Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:371

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
6781737 \ CV EXPL 18-3173 \ 474 \ 907
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevorderde huurdoorbetaling tot gestelde einddatum afgewezen; bewijs geleverd dat huurovereenkomst met wederzijds goedvinden tussentijds is geëindigd; (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR, 2019, afl.2/3, p. 159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 6781737 \ CV EXPL 18-3173 \ 474 \ 907

zitting van

vonnis

in de zaak van

1 [eiser sub 1]

wonende te [woonplaats 1]

gemachtigde mr. M.W. Kox

2. [eiser sub 2]

wonende te [woonplaats 2]

gemachtigde mr. M.W. Kox

eisende partijen

verwerende partijen in voorwaardelijke reconventie

tegen

[gedaagde 2] , handelend onder de naam " [bedrijf X] "

wonende te [woonplaats 3]

gedaagde partij

eisende partij in voorwaardelijke reconventie

gemachtigde mr. M.J. Goedhart

Partijen worden hierna genoemd partij [eisers] en [gedaagde 2] .

1 De procedure

1.1

Bij tussenvonnis d.d. 30 mei 2018 is een comparitie van partijen bepaald na conclusie van antwoord in conventie en (voorwaardelijke) conclusie van eis in reconventie aan de zijde van [gedaagde 2] .

1.2

Nadat partijen opgave hadden gedaan van hun verhinderdata is de comparitie bepaald op de zitting van 12 september 2018 van de kantonrechter. Beide partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn voor de kantonrechter verschenen. Zij hebben de nodige inlichtingen verstrekt. Er kon geen schikking worden getroffen. Verwezen wordt naar de aantekeningen die de griffier van de comparitie heeft gemaakt.

1.3

In overleg met partijen heeft de kantonrechter op de zitting van 12 september 2018 de aan [gedaagde 2] gegeven bewijsopdracht geformuleerd. Blijkens deze bewijsopdracht dient [gedaagde 2] te bewijzen door alle middelen rechtens, in het bijzonder door het doen horen van getuigen “dat [gedaagde 2] met [eisers] sr. als vertegenwoordiger van partij [eisers] is overeengekomen dat de door [gedaagde 2] met partij [eisers] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot “ [bedrijf X] ” eindigt ingeval [gedaagde 2] het hotel te [woonplaats 3] zal gaan huren en dat [eisers] sr. bevoegd was om namens partij [eisers] deze beëindigingsovereenkomst te sluiten, althans dat [gedaagde 2] op basis van aan partij [eisers] toe te rekenen feiten en omstandigheden ervan uit mocht gaan dat [eisers] sr. als vertegenwoordiger van partij [eisers] bevoegd was de beëindigingsovereenkomst met [gedaagde 2] te sluiten”.

1.4

Op de zitting van 6 november 2018 zijn zeven getuigen gehoord aan de zijde van [gedaagde 2] . Het proces-verbaal, waarin deze verklaringen zijn opgenomen, maakt deel uit van het procesdossier.

1.5

Op de zitting van 29 november 2018 zijn er twee getuigen gehoord in de contra-enquête aan de zijde van partij [eisers] . Het proces-verbaal waarin de verklaringen van [eisers] sr. en I.H. [eisers] zijn opgenomen maakt eveneens deel uit van het procesdossier.

1.6

Nadat het getuigenverhoor aan de zijde van beide partijen was gesloten, is de zaak naar de rol verwezen voor conclusie na enquête en contra-enquête aan de zijde van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] heeft deze conclusie genomen, waarbij hij een groot aantal producties in het geding heeft gebracht.

1.7

Partij [eisers] heeft een antwoordconclusie genomen, waarbij eveneens producties in het geding zijn gebracht.

1.8

[gedaagde 2] heeft tot slot nog een akte genomen, waarbij hij zich heeft uitgelaten naar aanleiding van de door partij [eisers] overgelegde producties.

1.9

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1

Partij [eisers] vordert op basis van de in de dagvaarding geformuleerde grondslag dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar verklaard bij voorraad,

a. voor recht verklaart dat de tussen partijen geldende huurovereenkomst met betrekking tot [bedrijf X] aan de [adres] te [woonplaats 2] doorloopt tot en met 31 oktober 2022;

b. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van de contractuele boete ad € 250,00 per dag met ingang van 15 februari 2018 tot aan de dag dat [gedaagde 2] het gehuurde conform de bestemming als horecaruimte weer gaat gebruiken;

c. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van de huurprijs ad € 2.250,00 per maand voor de periode vanaf november 2018 te vermeerderen met primair de contractuele rente ad 1% per maand, met een minimum van € 300,00 per maand, subsidiair de wettelijke handelsrente over dit bedrag per februari 2018, vanaf telkens de eerste dag voor iedere periode tot aan de dag der algehele voldoening;

d. [gedaagde 2] veroordeelt om binnen zeven dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser(es) te betalen de proceskosten ex artikel 237 ev Rv, alsmede de nakosten voor een bedrag van

€ 100,00, en een en ander – voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele finale kwijting, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren.

2.2

[gedaagde 2] betwist de vorderingen van partij [eisers] gemotiveerd en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van partij [eisers] , althans dat afwijzing van de vorderingen van partij [eisers] , met veroordeling van partij [eisers] tot betaling van de proceskosten in conventie, te vermeerderen met de wettelijke rente indien partij [eisers] de proceskosten niet binnen acht dagen na de datum van dit vonnis heeft betaald.

[gedaagde 2] heeft tevens een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld. Verwezen wordt naar de (voorwaardelijke) eis in reconventie. Gevorderd wordt “te verklaren voor recht dat de tussen partijen op 1 november 2012 gesloten huurovereenkomst met ingang van 1 november 2017 is geëindigd, althans met ingang van een datum door de kantonrechter in goede justitie te bepalen en dat vanaf deze datum voor [gedaagde 2] geen verplichtingen meer bestaan jegens [eisers] c.s. uit deze huurovereenkomst, met veroordeling van partij [eisers] tot betaling van de proceskosten in reconventie.

2.3

Partij [eisers] heeft de voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagde 2] betwist en concludeert tot afwijzing daarvan met veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van de proceskosten in reconventie.

2.4

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde 2] met ingang van 1 november 2012 van partij [eisers] de bedrijfsruimte in de betekenis van artikel 7:290 BW aan de [adres] te [woonplaats 2] – door partijen “ [bedrijf X] ” genoemd – heeft gehuurd. In het gehuurde was de voormalige brandweerkazerne gevestigd die verbouwd is tot horecaruimte.

De huurovereenkomst (in afschrift aan de dagvaarding gehecht) werd aangegaan voor 5 jaren ingaande 1 november 2012 en lopende tot en met 31 oktober 2017.

Artikel 3.1 tot en met 3.5 van de huurovereenkomst luidt als volgt:

“Duur, verlenging en opzegging

3.1

Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 november 2012 (hierna “ingangsdatum”) en lopende tot en met 31 oktober 2017.

3.2

Deze huurovereenkomst wordt, na ommekomst van de in 3.1 genoemde periode, behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door [ uitsluitend huurder /huurder of verhuurder*] in overeenstemming met 3.4 en 3.5 voortgezet voor een aansluitende periode van vijf jaar.

3.3

Na ommekomst van de in 3.2 genoemde periode wordt deze huurovereenkomst, behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.5 voortgezet voor [aansluitende periode[n*] van telkens één jaar*].

