Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3743

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6123
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW. Verzoek om schadevergoeding. Speurhondengeleider heeft door ongeval met speurhond een dubbele neusfractuur opgelopen en daardoor schade geleden. Bestuursorgaan is als bedrijfsmatig bezitter van de speurhond aansprakelijk op grond van artikel 69, eerste lid, van het ARAR waarbij aansluiting is gezocht bij de artikelen 6:179 en 6:181, eerste lid, van het BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1094
JHSE 2019/0
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/6123

uitspraak van de meervoudige kamer op het verzoek om schadevergoeding

in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft verweerder bij brief van 29 juni 2017 verzocht om schadevergoeding in verband met het haar op 15 februari 2016 overkomen ongeval.

Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Verzoekster heeft de rechtbank bij brief van 13 november 2017 verzocht om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, werkzaam bij [Bedrijf A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. S. Verberne en A.M. van Empel, instructeur speurhondengeleider.

De rechtbank heeft het onderzoek op 23 april 2018 heropend en bepaald dat verzoekster binnen acht weken na verzending van de heropeningsbeslissing haar verzoek om schadevergoeding nader specificeert en zo mogelijk aan de hand van stukken onderbouwt.

Dit heeft verzoekster bij brief van 30 juli 2018 gedaan. Verweerder heeft hierop bij brief van 19 september 2018 gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Verzoekster is werkzaam als [medewerker A] , bij de Belastingdienst Douane Schiphol Cargo. Verzoekster is op 1 oktober 2001 speurhondengeleider geworden. In oktober 2015 is speurhond [hond A] aan verzoekster toegewezen. Verzoekster moest deze speurhond van 22 maanden oud opleiden. In januari 2016 is de opleiding gestart. Op 15 februari 2016 heeft verzoekster een oefening gedaan met [hond A] . Zij begeleidde [hond A] van een grote kist naar beneden. Toen [hond A] op de grond aankwam, draaide zij zich om en sprong zij weer omhoog, vol in het gezicht van verzoekster. Hierdoor heeft verzoekster een dubbele neusfractuur opgelopen.

Op 10 maart 2016 is melding gedaan van het ongeval bij de Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW). Bij brief van 11 maart 2016 heeft de Inspectie SZW laten weten af te zien van onderzoek naar de toedracht en de oorzaken van het ongeval. De Inspectie SZW heeft vastgesteld dat het ongeval is aan te merken als een ongelukkige samenloop van omstandigheden en in redelijkheid niet door de werkgever voorkomen had kunnen worden.

Bij besluit van 9 november 2016 heeft verweerder het ongeval van verzoekster op 15 februari 2016 aangemerkt als dienstongeval in de zin van artikel 35 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Daarbij zijn de als gevolg van het ongeval door verzoekster gemaakte medische kosten ten bedrage van € 384,51 vergoed.

2. Verzoekster heeft verzocht om verweerder tot materiële en immateriële schadevergoeding te veroordelen. Verzoekster acht verweerder aansprakelijk voor de door haar geleden en te lijden schade als gevolg van het ongeval op grond van:

a. schending van de op verweerder rustende zorgplicht,

b. artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek (BW),

c. artikel 69, tweede lid, van het ARAR.

Verzoekster heeft haar leidinggevende/werkgever meermalen te kennen gegeven dat de nieuwe hond [hond A] , waarmee zij opgedragen werd te werken, veel te sterk voor haar was, te onstuimig en soms zelf onhandelbaar. Verweerder heeft geen maatregelen getroffen waardoor dit ongeval voorkomen had kunnen worden, bijvoorbeeld door haar met een andere hond te laten werken of door de hond eerst voldoende te laten gehoorzamen/africhten door de instructeur voordat verzoekster met de hond moest werken.

Verweerder is bovendien aansprakelijk, omdat [hond A] een diensthond is.

Verzoekster was verplicht om met [hond A] te werken en kon zich zodoende niet onttrekken aan de gevaarzettende situatie van werken met een hond die onberekenbaar kan zijn.

Verzoekster heeft subsidiair verzocht om verweerder op grond van artikel 69, eerste lid, van het ARAR tot schadevergoeding te veroordelen.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om schadevergoeding van verzoekster moet worden afgewezen, omdat hij zijn zorgplicht niet heeft geschonden. Verweerder wijst dan ook elke aansprakelijkheid voor het ongeval af. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. [hond A] was een geschikte speurhond en heeft zich niet abnormaal gedragen. Verweerder had het ongeluk niet kunnen voorkomen. Verweerder is verder van mening dat hij als werkgever niet op grond van artikel 6:179 van het BW aansprakelijk kan worden gesteld.

