Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3725

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-08-2019
Datum publicatie
19-08-2019
Zaaknummer
05/233510-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer van de rechtbank Gelderland veroordeelt een 54-jarige militair voor feit 1 primair tot drie maanden voorwaardelijke militaire detentie met een proeftijd van twee jaren, nu bewezen is verklaard dat hij als ambtenaar opzettelijk geld in zijn bediening heeft verduisterd (artikel 359 van het Wetboek van Strafrecht). De militaire kamer spreekt verdachte vrij van feit 2. De militaire kamer is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen immers niet is gebleken dat verdachte het oogmerk had om het onderzoek te frustreren (artikel 189, lid 1, aanhef en sub 3, van het Wetboek van Strafrecht).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/233510-18

Datum uitspraak : 19 augustus 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ,

wonende [adres]

,

raadsvrouw: mr. T.H. ten Wolde, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 augustus 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 april 2018 te Venlo, althans in Nederland, als ambtenaar (medewerker Forensische Opsporing van de Koninklijke Marechaussee) opzettelijk geld en/of geldwaardig papier dat hij in zijn bediening onder zich had, heeft verduisterd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat

hij op of omstreeks 30 april 2018 te Venlo, althans in Nederland opzettelijk een pakket, inhoudende bankbiljetten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde aan de (Albanese) bestuurder van een [automerk] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als medewerker Forensische Opsporing van de Koninklijke Marechaussee, elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op of omstreeks 30 april 2018 te Venlo, althans in Nederland, opzettelijk een voorwerp, te weten een pakket inhoudende een hoeveelheid geldbiljetten, dat kon dienen om de waarheid aan de dag te brengen en/of om wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafvordering aan te tonen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen heeft verborgen, vernietigd en/of weggemaakt en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken, door genoemd pakket met bankbiljetten in zijn, verdachtes, (dienst)auto te leggen/verstoppen/verbergen.

2A. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

De verdediging heeft gesteld dat de op 30 april 2018 afgelegde verklaring van verdachte dient te worden uitgesloten van het bewijs, dan wel als minder betrouwbaar dient te worden aangemerkt, omdat deze verklaring is afgelegd onder invloed van een psychische stoornis. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van dat standpunt een reeks (psychosociale) omstandigheden benoemd, waarbij zij heeft verwezen naar diverse rapportages en brieven van deskundigen (psycholoog, psychiater en bedrijfsmaatschappelijk werker), op grond waarvan de rechercheurs van de Sectie Interne Onderzoeken (SIO) van de Koninklijke Marechaussee (KMAR) verdachte als kwetsbaar hadden moeten aanmerken en het verhoor aan die omstandigheden hadden moeten aanpassen. Omdat dat is nagelaten, is de destijds afgelegde verklaring van verdachte niet betrouwbaar, zeker nu deze verklaring haaks staat op wat hij ter terechtzitting heeft verklaard.

De militaire kamer is van oordeel dat de stelling van de verdediging dat verdachte ten tijde van zijn verhoor ten onrechte niet als kwetsbare verdachte is aangemerkt onvoldoende is onderbouwd. Het standpunt dat zijn verhoor op 30 april 2018 ten overstaan van de verbalisanten van de SIO moet worden uitgesloten van het bewijs, wordt dan ook niet gevolgd.

De militaire kamer verwerpt het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.

2B. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 30 april 2018 was verdachte als ambtenaar, namelijk als medewerker Forensische opsporing van de Koninklijke Marechaussee, werkzaam in [werkplaats] .2 Ten behoeve van zijn werkzaamheden had verdachte geld onder zich.3 In de in beslag genomen en door verdachte te onderzoeken [automerk] lagen vijftien pakketten met daarin contant geld.4 Eén van deze geldpakketten raakte vervolgens vermist en is later aangetroffen bij verdachte.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 primair en feit 2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op basis van het dossier en het ter zitting verhandelde er geen overtuiging kan zijn dat bij verdachte sprake was van opzet op verduistering van het pakket geld. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat indien wel voorwaardelijk opzet bewezen wordt geacht door de militaire kamer, dit niet was gericht op het wegnemen, ofwel het onttrekken van het geld aan zijn bestemming, dan wel het wegmaken van een bewijsmiddel door dit te verbergen in zijn dienstauto. Gelet op de overbelasting van verdachte was immers hooguit sprake van een daad van verzet.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer komt tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij in het in beslag genomen voertuig 15 geldpakketten zag liggen. Verdachte zag ook dat er een biljet van 50 euro zichtbaar was. Verdachte wilde ten behoeve van zijn werkzaamheden de geldpakketten fotograferen en is om die reden met één van de geldpakketten naar zijn dienstvoertuig gelopen. Hij heeft dit geldpakket vervolgens tussen de middenconsole en de voorstoel van zijn dienstvoertuig gelegd en heeft aldus het pakket aan het zicht van anderen onttrokken. Verdachte heeft ook verklaard dat hij het pakket bewust aan het zicht van anderen heeft onttrokken. Daaropvolgend hoorde verdachte zijn collega zeggen dat één van de geldpakketten was verdwenen en zag hij zijn Duitse collega (de militaire kamer begrijpt [naam Duitse collega] ) met de officier van dienst praten.6