3.4

Beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging vindt plaats door huurder aan verhuurder of door verhuurder aan huurder tegen het einde van de lopende huurperiode of, ingeval van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen ieder tijdstip, een en ander met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste één jaar. Verhuurder neemt daarbij de wettelijke opzeggingsgronden in acht.

3.5

Opzegging van deze huurovereenkomst dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven.”

2.5

Tussen partijen staat ook vast dat [gedaagde 2] van de familie [eisers] het hotel te [woonplaats 3] heeft gehuurd. Deze huurovereenkomst is getekend op 15 september 2016. [gedaagde 2] heeft het hotel eind oktober 2017 in gebruik genomen na oplevering van een groot deel van de werkzaamheden (randnummer 59 conclusie van antwoord).

2.6

Partij [eisers] baseert haar vorderingen in conventie op de stelling dat de met [gedaagde 2] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot [bedrijf X] bij gebreke van een opzegging conform artikel 3.4 van de huurovereenkomst is verlengd tot 31 oktober 2022. Het is op basis van deze stelling dat zij de gevorderde verklaring voor recht baseert, alsmede ook haar vordering strekkende tot veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van de huur vanaf november 2018 vermeerderd met contractuele boete en rente.

2.7

[gedaagde 2] betwist de vorderingen in conventie gemotiveerd. Grondslag van zijn verweer is dat hij aanvoert met [eisers] sr. te zijn overeengekomen dat, wanneer hij het hotel te [woonplaats 3] zal gaan huren en het hotel in gebruik zal nemen, de huurovereenkomst met betrekking tot [bedrijf X] eindigt. [gedaagde 2] heeft voorts gesteld dat [eisers] sr. bevoegd was om namens partij [eisers] deze beëindigingsovereenkomst te sluiten, althans dat hij ervan uit mocht gaan dat [eisers] sr. bevoegd was deze beëindigingsafspraak namens zijn beide zoons te maken. In dat kader beroept [gedaagde 2] zich op gerechtvaardigde schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [eisers] sr. op grond van voor risico van de beide zoons komende omstandigheden.

Als verweer is ook aangevoerd dat partij [eisers] zich schuldig maakt aan misbruik van recht wanneer zij zich erop beroept dat [gedaagde 2] de huurovereenkomst niet heeft opgezegd conform artikel 3.4 en 3.5 van de huurovereenkomst. Volgens [gedaagde 2] is partij [eisers] niet te goeder trouw, althans handelt zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

2.8

Omdat partij [eisers] het (bevrijdende) verweer van [gedaagde 2] gemotiveerd betwistte en partijen met de kantonrechter erover eens waren dat dit twistpunt de kern van het geschil betreft, heeft de kantonrechter in samenspraak en met instemming van partijen en hun procesgemachtigden op de zitting van 12 september 2018 de bewijsopdracht, zoals hiervoor in rechtsoverweging 1.3 geciteerd aan [gedaagde 2] gegeven en is ook op de zitting dag en uur bepaald voor de enquête aan de zijde van [gedaagde 2] . Verwezen wordt naar de rolbeschikking d.d. 12 september 2018.

2.9

De kantonrechter kiest er in deze zaak voor de verklaringen van alle getuigen, gehoord in de enquête en in de contra-enquête, integraal in dit vonnis op te nemen met de bedoeling de feiten, naar waardering van de verklaringen, vast te stellen.

Getuige [gedaagde 2] heeft als volgt verklaard:

“U houdt mij de bewijsopdracht voor. Ik kan het volgende verklaren.

Over de huurovereenkomst met betrekking tot [bedrijf X] heb ik alleen contact gehad met [eisers] sr. Ook na het sluiten van de huurovereenkomst heb ik alleen met [eisers] sr. contact gehad, o.a. over de verbouwing. Eerst kort voor het tekenen van de huurovereenkomst werd mij verteld dat de huurovereenkomst op naam van de twee zonen van [eisers] sr. zou komen te staan. [eisers] sr. gaf aan dat dat was om belastingtechnische redenen en ook om de beide zonen wat zakgeld te geven. In die tijd bezochten de beide zonen de hbo. In mijn ogen waren het toen nog kinderen.

Zoals in de stukken is aangevoerd, stelde [eisers] sr. mij op een zeker moment voor het hotel in [woonplaats 3] over te nemen. Korte tijd daarna werd ik ernstig ziek, ik moest een hartoperatie ondergaan. Enkele weken nadien, na mijn ontslag uit het ziekenhuis, is er een bijeenkomst georganiseerd in [bedrijf X] , waarbij diverse mensen aanwezig waren, ook [eisers] sr.

Bij die gelegenheid stelde [eisers] sr. de vraag of ik over het hotel had nagedacht. Ik heb hem daarop geantwoord dat ik dat gedaan had en dat ik het hotel wilde overnemen, maar dat ik wel afscheid wilde gaan nemen van [bedrijf X] . Ik ging daarbij vanuit dat de huurovereenkomst inzake [bedrijf X] nog ruim een jaar zou duren. Ik heb hem toen ook gezegd dat ik dat jaar zal gebruiken om na te gaan of ik de zaak niet kon verkopen. Ik hield er rekening mee dat ik de opbrengst nodig had om de nodige verbouwingen in het hotel te kunnen financieren. De reactie van [eisers] sr. was, dat hij het jammer vond dat ik met [bedrijf X] wilde stoppen. Hij had het plan om meerdere bedrijven te gaan runnen in de vorm van een keten.

Van dat gesprek met [eisers] sr. zijn anderen getuige geweest.

Tijdens dat gesprek met [eisers] sr. zaten wij met z’n allen aan een hoge tafel. De meeste personeelsleden zaten aan die tafel, ook [personeelslid] . Mijn vrouw was er ook bij. Een aantal van de aanwezigen zult u straks als getuigen horen.

Korte tijd daarna deelde [eisers] sr. mij telefonisch mee dat een horecamakelaar zou langskomen, die het hotel, maar ook [bedrijf X] zou moeten taxeren. Met die makelaar heb ik toen gesproken.

Ik had het plan om aan een andere makelaar opdracht te geven te bemiddelen bij de verkoop van de zaak, dezelfde makelaar van wie ik de zaak gekocht had. [eisers] sr. heeft ook kort na het gesprek dat wij hebben gehad aan de hoge tafel, waarover ik zojuist verklaard heb, aan de kokkin, Marlies van der Meent, gevraagd of zij geen interesse had de zaak over te nemen samen met [A] . Dat vertelde [eisers] sr. aan mij en ook Marlies van der Meent heeft mij dat bevestigd. Jammer was dat zij uiteindelijk geen interesse bleek te hebben.

Op vragen van mr. Goedhart antwoord ik als volgt.

Mij wordt gevraagd of bij andere gesprekken [eisers] sr. heeft aangegeven dat ook hij ervan uitging dat de huurovereenkomst met betrekking tot [bedrijf X] zou eindigen. Zo herinner ik mij dat hij in een gesprek met [B] , waarbij ik aanwezig was, aan mij heeft gevraagd of ik echt niet wilde doorgaan met [bedrijf X] en of ik niet bereid was [bedrijf X] naast het hotel te blijven exploiteren. [eisers] sr. had aangegeven dat hij wilde voorkomen dat er een cafetaria zou komen in [bedrijf X] . Dat stond ook zo in de huurovereenkomst. Hij is ook op zoek geweest naar geschikte kandidaten om [bedrijf X] over te nemen.