Verweerder heeft verder aangegeven dat het dienstongeval (nog) niet als beroepsincident is aangemerkt. Het verzoek van verzoekster moet worden aangemerkt als een verzoek daartoe en dit verzoek valt buiten de omvang van het geding.

Verweerder ziet ten slotte geen aanleiding om verzoekster op grond van artikel 69 van het ARAR schadeloos te stellen.

4.1.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar. De zorgplicht van het bestuursorgaan strekt niet zover dat elk denkbaar risico op voorhand moet worden uitgebannen, maar tot het treffen van alle maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs van het bestuursorgaan kunnen worden gevergd om de veiligheid van het personeel te waarborgen. Het enkele feit dat een ongeval of een ander incident heeft plaatsgevonden betekent niet dat het bestuursorgaan zijn zorgplicht heeft geschonden.1

4.3.

Vast staat dat het ongeval dat verzoekster op 15 februari 2016 is overkomen, heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden. Nu verweerder niet heeft gesteld dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid, dient verweerder aannemelijk te maken dat hij zijn zorgplicht is nagekomen.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierin is geslaagd. Daarbij zijn de stukken van de beroepszaak met het registratienummer 17/2886 van verzoekster, waarin de rechtbank op 4 september 2018 uitspraak heeft gedaan, betrokken.2 Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [hond A] een normale, geschikte speurhond was. Het ongeval is niet veroorzaakt doordat er iets mis was met [hond A] . Dat [hond A] plotseling weer omhoog sprong, is geen abnormaal gedrag voor een hond en een speurhond. Er zijn geen maatregelen - anders dan daarop bedacht te zijn - denkbaar die onverwachte bewegingen kunnen voorkomen. Een speurhondengeleider weet, althans kan redelijkerwijs geacht worden te weten, dat een speurhond een onverwachte beweging kan maken en dient daarop bedacht te zijn. Verweerder heeft het ongeval dan ook redelijkerwijs niet kunnen voorkomen. Het ongeval is te wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Van aan verweerder toe te rekenen onrechtmatig handelen of nalaten is geen sprake. Er bestaat daarom geen grond om verweerder wegens schending van de zorgplicht in de door verzoekster gestelde schade als gevolg van het ongeval te veroordelen.

4.5.

In artikel 69, tweede lid, van het ARAR, voor zover van belang, is bepaald dat de ambtenaar die een beroepsincident als bedoeld in artikel 35 heeft gehad recht heeft op volledige vergoeding van de schade die hij ten gevolge dat beroepsincident lijdt.

Onder beroepsincident moet volgens artikel 35, aanhef en onder f, van het ARAR worden verstaan een dienstongeval of een beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitoefening van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken. Uit de nota van toelichting bij het besluit van 17 november 2005, Stb. 591, waarbij deze bepaling werd ingevoerd, blijkt dat daarbij gedacht moet worden aan een bijzonder gevaarlijke, risicovolle omgeving. Als voorbeeld is genoemd de wegwerker van Rijkswaterstaat die bij zijn werk op of langs de vluchtstrook is aangereden of de penitentiair inrichtingswerker die is mishandeld door een gedetineerde. De rechtbank is van oordeel dat het ongeval van verzoekster niet heeft plaatsgevonden in een dergelijke bijzonder gevaarlijke, risicovolle omgeving. Dit betekent dat verzoekster op grond van artikel 69, tweede lid, van het ARAR geen recht op schadevergoeding heeft.

4.6.

Op grond van artikel 69, eerste lid, van het ARAR kan de Minister de ambtenaar naar billijkheid schadeloosstellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.

Volgens vaste rechtspraak verplicht dit wettelijk voorschrift op zichzelf niet tot volledige vergoeding van de geleden schade, maar ziet het uitsluitend op een bevoegdheid van de betrokken minister tot tegemoetkoming naar billijkheid. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de rechtbank de gebruikmaking van die bevoegdheid slechts terughoudend kan toetsen.3