Gedurende het onderzoek naar het vermiste geld is de situatie ter plaatse bevroren.7 Verdachte is - evenals andere aanwezigen - gefouilleerd en zijn dienstvoertuig is doorzocht.8 Verdachte gedroeg zich in de tussentijd onrustig en is meermalen naar zijn dienstvoertuig gelopen, ondanks dat hem was verzocht om bij zijn dienstvoertuig uit de buurt te blijven.9 Niet is gebleken dat verdachte op enig moment - terwijl hij wist dat het geldpakket werd vermist - kenbaar heeft gemaakt dat het geldpakket in zijn dienstauto lag. Sterker nog, terwijl een geldhond werd opgeroepen, deed verdachte de rolluiken van de garage open, stapte hij in zijn dienstvoertuig en wekte de indruk dat hij wilde wegrijden.10 Verdachte heeft vervolgens het pakket met contant geld in zijn broekzak gestopt en is uit zijn dienstvoertuig gestapt. Dit werd waargenomen, waarna tegen hem werd gezegd dat hij dit geld moest inleveren.11

De militaire kamer overweegt dat uit deze bewijsmiddelen, met name de verklaring van verdachte zelf, volgt dat verdachte actief heeft gehandeld door het geldpakket in zijn dienstvoertuig te verstoppen. Verdachte verklaarde immers dat hij het geldpakket tussen de voorstoel en de middenconsole heeft gelegd, waarmee hij het bewust aan het zicht van anderen heeft onttrokken. Uit het hiervoor beschreven gedrag van verdachte leidt de militaire kamer af dat verdachte het geldpakket bewust in zijn beschikkingsmacht heeft gebracht en wilde houden. Dit strookt niet met de andersluidende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, namelijk dat het geldpakket per ongeluk is gevallen in zijn dienstvoertuig. Die verklaring, afgelegd ter terechtzitting, acht de militaire kamer ongeloofwaardig. Immers, er waren meerdere momenten waarop verdachte had kunnen melden dat het vermiste geld in zijn dienstvoertuig lag. Verdachte heeft er echter telkens voor gekozen om dit niet te doen. Op basis van de uiterlijke verschijningsvorm is de militaire kamer van oordeel dat verdachte bewust, willens en wetens, heeft gehandeld. Anders dan de verdediging stelt, is er dan ook sprake van ‘vol’ opzet op de wederrechtelijke toe-eigening van het geldbedrag. Daarbij is niet van belang om welke redenen verdachte zich het geldbedrag heeft toegeëigend.

De militaire kamer overweegt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit dat het ‘oogmerk’ zoals bedoeld in artikel 189, lid 1, aanhef en sub 3, van het Wetboek van Strafrecht de bedoeling omvat om inbeslagneming te beletten of sporen te laten verdwijnen. De militaire kamer is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet is gebleken dat verdachte het oogmerk heeft gehad om het onderzoek te frustreren. De militaire kamer leidt op basis van hetgeen hiervoor is overwogen af dat dit een onbedoeld neveneffect is geweest. Gelet hierop zal de militaire kamer verdachte vrijspreken van feit 2.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 30 april 2018 te Venlo, althans in Nederland, als ambtenaar (medewerker Forensische Opsporing van de Koninklijke Marechaussee) opzettelijk geld en/of geldwaardig papier dat hij in zijn bediening onder zich had, heeft verduisterd.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert ten aanzien van feit 1 primair op:

als ambtenaar opzettelijk geld, dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot één week militaire detentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en voorts tot het verrichten van een taakstraf voor de duur van 24 uren, te vervangen door 12 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals onder meer aangegeven in de stukken van de psycholoog, psychiater en bedrijfsmaatschappelijk werker. Zij heeft primair verzocht om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel. Subsidiair heeft zij verzocht om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen met een maximale proeftijd van één jaar.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 11 juli 2019;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 24 juli 2019;

- een psychologisch rapport van [gz-psycholoog] , gedateerd 8 maart 2019.