Vorig jaar, in juni, werd het mij duidelijk dat [eisers] sr. er niet van uitging dat de huurovereenkomst eindigde per 31 oktober 2017. Wij hadden een gesprek, buiten het hotel en ik vroeg [eisers] sr. wat wij met de inventaris moesten doen wanneer voor 31 oktober 2017 er geen andere huurder zou zijn. Ik vroeg hem of hij interesse had voor de inventaris. Zijn reactie was: “ik heb toch een goede huurder”. Hij sprak over een huurovereenkomst voor nog een periode van vijf jaar met mij en zei dat ik de huurovereenkomst niet op de juiste wijze had opgezegd. Hij noemde o.a. dat er niet aangetekend was opgezegd. Hij zei dat op een lachende wijze en ik dacht toen dat hij een grapje maakte. Enige tijd later werd het mij duidelijk dat hij het serieus meende dat de huurovereenkomst in kwestie niet zou eindigen per 31 oktober 2017.

Ik ben zo stom geweest de huur nog drie maanden door te betalen. Dat heb ik gedaan omdat [eisers] sr. mij bedreigde. Hij zou mij financieel kapot maken wanneer ik de huur voor [bedrijf X] niet zou blijven betalen.

In gesprekken met [eisers] sr. vóór juni 2017 is het mij niet duidelijk geworden dat [eisers] sr. zich op het standpunt zou stellen dat de huurovereenkomst niet was beëindigd.

Op vragen van mr. Kox antwoord ik al volgt.

Het gesprek aan de hoge tafel waarover ik verklaard heb, vond plaats zo’n twee weken nadat ik geopereerd was. Ik ben op 9 maart 2016 geopereerd, dus zo uit mijn hoofd moet het geweest zijn op 25/26 maart 2016. Het was in ieder geval op een zaterdag. Bij dat gesprek was [B] aanwezig. [B] was een kameraad van de familie [eisers] . Mij wordt gevraagd naar aanleiding van productie 15, een e-mail van 24 augustus 2017 van [eisers] . De huur werd aan hem en aan zijn broer overgemaakt, dus daarover zou het gesprek gegaan zijn. [eisers] was ook aanwezig bij een aantal gesprekken met [eisers] sr. over het hotel. [eisers] was bezig met het opstellen van het contract voor het hotel.

Mij wordt gevraagd naar mijn contacten met [adviseur] , die ook als getuige is aangezegd. Ik maakte mij zorgen en [adviseur] is toen bij mij komen praten. Ik heb hem het probleem verteld en hij stelde toen voor als mediator op te treden om zo het geschil met de familie [eisers] op te lossen. Hij heeft meerdere contacten gehad met de familie [eisers] .

De brief van 31 januari 2018 (productie 6 dagvaarding) heb ik aan de beide verhuurders, de zonen van [eisers] sr., toegezonden. [eisers] sr. heeft voor ontvangst getekend.

U wijst mij erop dat in de brief van 31 januari 2018 gesproken wordt over “de opzegging en mondelinge afspraken dateren alweer van medio augustus 2016”. U vraagt mij hoe dat te rijmen is met wat ik hiervoor verklaard heb, bijvoorbeeld over het gesprek dat plaatsvond zo’n twee weken na mijn ontslag uit het ziekenhuis.

Ik denk dat ik augustus 2016 genoemd heb, omdat ik in die maand ook contact heb gehad met de door [eisers] sr. ingeschakelde makelaar van [makelaar] . Voordien zijn er gesprekken geweest met [eisers] sr., waarover ik verklaard heb. [eisers] sr. was het duidelijk dat de huurovereenkomst zou eindigen ingeval ik het hotel in [woonplaats 3] zou huren.

[bedrijf X] wordt niet langer aangeboden. Wanneer mij gezegd wordt door mr. Kox dat de advertentie nog steeds op internet staat, is mijn reactie dat het om een oude advertentie gaat.

Het klopt dat in de advertentie ook over huurkoop wordt gesproken.”

Getuige [adviseur] heeft als volgt verklaard:

“Half/eind december 2017 nam [gedaagde 2] contact met mij op. Ik houd mij bezig met insolventiezaken. Ik adviseer bedrijven wanneer zij onder meer in financieel zwaar weer terecht zijn gekomen. Ik heb met [gedaagde 2] gesproken en hij zei mij dat de continuïteit van zijn bedrijf, het hotel in [woonplaats 3] , in gevaar kwam. De verbouwing was uitgelopen en met de exploitatie kon later gestart worden dan was gepland. Kortom er was sprake van liquiditeitsproblemen. De Rabobank had het rekeningcourantkrediet opgezegd. Er was behoefte aan liquiditeit.

[gedaagde 2] sprak ook over [bedrijf X] in [woonplaats 2] en zei mij dat hij met de verhuurder was overeengekomen dat de huur van [bedrijf X] zou eindigen ingeval hij het hotel in [woonplaats 3] zou huren.

Ik heb hem toen voorgesteld met de familie [eisers] contact op te nemen. Er is een gesprek geweest met [eisers] sr. begin januari 2018. Dat gesprek liep stroef. Ik wilde weten hoe [eisers] sr. in de wedstrijd zat en of ik in overleg met hem problemen kon oplossen. Van dat eerste gesprek heb ik verslag gedaan aan [gedaagde 2] . Er is toen een tweede gesprek geweest met [eisers] sr., waarbij ook zijn beide zoons aanwezig waren. [eisers] sr. deed het woord. Hij maakte duidelijk dat er geen investeringen meer gedaan zouden worden in het hotel in [woonplaats 3] en zei “ [gedaagde 2] gaat daar toch failliet, hij gaat het daar toch niet redden”. Hij zei ook dat het zijn voorkeur had dat [gedaagde 2] zou teruggaan naar [woonplaats 2] . Op enig moment maakte hij ook de opmerking dat de huurovereenkomst met betrekking tot [bedrijf X] niet binnen de termijn was opgezegd. Ik heb toen de opmerking gemaakt dat dat standpunt absoluut onredelijk was. Dat het onredelijk is om de huurder eerst op zijn kosten voor € 150.000,00 / € 200.000,00 te laten verspijkeren en hem vervolgens te noodzaken terug te gaan naar [bedrijf X] . Op die reactie van mij sloeg hij niet aan. In mijn carrière van zo’n 25 jaar heb ik dat niet eerder meegemaakt.

Op vragen van mr. Goedhart antwoord ik als volgt.

Mij wordt gevraagd in hoeverre het mogelijk geweest was voor [gedaagde 2] om beide horecazaken te exploiteren. Mij was duidelijk dat de huur voor [bedrijf X] hoog was en dat de winst dun was. Exploitatie van het hotel in [woonplaats 3] was voor [gedaagde 2] de kans om en een hogere omzet en een hogere winst te realiseren. Exploitatie van beide ondernemingen zou mijns inziens economisch niet verantwoord zijn geweest.

Mr. Kox toont mij een sms-bericht van 24 januari 2018. Dit sms-bericht zult u aan het proces-verbaal hechten. Ik had met [eisers] sr. contact gehad en hem gezegd dat als de huurovereenkomst volgens hem nog niet beëindigd was hij in ieder geval de schade zou kunnen beperken. Ik heb hem ook gezegd dat het duidelijk was dat [gedaagde 2] niet terug zou gaan naar [bedrijf X] . Vandaar de mededeling dat opdracht was gegeven aan makelaar [Y] . U kunt dit zien als een vorm van meedenken van mij.

Ik wil ook nog opmerken dat [eisers] sr. tegen mij gezegd heeft dat er in [bedrijf X] geen andere huurder komt. Enkel [gedaagde 2] . Hij zei: “Ik zal het aan niemand anders verhuren”. “

Getuige [gedaagde 2] heeft als volgt verklaard:

“U houdt mij de bewijsopdracht voor.