Volgens eveneens vaste rechtspraak kan een bepaling als artikel 69 van het ARAR worden gezien als uitdrukking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen, welke verplichting is opgenomen in artikel 125ter van de Ambtenarenwet. Deze norm als zodanig geeft echter de ambtenaar geen aanspraak op vergoeding van schade die voor zijn rekening blijft indien zich niet de situaties voordoen als bedoeld onder 4.2. of indien anderszins geen sprake is van aan verweerder toe te rekenen onrechtmatig handelen of nalaten. Zou de rechter dat gevolg wel verbinden aan die norm, dan zou hij een stelsel van risicoaansprakelijkheid doen ontstaan, waarvoor in de geschiedenis van de totstandkoming van de rechtspositieregelingen geen basis is te vinden en waarvoor ook in het ongeschreven recht onvoldoende aanknopingspunten bestaan.4

Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 19 september 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE8899, is de rechtbank echter van oordeel dat in het geval van verzoekster sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerder verzoekster naar maatstaven van billijkheid de door haar als gevolg van het ongeval geleden schade dient te vergoeden. Daarbij is in aanmerking genomen dat verweerder niet op een andere grond aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [hond A] veroorzaakte schade en verweerder de bezitter van [hond A] is. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de artikelen 6:179 en 6:181, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.7.

In artikel 6:179 van het BW is bepaald dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.

In artikel 6:181, eerste lid, van het BW is voorts, voor zover hier van belang, bepaald dat indien de in de artikelen 6:179 bedoelde dieren worden gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, de aansprakelijkheid uit de artikel 179 dan rust op degene die dit bedrijf uitoefent.

4.8.

De rechtbank heeft in dit verband in aanmerking genomen dat het ongeval is veroorzaakt door een eigen gedraging van [hond A] die inherent is aan de eigen energie van [hond A] en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten. Het ongeluk is niet veroorzaakt door een opgedragen of geleide gedraging van [hond A] . Het ongeval valt daarmee onder het bereik van artikel 6:179 van het BW en ook van artikel 6:181, eerste lid, van het BW, omdat [hond A] werd gebruikt in de uitoefening van een bedrijf. Verweerder is dus als bedrijfsmatig bezitter van [hond A] aansprakelijk voor de door die gedraging veroorzaakte schade.

5.1.

De bewijslast van schade en de omvang daarvan ligt in beginsel bij degene die stelt schade te hebben geleden. Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (causaal verband).

5.2.

Verzoekster heeft in haar brief van 30 juli 2018 gesteld dat de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade exclusief de buitengerechtelijke kosten € 138.639,98 bedraagt. Verzocht is om verweerder te veroordelen om dit bedrag aan verzoekster toe te kennen. Daarnaast is verzocht om verweerder te veroordelen om de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 7.563,00 te laten betalen aan Van der Toorn Personenschade.

Verzoekster heeft een schadestaat opgemaakt. Hierin zijn de volgende posten opgenomen:

  1. algemene kosten, zoals porti, telefoon, kopieën, extra kosten thuis etc.: € 100,00;

  2. kosten van huishoudelijke hulp conform Richtlijnen van de Letselschade Raad: voor de periode van 15 februari 2016 tot 4 april 2016 € 1.960,00 en voor de periode van 4 april 2016 tot 16 mei 2016 € 840,00;

  3. reis- en parkeerkosten conform Richtlijnen van de Letselschade Raad:

- naar ziekenhuis:

2016: € 41,94

2017: € 111,10

2018: € 136,50

2019 tot en met 2045 (82e jaar): € 3.685,50

- naar acupuncturist: € 812,43

- naar huisarts en opticien: € 50,00;

niet vergoede medische kosten:

- eigen risico zorgverzekering 2016 tot en met 2045: € 11.165,49

- huisapotheek/medicatie: € 500,00

- kosten acupunctuur: € 43.139,61

- aanschaf speciale lichtgewicht brillen: € 27.860,00;

verlies aan arbeidsvermogen: pm;

verlies aan zelfredzaamheid/tuinonderhoud: € 300,00;

overige kosten:

- aanschafkosten auto: € 10.039,64

- verzekering: € 4.544,28

- wegenbelasting: € 3.640,00

- onderhoudskosten auto: € 3.467,49;

immateriële schade: € 25.000,-.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat verzoekster de algemene kosten niet inzichtelijk en daarmee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Hetzelfde geldt voor de kosten van huishoudelijke hulp/verlies aan zelfredzaamheid/-tuinonderhoud. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door haar dubbele neusfractuur niet in staat is geweest om huishoudelijke werkzaamheden en tuinonderhoud te verrichten. Verzoekster heeft daarnaast niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat zij hiervoor kosten heeft gemaakt en dus schade heeft geleden.