De militaire kamer overweegt enerzijds dat verdachte, in de hoedanigheid van ambtenaar, belast met de opsporing van strafbare feiten, zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering. Dit is een zeer ernstig feit. Op een medewerker Forensische Opsporing van de Koninklijke Marechaussee rust immers een grote verantwoordelijkheid, met name vanwege het uitgangspunt dat opsporingsambtenaren van onberispelijk gedrag horen te zijn. Bovendien moet de samenleving op de juistheid van zijn onderzoeken kunnen vertrouwen. Door dit feit te plegen, heeft verdachte de geloofwaardigheid en de integriteit van het opsporingsapparaat in het geding.

Verdachte heeft door zijn handelen bovendien misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de Krijgsmacht en zijn collega’s in hem hadden gesteld. Gezien verdachtes staat van dienst had ander gedrag van hem verwacht kunnen en mogen worden. De ernst van het feit maakt dat een gevangenisstraf of militaire detentie als strafsoort passend moet worden geacht.

De militaire kamer houdt anderzijds rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het psychologisch rapport volgt dat verdachte lijdende was aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een post traumatische stressstoornis op grond van traumatische gebeurtenissen die hij in zijn werk als forensisch opsporingsambtenaar voor de Koninklijke Marechaussee heeft meegemaakt. Daarbovenop heeft hij een depressieve stoornis met kenmerken van een burn-out. Tevens treden bij beide stoornissen geheugen- en concentratie-problemen aan het licht. Gelet hierop heeft de psycholoog geadviseerd om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De militaire kamer zal dit advies volgen.

Voorts overweegt de militaire kamer dat, gezien dit toestandsbeeld, sprake zal zijn van zeer langdurige arbeidsongeschiktheid en blijvende dienstongeschiktheid waarbij terugkeer in een executieve of operationele dienst uitgesloten moet worden geacht. De werkgever heeft er inmiddels voor gekozen om het in gang gezette rechtspositioneel traject stil te leggen, maar niet uitgesloten is dat dat traject op termijn weer zal worden opgepakt, zodat de mogelijkheid bestaat dat verdachte zijn aanstelling als militair zal gaan verliezen met alle gevolgen van dien.

De militaire kamer overweegt verder ten voordele van verdachte dat, ondanks de uiterlijke schijn, niet aannemelijk is geworden dat verdachte door zijn handelen zichzelf financieel heeft willen verrijken. Verdachte is, tot slot, niet eerder veroordeeld wegens strafbare feiten.

Alles afwegende is de militaire kamer van oordeel dat enerzijds sprake is van een buitengewoon ernstig feit, maar anderzijds de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding geven om te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf.

Tot slot merkt de militaire kamer op er niet aan te twijfelen dat verdachte de thans ingezette behandeling binnen de Militair Geestelijke Gezondheidszorg vrijwillig zal voortzetten, zodat een juridisch kader in de vorm van bijzondere voorwaarden niet noodzakelijk wordt geacht.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 359 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 11 en 14 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot militaire detentie voor de duur van 3 (drie) maanden;

 bepaalt, dat deze militaire detentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd, die op twee jaren wordt bepaald, te weten dat de veroordeelde zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter) en mr. P.C. Quak, rechters,

en kapitein ter zee logistieke dienst mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. S. de Rooij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting

van deze rechtbank op 19 augustus 2019,

zijnde mr. S.C.A.M. Janssen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door kapitein van de Koninklijke Marechaussee [naam 1] , opgemaakte proces-verbaal met dossiernummer PL27AZ / 18 – 400035, gesloten op 29 oktober 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 78-79, alsmede het schriftelijk bescheid, zijnde het legitimatiebewijs algemeen opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee, p. 24.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 13.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 79, alsmede het schriftelijk bescheid zijnde de Nederlandse vertaling van de schriftelijke verklaring in de Duitse taal van [naam Duitse collega] , p. 55.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 79.

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 79-80.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , p. 35.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 80.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 3] , p. 29.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , p. 35.

11 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 80.