Wij hebben altijd contact gehad met [eisers] sr. over de huur van [bedrijf X] . Wij hebben altijd alles met hem geregeld. [eisers] sr. kwam regelmatig bij ons binnenwandelen. Op een zeker moment beschouwden wij hem als een vriend. Hij was ook degene die doorgaf met welk bedrag de huur werd verhoogd.

Over de beëindiging van de huurovereenkomst kan ik het volgende verklaren. Veertien dagen nadat mijn man geopereerd was, was een bijeenkomst in [bedrijf X] , waarbij ook het personeel aanwezig was. Mijn man zei tegen [eisers] sr. dat wij het hotel zouden gaan overnemen, maar wel wilde stoppen met [bedrijf X] . Het was mijn man die het gesprek voerde, maar op een zeker moment heb ik gezegd “Wij zijn man en vrouw en wij willen niet apart werken”. Ik heb ook gezegd dat “wij geen leven meer zouden hebben” wanneer wij twee bedrijven zouden moeten runnen. Om een beeld te schetsen ik sta in het restaurant, ik ben de gastvrouw en mijn man staat in de keuken. De reactie van [eisers] sr. was dat dat jammer was, maar dat hij dat wel kon begrijpen.

Het was altijd al ons ideaal om een hotel te runnen. Mijn man had ervaring in de hotelwereld.

Eind 2015 kwam het hotel in [woonplaats 3] in beeld. Toen werd mijn man ziek en hebben wij de plannen uitgesteld. Nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen – mijn man zei al een week na de operatie dat hij zich zo goed voelde dat hij met mij het hotel wilde overnemen – is de mededeling aan [eisers] sr. gedaan tijdens de bijeenkomst waarover ik zojuist verklaard heb. Het hotelvak zit in ons bloed en wij hadden ons al enigszins voorbereid op de overname.

Ook later is meerdere malen in gesprekken met [eisers] sr. aan de orde geweest dat [bedrijf X] door ons zou worden gesloten.

Op vragen van mr. Goedhart antwoord ik als volgt.
De mededeling tijdens de bijeenkomst in maart 2016 waarover ik zojuist verklaard heb, kwam voor [eisers] sr. niet als een verrassing. Ook daarvoor hebben wij, mijn man en ik, hem verschillende malen laten weten dat wij voor één bedrijf gaan.

[eisers] sr. heeft voor het tekenen van de huurovereenkomst nooit gewezen naar zijn beide zoons. Eerst toen wij op het kantoor van de makelaar kwamen om de huurovereenkomst te tekenen, waren de beide zoons aanwezig. Dat was voor ons een verrassing. [eisers] sr. zei dat dat was om belastingtechnische redenen en dat de zonen zo ook wat zakgeld ontvingen.

Ik sprak over een vriendschappelijke relatie met [eisers] sr. Mij wordt gevraagd dat toe te lichten. Regelmatig leende [eisers] sr. onze auto om zo bij zijn relaties beter voor de dag te kunnen komen. Hij rijdt zelf oude auto’s. Iedere week kreeg hij van ons verse eieren, hij betaalde ze wel. Zijn dochter kwam regelmatig bij ons eten en ik moet zeggen dat wij [eisers] sr. totaal vertrouwden. [eisers] sr. en zijn vrouw kwamen regelmatig bij ons koffie drinken en ook heeft mijn man mevrouw [eisers] uit het ziekenhuis gehaald, omdat [eisers] sr. zelf verhinderd was.

Op vragen van mr. Kox antwoord ik als volgt.

Mij wordt gevraagd wie bij het gesprek van maart 2016 aanwezig waren. Ik noem Wouter, Marlies, Maris, Remco en [eisers] sr. Ik denk dat er wel zo’n 10 tot 12 mensen aanwezig waren. Wij waren blij dat de operatie van mijn man geslaagd was.

Mr. Kox vraagt mij naar het Facebook-bericht van 12 april 2017, productie 12. Wij moesten de zaak (goodwill en inventaris) wel verkopen om de investeringen die gepland waren voor het hotel te kunnen financieren. Dat wist [eisers] sr. ook.

Het was ons bekend dat er het nodige in het hotel geïnvesteerd moest worden. Wij zijn daar meerdere malen geweest en zagen dat er binnen veel veranderd moest worden. Wij maakten toen een schatting van € 150.000,00. [eisers] sr. zei op enig moment: “binnen is voor jullie, buiten is voor mij”.

Mij wordt ook gevraagd naar productie 16 van dezelfde akte. Gevraagd wordt waarom in het Facebook-bericht gesproken wordt over “wij gaan [bedrijf X] een andere functie geven”. Het was ons inmiddels duidelijk geworden dat [eisers] sr. ons wilde dwarsbomen. Hij dreigde ons kapot te zullen maken wanneer wij de huur van [bedrijf X] niet zouden blijven betalen. Hij dreigde o.a. met de verkoop van ons huis.

Ik wil er nog aan toe voegen dat ik op 7 oktober 2017 op Facebook heb gezegd dat wij [bedrijf X] definitief gaan sluiten. Ik weet dat in mijn Facebook-account is ingebroken en dat het Facebook-bericht waarop mr. Kox doelt eerder was geplaatst.”

Getuige [Z] heeft als volgt verklaard:

“U houdt mij de bewijsopdracht voor. Ik kan daarover het volgende verklaren. Het zal in november/december 2016 geweest zijn dat ik op verzoek van de heer en mevrouw [gedaagde 2] samen met hen, maar ook met [eisers] sr., in de auto, bestuurd door [gedaagde 2] naar het hotel in [woonplaats 3] heb gereden. De heer en mevrouw [gedaagde 2] vertelden mij dat er plannen waren om het hotel over te nemen en zij wilden mijn advies. Ik hield mij bezig met onder meer het aanleggen van badkamers. In de betrokken periode zat ik thuis. Later ben ik in tijdelijke dienst geweest van de familie [gedaagde 2] . Dat was op hun verzoek om als werknemer de nodige werkzaamheden in het hotel uit te voeren. Inmiddels ben ik weer zelfstandig.

In de auto, op weg naar het hotel, zei [eisers] sr. tegen mij dat wanneer de familie [gedaagde 2] , [gedaagde 2] en [gedaagde 2] , [bedrijf X] zouden laten vallen als zij besloten in het hotel te stappen. Dat waren letterlijk zijn woorden.

Ik kende [B] al zo’n 22 jaar. Zij wist dat ik een vakman was en ik neem aan dat zij mij daarom heeft gevraagd om te komen kijken.

Op een vraag van mr. Goedhart antwoord ik als volgt.

Ik heb daarna [eisers] sr. niet meer over [bedrijf X] gesproken.

Op een vraag van mr. Kox antwoord ik als volgt.

Later heeft [gedaagde 2] mij gezegd dat er een huurovereenkomst van vijf jaar is en dat de huurovereenkomst zou eindigen.

U vraagt mij naar de positionering in de auto. Volgens mij zat [gedaagde 2] achter het stuur en ik herinner mij niet met zekerheid of [eisers] sr. voor mij zat (naast de bestuurder) of naast mij op de achterbank. Wel weet ik zeker dat hij mij de mededeling heeft gedaan waarover ik zojuist verklaard.”

Getuige [getuige] heeft als volgt verklaard:

“U houdt mij de bewijsopdracht voor.

Ik ben een dochter van [gedaagde 2] en ik ben nu in dienst van [gedaagde 2] . Ik werk in het hotel in [woonplaats 3] en dat doe ik al zo’n 1,5 jaar. Daarvoor werkte in [bedrijf X] . In al die jaren dat ik in [bedrijf X] heb gewerkt, heb ik de zoons van [eisers] sr. niet in het bedrijf gezien.