Ook de reis- en parkeerkosten heeft verzoekster niet inzichtelijk gemaakt. Daarmee zijn deze kosten onvoldoende aannemelijk gemaakt.

De niet vergoede medische kosten komen volgens verweerder op grond van artikel 48, eerste lid, van het ARAR voor vergoeding in aanmerking, zodat verzoekster geen schade lijdt. Verzoekster kan hiertoe een aanvraag indienen.

Van verlies aan verdienvermogen is nog geen sprake, zodat verzoekster geen schade lijdt.

Bij de overige kosten bestaat onvoldoende causaal verband tussen het ongeval en de aanschaf van een auto.

5.4.

Met betrekking tot de gestelde immateriële schade heeft verzoekster aangevoerd dat zij als gevolg van de dubbele neusfractuur last heeft van zenuwpijnen, forse hoofdpijn, verlies van geur en smaak, een verstopte neus en weinig lucht en daarnaast mentaal zwaar gebukt gaat onder het feit dat haar werk als hondengeleider haar is afgenomen.

5.5.

Bij de beantwoording van de vraag of voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht.5 Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechter die op de voet van deze bepaling schadevergoeding toekent, heeft een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot het bepalen van de omvang van die schadevergoeding. Bij de begroting van de schadevergoeding moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waarbij voor de omvang van de vergoeding in het bijzonder bepalend zijn de aard, ernst en duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De rechter moet de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn en het gemis aan levensvreugde afleiden uit min of meer objectieve factoren en concrete aanwijzingen, zoals de aard van het letsel en de (meer subjectief te duiden) gevolgen daarvan voor de benadeelde. Bij de begroting moet de rechter daarnaast ook meewegen de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke partij te maken verwijt. De rechter moet bij de begroting van de vergoeding voor immateriële schade ook letten op bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, waarbij hij eventuele geldontwaarding in acht moet nemen.

5.6.

De rechtbank is van oordeel dat de ontheffing uit de functie van hondengeleider geen verband houdt met het ongeval. De aanleiding daarvan lag in het functioneren van verzoekster en stond los van het ongeval. De eventueel daardoor veroorzaakte immateriële schade komt dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

De immateriële schade als gevolg van de dubbele neusfractuur komt wel voor vergoeding in aanmerking, omdat de dubbele neusfractuur door het ongeval is veroorzaakt.

5.7.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van

€ 3.000,- passend en billijk is. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.

Verzoekster heeft door het ongeval een dubbele neusfractuur opgelopen. Uit het door verzoekster overgelegde rapport van de door haar ingeschakelde medisch deskundige van 14 juli 2018 en de daarbij gevoegde medische informatie van de behandelende sector blijkt dat verzoekster last heeft van chronische, mogelijk blijvende pijnklachten van de neusrug, hoofdpijn en slaapproblemen en dat ook de reuk en smaakzin zijn verdwenen. Verzoekster is als gevolg van de dubbele neusfractuur zeven weken arbeidsongeschikt geweest.

Verder heeft het ongeval plaatsgevonden tijdens een oefening waarbij verzoekster [hond A] begeleidde. Omdat verzoekster [hond A] begeleidde, diende zij rekening te houden met onberekenbaar gedrag van [hond A] . Verweerder valt van het ongeval geen enkel verwijt te maken. Verweerder is enkel aansprakelijk, omdat hij de bedrijfsmatige bezitter van [hond A] is.

Ten slotte is rekening gehouden met bedragen die door Nederlandse rechters in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

5.8.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het verzoek om schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt. Verweerder zal worden veroordeeld tot een schade-vergoeding van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval, 15 februari 2016, tot op de dag dat de vergoeding betaald wordt.

6. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie (waarde per punt € 512,-, wegingsfactor 1). De kosten voor het verslag van de door verzoekster ingeschakelde deskundige stelt de rechtbank vast op € 491,85. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De totale vergoeding komt daarmee op € 1.771,85. Tevens dient verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt verweerder in de door verzoekster als gevolg van het ongeval op 15 februari 2016 geleden schade tot een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2016 tot aan de dag van gehele betaling;

- wijst het meer of anders verzochte af;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.771,85.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. Y. van Wezel en

mr. P.L. de Vos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 20 augustus 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072 en 18 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3292.

2 ECLI:NL:RBGEL:2018:3810.

3 Zie de uitspraak van de CRvB van 17 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2185.

4 Zie de uitspraak van de CRvB van 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9654.

5 Zie de uitspraak van de CRvB van 15 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3608.