter te Den Haag worden behandeld en strekt ertoe de uitlevering onrechtmatig te verklaren.

De officier van justitie verzet zich niet tegen schorsing van de uitleveringsdetentie tot aan de uitspraak van de rechter in het kort geding tegen de beschikking van de minister van Justitie en Veiligheid waarin de uitlevering is toegestaan.

BEOORDELING

Op 26 januari 2018 is door de meervoudige raadkamer van deze rechtbank de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon geschorst. Op16 februari 2018 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen voor de duur van 30 dagen en gelijktijdig de gevangenhouding geschorst. De uitlevering naar Turkije is op 2 maart 2018 door de rechtbank toelaatbaar verklaard. Het door de opgeëiste persoon ingestelde beroep in cassatie is op 6 november 2018 door de Hoge Raad verworpen.

Vordering verlenging gevangenhouding

Bij beschikking van 5 juni 2019 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid de verzochte uitlevering toegestaan. Op 27 juni 2019 is de opgeëiste persoon aangehouden. De verdediging heeft op 28 juni 2019 bij de civiele rechter een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de uitlevering onrechtmatig te verklaren. Ingevolge artikel 38, derde lid, onder d van de Uitleveringswet kan de verlenging van de gevangenhouding worden uitgesproken in gevallen waarin de uitlevering inmiddels wel is toegestaan, maar nog niet heeft kunnen plaatsvinden.

De raadkamer zal gelet op het voorgaande, nu de verdediging op dit punt ook geen verweer heeft gevoerd, de gevangenhouding verlengen met de duur van 30 dagen.

Schorsing uitleveringsdetentie

De raadkamer is, anders dan de verdediging en de officier van justitie, van oordeel dat gelet op artikel 56, eerste lid, van de Uitleveringswet het niet mogelijk is om de uitleveringsdetentie voorwaardelijk op te schorten of te schorsen, omdat de officier van justitie overeenkomstig artikel 36 van de Uitleveringswet in kennis is gesteld van de beslissing van de minister de uitlevering toe te staan.

Uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel volgt dat het doel van artikel 56 van de Uitleveringswet is om te voorkomen dat een niet-gedetineerde opgeëiste persoon zich aan feitelijke uitlevering kan onttrekken en daarmee de effectuering van de beslissing van de Minister van Justitie en Veiligheid kan frustreren. Het gerechtshof Amsterdam komt tot een zelfde uitleg van (artikel 56 van) de Uitleveringswet. De raadkamer verwijst in het bijzonder naar de uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2006 (ECLI:NL: GHAMS: 2006/AV6832) en 11 februari 2015 (ECLI: NL: GHAMS: 2015/5739), waarin het hof bepaalt: “Uit de wet en de zojuist aangehaalde Memorie van Toelichting blijkt dat een schorsing van rechtswege eindigt nadat de officier van justitie in kennis is gesteld van zijn beslissing tot uitlevering. Dit impliceert naar het oordeel van het hof dat uitdrukkelijk bedoeld is dat na dit moment schorsing niet meer tot de mogelijkheden behoort”.

De omstandigheid dat door de opgeëiste persoon inmiddels een geding bij de civiele voorzieningenrechter aanhangig is gemaakt, leidt overigens niet tot een ander oordeel, omdat een dergelijke procedure niet tot gevolg heeft dat de beslissing tot uitlevering van rechtswege wordt opgeschort, zodat ook in een dergelijk geval die beslissing aanstonds ten uitvoer kan worden gelegd.

De raadkamer neemt bij na te melden beslissing de toepasselijke wetsartikelen in aanmerking.

BESLISSING

De raadkamer:

Wijst toe de vordering van de officier van justitie;

Verlengt de termijn van het bevel tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon voor een termijn van 30 (dertig) dagen;

Wijst af het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie.

Deze beslissing is aldus gegeven door mr. H.C. Leemreize, als voorzitter, mr. Y.H.M. Marijs en mr. C.A.H. Pouwels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Rokette, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.

mr. C.A.H. Pouwels is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.