Op 26 maart 2016 was er een bijeenkomst in [bedrijf X] . [gedaagde 2] was enkele weken daarvoor geopereerd en inmiddels uit het ziekenhuis ontslagen. Iedereen was bij elkaar. [gedaagde 2] zei bij die gelegenheid dat hij het hotel in [woonplaats 3] wilde gaan runnen en dat zij (hij en mijn moeder) de beide zaken niet wilden aanhouden, dus dat [bedrijf X] opgezegd wordt. [eisers] c.s. was daarbij ook aanwezig. Bij die gelegenheid vroeg hij mij of ik [bedrijf X] niet wilde overnemen. Later heeft hij die vraag herhaald en vroeg hij mij of ik niet samen met de kokkin Marlies [bedrijf X] wilde overnemen. Mijn antwoord was dat ik daarvoor te jong was.

Op vragen van mr. Goedhart antwoord ik als volgt.

Ik kan mij zo niet herinneren of [eisers] sr. tijdens de bijeenkomst van maart 2016 heeft gereageerd naar aanleiding van de mededeling van [gedaagde 2] .

Mij wordt mijn verklaring van 6 maart 2018 voorgelezen. Achter deze verklaring sta ik nog steeds. Enkele weken later, na 26 maart 2016, heeft [eisers] sr. mij nogmaals gevraagd of ik geen interesse had in [bedrijf X] . Dat deed hij tijdens een bezoek aan [bedrijf X] . Sowieso kwam [eisers] sr. één in de maand in [bedrijf X] eten.

Op een vraag van mr. Kox antwoord ik als volgt.

Mij wordt gevraagd naar de onderliggende huurrelatie. Eerst toen ik de oproepingsbrief voor vandaag ontving, werd mij duidelijk dat de zonen de verhuurders waren. Ik ging er altijd van uit dat [eisers] sr. de verhuurder was; hij kwam regelmatig in [bedrijf X] en de hier aanwezige [eisers] slechts incidenteel. Ik zag hem voorbij lopen, op weg naar huis, maar over [bedrijf X] heb ik hem nooit gehoord.”

Getuige [B] heeft als volgt verklaard:

“U houdt mij de bewijsopdracht voor.

In 2017 hoorde ik van [gedaagde 2] dat er problemen waren met [eisers] over de beëindiging van de huurovereenkomst van [bedrijf X] . Dat zal eind 2017 geweest zijn. Ik ken beiden, [gedaagde 2] en [eisers] , goed. Regelmatig dronken wij een biertje. [eisers] kwam ook bij mij thuis of bij mijn vriendin.

Alvorens ik vragen zal beantwoorden die mij tijdens dit verhoor worden voorgelegd, geef ik u een verklaring gedateerd 4 november 2018. Ik ken [eisers] al zo’n 50 jaar, ik heb onder andere voor hem als voorman gewerkt in zijn schoonmaakbedrijf in Amsterdam (bij de ADM, schepencleaning).

Ik hoor u mijn verklaring van 4 november 2018 voorlezen. Ik heb deze verklaring opgesteld, omdat ik bang was dat ik dingen zou vergeten te vertellen. Het is een eigen initiatief van mij geweest.

U leest mij ook mijn verklaring voor van 7 maart 2018 (productie 8 conclusie van antwoord). Die verklaring handhaaf ik volledig. [eisers] kwam voorheen regelmatig bij mij, zeker elke week. Ik huur een bovenzolder van hem en regelmatig kwam hij bij mij wat drinken. Ik kan het mij niet zo herinneren wanneer hij tegen mij gezegd heeft dat [gedaagde 2] de huur heeft opgezegd van [bedrijf X] . Daar was ik in die tijd ook niet zo mee bezig, het was ook niet mijn zaak.

Op een vraag van mr. Goedhart antwoord ik als volgt.

Tussen [gedaagde 2] en [eisers] was er nooit een discussie over de beëindiging van de huurovereenkomst van [bedrijf X] . Samen maakten zij plannen voor de verbouwing van het hotel. [eisers] was voor iedereen de eigenaar van [bedrijf X] . Hij regelde alle zaken.”

Partij [C] heeft als volgt verklaard:

“Ik heb nu een eigen speciaal bierbrouwerij. Voorheen was ik als horeca-accountmanager in dienst van een Drankengroothandel en in die hoedanigheid kwam ik met enige regelmaat in de zaak van [gedaagde 2] , [bedrijf X] .

U houdt mij de bewijsopdracht voor. U vraagt mij of ik [eisers] sr. eerder heb ontmoet. Dat is volgens mij tweemaal geweest. Die ontmoetingen vonden plaats in [bedrijf X] . Hij sprak met mij over onroerend goedlocaties, onder andere over een nieuwe locatie, een fort gelegen in [plaats] . Ik sprak met hem over de mogelijke financiering. Ik had 20 jaar bij AB-Inbev gewerkt en wist ook dat er via die lijn mogelijkheden waren om een en ander te financieren.

Hij vertelde mij ook dat hij een hotel in [woonplaats 3] had aangekocht en dat [gedaagde 2] benaderd was om het hotel over te nemen. [bedrijf X] zou dan verkocht worden, zodat de familie [gedaagde 2] zich op het hotel zou kunnen focussen. Hoe hij dat precies formuleerde, kan ik mij niet zo herinneren, maar hij heeft dat wel zo gezegd.

Op vragen van mr. Kox antwoord ik als volgt.

Ik was niet op de hoogte van de huurrelatie tussen partijen, ik wist wel dat de familie [gedaagde 2] niet de eigenaar was van [bedrijf X] . [eisers] vertelde mij tijdens het gesprek dat hij wel de eigenaar was van [bedrijf X] . Bij een van de twee gesprekken was de hier aanwezige [eisers] aanwezig. [eisers] sr. legde ook uit waarom zijn zoon aanwezig was. Het zaken doen was een familiezaak volgens hem en op deze wijze kon zijn zoon instromen.”

Partij [eisers] sr. heeft als volgt verklaard:

“U houdt mij de bewijsopdracht voor. U vraagt mij of ik het proces-verbaal van de getuigenverhoren aan de zijde van [gedaagde 2] van 6 november jongstleden gelezen heb. De getuigenverklaringen heb ik inderdaad gelezen. U vraagt mij daarop te reageren naar aanleiding van hetgeen de getuigen hebben verklaard.

Mijn beide zoons, de eisers in deze zaak, zijn in 2011 eigenaar geworden van [bedrijf X] . De voormalige brandweerkazerne was bij inschrijving verkocht. Ik was erg trots op mijn beide zoons. In het verleden hadden zij een erfenis gekregen en ook heb ik hen altijd binnen de kaders van fiscale vrijstelling het nodige geschonken. Dat geld hebben ze niet aan andere zaken uitgegeven. Mijn zoons zijn met de verbouwing gestart. Het bleek dat een horecabestemming van het pand het meest voor de hand lag. Mijn zoons hebben mij gevraagd in contact te treden met een horeca-makelaar. Dat heb ik gedaan en zo ben ik in contact gekomen met [Y] . [Y] kende ik al van meerdere contacten. Zo heeft hij in opdracht voor mijn café in Heukelum een aantal keren de indeplaatsstelling geregeld. Het initiatief daartoe wordt altijd door de huurder genomen. En het was [Y] die dan contact met mij opnam.

Op enig moment – wij waren aan het werk in het pand – kwamen [gedaagde 2] en zijn vrouw binnen. Zij hadden interesse in het pand. Er zijn onderhandelingen gevoerd, vaak aan de keukentafel bij ons thuis. Daar waren ook mijn zoons aanwezig, soms de één, soms de ander. Er is door mij gezegd dat mijn zoons de eigenaar zijn van het pand. Bij de eerste ontmoeting hebben zij zich ook als eigenaar voorgesteld. Bij het overleg over de voorgevel - dat was een heikel punt - in relatie tot de gemeente ben ik alleen, samen met de architect, intensief betrokken geweest.

De huurovereenkomst is ruim tevoren toegezonden. Hij heeft dus kunnen lezen wie de verhuurders zijn.

Met betrekking tot de bewijsopdracht kan ik in het kort verklaren dat bij de gesprekken die met [gedaagde 2] zijn gevoerd met betrekking tot het hotel in [woonplaats 3] , die uiteindelijk tot een huurovereenkomst hebben geleid, nooit ter tafel is gekomen dat de huurovereenkomst met betrekking tot [bedrijf X] – in geval van huur van het hotel – zou eindigen.

In de tweede helft van het jaar 2015 was er een mogelijkheid voor onze familie om het hotel te verwerven. Wij wilden dat het hotel absoluut leeg zou zijn en dat was een moeilijke zaak. Er was ook een bewindvoerder in het spel en één en ander moest nog voorbereid worden. We zagen de aankoop van het hotel wel zitten. Strikt vertrouwelijk heb ik [gedaagde 2] en zijn vrouw laten weten dat het hotel in [woonplaats 3] mogelijk ons eigendom zou worden en heb ik gevraagd of zij mij konden adviseren of het exploiteren het hotel wel tot de mogelijkheden behoort. Ik wist dat [gedaagde 2] in het hotelleven had gezeten. Op dat moment was de gezondheid van [gedaagde 2] alles behalve goed. Ik kwam regelmatig bij [gedaagde 2] en zijn vrouw op bezoek in [bedrijf X] . Telkens vroegen zij mij of ik al nieuws had over het hotel. Halverwege maart is [gedaagde 2] geopereerd, dat was geen kleinigheid. Enkele dagen na zijn ontslag uit het ziekenhuis had ik gehoord dat er een bijeenkomst was in [bedrijf X] . Daar ben ik ook naar toegegaan. Op enig moment namen [gedaagde 2] en zijn vrouw mij apart en zij zeiden mij dat ik voor wat betreft het hotel nergens op hoefde te rekenen. Zij zeiden dat zij blij waren “dat [gedaagde 2] nog het leven had”. Van belang is op te merken dat 15 april 2016 de familie [eisers] eigenaar is geworden van het hotel.

In mei 2016 was er nog steeds geen gegadigde voor het hotel. Mijn zoons kwamen op het idee om het hotel op te ruimen; het hotel was 15 jaar niet in gebruik geweest. Wij hadden besloten af te zien van plannen om het pand in [woonplaats 3] te verbouwen in appartementen. Het pand had als bestemming “hotel” en toen is het plan opgevat om daar mee verder te gaan. Besloten is om inventaris op te kopen. Die inventaris is uit Helmond opgehaald. Dat hebben we op advies van [gedaagde 2] gedaan met als achterliggende gedachte dat als het hotel enigszins was ingericht eventuele gegadigden zich een beter beeld van het object konden vormen.

In juni 2016 liep [gedaagde 2] er monter bij. Hij zei op een zeker moment dat hij interesse had in het hotel. Dat heb ik in de familie besproken. Er werd besloten dat [gedaagde 2] mee mocht kijken. In augustus was het duidelijk dat de andere serieuze gegadigde had afgezegd. Wij vonden dat er nu wel een ei gelegd moest worden. Halverwege augustus gaf [gedaagde 2] aan dat hij “door wilde schakelen”, dat wil zeggen dat hij het hotel wilde huren. Er waren afspraken met [gedaagde 2] gemaakt met het oog op ons huwelijksfeest, gepland op 3 september, waarvoor [gedaagde 2] de catering zou verzorgen. Het huwelijksfeest was ook in het hotel.

De onderhandelingen met [gedaagde 2] zijn in de tweede helft van de maand augustus tot begin september geweest. Stijn Timmermans, een horeca-makelaar, had ik gevraagd een huurindicatie te geven. Dat was niet in samenspraak met [gedaagde 2] . Wel heb ik [gedaagde 2] aan de makelaar een keer voorgesteld.

U vraagt mij op welk moment er overeenstemming werd bereikt over de huurovereenkomst, wanneer er een akkoord is bereikt over de huurprijs. Dat is in september geweest. Daarvoor zijn allerlei kwesties aan de orde geweest, wij dachten beiden na over de haalbaarheid – dat denken deden wij niet samen – en ook begreep ik van [gedaagde 2] dat een onderdeel van zijn besluitvorming was de waarde van [bedrijf X] , als ook de personeelsbezetting, dat laatste vermoed ik. In de gesprekken met [gedaagde 2] , waarbij vaak ook zijn vrouw aanwezig was, is nooit aan de orde geweest de vraag of het voor hen wel te combineren was, [bedrijf X] en het hotel in [woonplaats 3] . Er is ook een e-mailwisseling geweest over de definitieve huurovereenkomst. Ik kan niet zo verklaren of er e-mailwisseling is geweest tussen mijn zoon Ivo en [gedaagde 2] of dat dat met mij is geweest. Het is ook Ivo geweest die de huurovereenkomst heeft opgesteld.

De eerste keer dat ik vernam dat [gedaagde 2] de huurovereenkomst met betrekking tot [bedrijf X] wilde beëindigen was het moment dat ik werd benaderd door zijn adviseur [adviseur] . Er zijn drie gesprekken met [adviseur] gevoerd. De eerste keer voor de kerst (22 december 2017) met mij alleen, ik wist toen nog niet waarvoor hij kwam. De tweede keer (2 januari) met mijn zoons erbij en de derde keer (23 januari) met mij alleen. Mijn zoons hadden mij opgedragen met voorstellen van [adviseur] niet akkoord te gaan.

Op vragen van mr. Kox antwoord ik als volgt:

Mr. Kox vraagt mij naar aanleiding van de verklaring die [Z] eerder heeft afgelegd. U leest een deel van zijn verklaring voor, te weten dat ik volgens [Z] gezegd zou hebben dat de familie [gedaagde 2] [bedrijf X] zou laten vallen als zij besloten in het hotel te stappen en dat dat letterlijk mijn woorden zijn geweest. Dat bestrijd ik. Inderdaad heb ik in die auto gezeten en ben ik meegereden, maar ik zou mij nooit tegenover derden over lopende zaken uitspreken. Ik kende [Z] niet.

Mij wordt ook gevraagd naar aanleiding naar de verklaring van [B] . Het klopt dat ik op enig moment met hem in bijzijn van zijn vriendin het pand in [woonplaats 3] heb laten zien en het klopt ook dat ik gevraagd heb of het pand iets voor de broer van de vriendin zou zijn. De verklaring van [B] heb ik gelezen. Ik betreur het dit te lezen en zijn kijk op onze vriendschap te moeten lezen.

Op de vraag van mr. Kox bevestig ik dat ik het sms-bericht heb ontvangen waarvan afschrift aan de verklaring van [adviseur] is gehecht.

U vraagt mij waarom ik niet uit eigen beweging verklaar dat wat [B] heeft verklaard onjuist is. Dat klopt. Zijn verklaring roept te veel emoties bij mij op en bij vriendschap moet ik denken aan onvoorwaardelijkheid en vertrouwen.

Op vragen van mr. Goedhart antwoord ik als volgt:

Mij wordt gevraagd naar het e-mailadres [e-mailadres] . Dit e-mailadres wordt door meerdere familieleden gebruikt en ook gelezen.

Mij wordt gevraagd naar aanleiding van de verklaring van [C] . Mij wordt de laatste alinea van zijn verklaring voorgehouden waar te lezen is dat volgens [C] ik gezegd zou hebben dat het zaken doen een familiezaak was en dat ik ook gezegd zou hebben dat op deze wijze mijn zoon zou kunnen instromen. Dat is niet correct. Ook hiervoor geldt dat ik dat nooit tegen derden zou zeggen. Het gesprek kan ik mij ook niet zo herinneren. Wanneer mij gevraagd wordt door mr. Goedhart of ik het zaken doen als een familiezaak beschouw antwoord ik dat alle zaken bij ons thuis aan de keukentafel worden besproken. Als vader voel ik mij verantwoordelijk voor dat het goed gaat met de familie, als er een risico is dat er stommiteiten worden begaan dan zal ik zeker optreden.

Mij wordt gevraagd ook te reageren op de verklaring van de getuige [adviseur] . Het is juist dat er een gesprek is geweest met [adviseur] , een tweede gesprek waarbij op verzoek van [adviseur] mijn zoons aanwezig waren. Dat was een gesprek met z’n vieren. Onjuist is dat ik alleen het woord zou hebben gevoerd.

Mij wordt ook gevraagd naar aanleiding van de verklaring van [adviseur] dat ik gezegd zou hebben “ [gedaagde 2] gaat daar toch failliet, hij gaat het daar toch niet redden”. Ik verklaar dat ter sprake is gekomen dat het goed zou zijn dat [gedaagde 2] terug zou gaan naar [woonplaats 2] , naar [bedrijf X] , omdat het daar goed liep. [adviseur] merkte op dat [gedaagde 2] veel geïnvesteerd had in het hotel, waarop ik geantwoord heb dat over een vergoeding van deze investeringen altijd gesproken kan worden. [adviseur] wees dat laatste af in de zin dat “dat nooit zou gebeuren”.”

Getuige [eisers] jr. heeft als volgt verklaard:

“U houdt mij de bewijsopdracht voor. Ik ben in dienst van een vastgoedbeheerder. Daarvoor heb ik ook bij de Hogeschool in [woonplaats 1] een opleiding gevolgd.

Over de bewijsopdracht kan ik niet veel verklaren. Ik kan enkel verklaren dat het moment waarop, uitgaande van de lezing van [gedaagde 2] , gesproken zou zijn over de beëindiging van de huurovereenkomst met betrekking tot [bedrijf X] niet heeft plaatsgevonden. Men heeft het over de maand maart 2016 dat daarover gesproken zou zijn. Toen waren wij nog geen eigenaar van het hotel in [woonplaats 3] , er was zelfs geen zekerheid dat wij dat zouden worden vanwege een ontbindende voorwaarde.

Op 15 april 2016 werden wij, – de familie – mijn broer en ik en mijn moeder en mijn zusje, eigenaar van het hotel. Toen kregen wij ook de sleutels en kon ik het hotel betreden. Daarvoor was ik nog niet eerder binnen geweest. Dat had te maken met de ontbindende voorwaarde. Ook mijn vader was niet eerder binnen geweest. Er is een bod uitgebracht op basis van de plek, het aantal vierkante meters en de soort bouw. De eerste maanden was er geen zicht op een toekomstige exploitatie van het hotel. Ik had contacten gelegd met hotelketens en op een zeker moment ook met een jonge ondernemer [ondernemer] . In juni 2016 toonde [gedaagde 2] interesse voor het hotel. Hij informeerde naar de huurprijs. Dat deed hij per e-mail halverwege juli 2016. Tegen [gedaagde 2] is gezegd dat de huurprijs nog niet bekend was en dat deze berekend moest worden door een bureau. In de loop van de maand augustus was er op hoofdlijnen overeenstemming over de huur. Dat was eind augustus en de huurovereenkomst is getekend op 15 september 2016. Nimmer of nooit is aan de orde geweest dat de huur inzake [bedrijf X] zou worden beëindigd. De huurovereenkomst is ook niet opgezegd en er is ook niet gezegd dat er in [woonplaats 2] gestopt zou worden.

In 2011 zijn mijn broer en ik eigenaar geworden van [bedrijf X] . [gedaagde 2] en zijn vrouw hebben dat altijd geweten, dat wij eigenaar zijn. Door hen is gezegd dat zij daar eerst achter kwamen op het moment van het tekenen van de huurovereenkomst in 2013. Dat vind ik opvallend; de huurovereenkomst was een maand eerder aan hen toegezonden door de makelaar. Ook over de exploitatie van [bedrijf X] zijn er regelmatig contacten geweest tussen mijn broer en ik en [gedaagde 2] en zijn vrouw. Er zijn gesprekken gevoerd over onderhoud en verzekeringen. Ook hebben mijn broer en ik een verbouwing van circa 80 vierkante meter geregeld. Dat verklaar ik naar aanleiding van uw vraag om te reageren op het verweer van [gedaagde 2] dat hij in deze zaak voert, te weten dat hij, naar zijn zeggen, met mijn vader heeft afgesproken dat de huurovereenkomst inzake [bedrijf X] zou eindigen in geval hij het hotel in [woonplaats 3] zou huren. In huur-gerelateerde zaken zijn er altijd gesprekken met ons gevoerd, waarmee ik bedoel mijn broer en ik.

Op vragen van mr. Kox antwoord ik als volgt:

Mr. Kox vraagt mij of wij ooit mijn vader hebben gemachtigd om namens ons op te treden. Dat hebben wij nooit gedaan.

Mr. Kox houdt mij ook de verklaring van [A] voor. Die verklaring heb ik zelf ook gelezen. Ik vind het opvallend wat zij verklaard, want ik kwam regelmatig in [bedrijf X] , in ieder geval één keer per maand aten wij daar als gezin en ik kwam er ook regelmatig voor een kop koffie. Bij die gelegenheden heb ik haar dan ook regelmatig gezien. Mr. Kox vraagt mij verder over een gesprek met [adviseur] , de adviseur die [gedaagde 2] had ingeschakeld. Mijn vader belde mij in december 2017 en vertelde dat [adviseur] met hem contact had gezocht. Hij wilde een gesprek. Later vertelde mijn vader dat er een gesprek met ons erbij gevoerd moest worden. Dat gesprek heeft in januari 2018 plaatsgevonden, bij ons thuis, waarbij ook mijn broer aanwezig was. Wij zaten daar met z’n vieren. [adviseur] vertelde dat het verstandig zou zijn dat [gedaagde 2] zich zou gaan concentreren op het hotel. In de brief van 30 november 2017 van mr. Goedhart (productie 5 dagvaarding) wordt gesproken over een concept. In het bijzonder pagina 2 van deze brief de vijfde alinea, aanvangende met de zin “in de eerste plaats is correct dat het gehuurde et cetera”. In die alinea wordt gesproken over een nieuw concept. Volgens [adviseur] moest [gedaagde 2] zich op het hotel concentreren en dat daarom de huur inzake [bedrijf X] moest worden beëindigd. Tijdens het gesprek met [adviseur] is gezegd door ons dat wij over de zaak zouden nadenken. Eerst tijdens dat gesprek werd het mij duidelijk dat [gedaagde 2] de huurovereenkomst inzake [bedrijf X] wilde beëindigen.

Vervolgens hebben wij gegoogeld op naam van de adviseur van [gedaagde 2] . Op internet kwamen wij allerlei zaken tegen in relatie tot de adviseur van [gedaagde 2] zoals faillissementsfraude en twee jaar gevangenisstraf. Er wordt ook gesproken over gedupeerde gezinnen. Wij hebben toen gezegd tegen mijn vader dat wij, mijn broer en ik, verder geen zaken met de adviseur van [gedaagde 2] wilden doen.

Op de vraag van mr. Kox antwoord ik dat de huur over de maand januari 2018 nog betaald is, maar dat we in deze maand moesten constateren dat eind januari het pand leeg was. In een brief zaten twee sleutels. Er waren meer sleutels. In een brief beriep [gedaagde 2] zich op mondelinge afspraken die volgens hem in augustus 2016 waren gemaakt met ons (productie 6 dagvaarding). In het pand troffen wij een enorme ravage aan, zelfs de stoppen in de meterkast waren eruit gehaald en op de muur was geschreven “jammer de bammer, wat zonde”. Ik wil daar aan toevoegen dat onze huurder als een dief in de nacht is vertrokken. De gang van zaken heeft enorme financiële gevolgen gehad voor mij en mijn broer, want tegenover de financiële lasten staat geen inkomen.

Op vragen van mr. Goedhart antwoord ik als volgt:

Mij wordt gevraagd of er door derden interesse is getoond in [bedrijf X] . Er is nooit concreet interesse geweest. Na eind januari staat het pand leeg. Het pand staat ook niet te huur. Er is immers nog steeds een huurovereenkomst met [gedaagde 2] . Het pand zou ook niet zomaar verhuurd kunnen worden aan derden gelet op de staat waarin het is achtergelaten. Er is ook geen huurder door [gedaagde 2] voorgedragen.”

2.10

De gemachtigde van [gedaagde 2] heeft in een uitvoerige conclusie na enquête, met daarin opgenomen citaten uit de verklaringen van de getuige, uiteengezet dat [gedaagde 2] in de bewijsopdracht is geslaagd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van partij [eisers] in conventie.

2.11

De gemachtigde van partij [eisers] concludeert dat [gedaagde 2] het bewijs niet heeft geleverd en concludeert tot handhaving van de vorderingen in de dagvaarding (en tot toewijzing daarvan).

2.12

Teneinde herhaling te vermijden, verwijst de kantonrechter naar de conclusies van partijen, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

2.13

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde 2] het aan hem opgedragen bewijs volledig heeft geleverd en dat op die grond de vorderingen van partij [eisers] in conventie moeten worden afgewezen. De kantonrechter voegt daar aan toe dat de in de rolbeschikking gegeven bewijsopdracht niet volledig is geformuleerd, daar immers als verweer was gevoerd door [gedaagde 2] dat hij met [eisers] sr was overeengekomen dat de huurovereenkomst inzake [bedrijf X] zou eindigen zodra hij het hotel in [woonplaats 3] in gebruik zou nemen, i.e. 1 november 2017. De kantonrechter leest de bewijsopdracht aldus. Partijen doen dat kennelijk ook.

Partij [eisers] wordt als de in het ongelijk gestelde procespartij veroordeeld tot betaling van de proceskosten, waaronder een bedrag van € 3.000,00 aan salaris gemachtigde (5 punten à € 600,00) en € 620,00 aan getuigentaxe. Aan de voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagde 2] komt de kantonrechter niet toe.

Motivering

[gedaagde 2] heeft zijn (bevrijdend) verweer uitvoerig, aan de hand van tal van feiten onderbouwd en toegelicht. In het bijzonder verwijst de kantonrechter naar de verklaring van [gedaagde 2] , waarin hij een beeld geeft van zijn relatie met [eisers] sr. en van de gesprekken en afspraken die met [eisers] sr. zijn gemaakt in aanloop tot het sluiten van een huurovereenkomst met de familie [eisers] met betrekking tot het hotel in [woonplaats 3] en de in dat kader gemaakte afspraak dat de huurovereenkomst met [bedrijf X] zou eindigen ingeval [gedaagde 2] huurder zou worden van het hotel in [woonplaats 3] . Niet weersproken is door [eisers] sr. dat zijn relatie met [gedaagde 2] (en zijn echtgenote) goed was. Het beeld dat de echtgenote van [gedaagde 2] van die relatie geeft, is niet betwist door partij [eisers] (en ook niet door [eisers] sr.). Terecht wordt door de gemachtigde van [gedaagde 2] opgemerkt dat aan de verklaring van [gedaagde 2] geen volledige bewijskracht toekomt, omdat [gedaagde 2] immers partijgetuige is. De verklaring van [gedaagde 2] wordt echter aangevuld met de verklaring van zijn echtgenote en met die van de overige getuigen, zoals door de gemachtigde van [gedaagde 2] , met citaten, wordt aangevoerd. Geen gronden zijn aanwezig (in feite ook niet aangevoerd door partij [eisers] ) om aan de verklaringen van de andere getuigen geen, dan wel onvoldoende bewijskracht toe te kennen. De verklaringen van de getuigen gehoord aan de zijde van [gedaagde 2] vormen, samengevoegd, volledig bewijs in het voordeel van [gedaagde 2] .

Nogmaals wordt verwezen naar de hiervoor geciteerde verklaringen van de getuigen waarvan de inhoud hier als herhaald moet worden beschouwd.

De reactie van partij [eisers] op de verklaringen van de getuigen die aan de zijde van [gedaagde 2] gehoord zijn, is in belangrijke mate formeel van aard. Volgens partij [eisers] kan er geen beëindigingsafspraak gemaakt zijn tussen [gedaagde 2] en [eisers] sr., omdat partij [eisers] eerst op 15 april 2016 eigenaar is geworden van het hotel te [woonplaats 3] en de huurovereenkomst met [gedaagde 2] met betrekking tot het hotel eerst op 15 september 2016 is gesloten. Betwist wordt ook dat [eisers] sr. bevoegd was om namens partij [eisers] (de beide zoons van [eisers] sr.) een dergelijke afspraak te maken. Ook wordt betwist dat er sprake zou zijn van aan hen toe te rekenen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van hun vader om namens hen op te treden.

Het enkele feit dat de familie [eisers] nog geen eigenaar was van het hotel in [woonplaats 3] en het wellicht nog onzeker was dat, zoals partij [eisers] aanvoert, zij de eigendom zou verwerven toen er tussen [gedaagde 2] en [eisers] sr. gesproken zou zijn (en volgens [gedaagde 2] ook afspraken gemaakt zijn) over de beëindiging van de huurovereenkomst inzake [bedrijf X] , staat het oordeel dat er tijdens de bijeenkomst in [bedrijf X] (waarover [gedaagde 2] , zijn vrouw en ook de getuige [A] hebben verklaard) over de beëindiging van de huur van [bedrijf X] is gesproken (en ook afgesproken) niet in de weg.

Terecht wordt ook door de gemachtigde van [gedaagde 2] opgemerkt dat de verklaringen van de overige getuigen aansluiten bij de verklaringen van [gedaagde 2] en zijn echtgenote.

De afspraak tussen [gedaagde 2] en [eisers] sr is ook volledig in lijn met de blijkens de huurovereenkomst overeengekomen termijn van 5 jaren, eindigend per 31 oktober 2017. Het is dan ook een volstrekt plausibele afspraak tussen partijen. Hiervoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde 2] het aan hem opgedragen bewijs heeft geleverd. In dat oordeel ligt tevens besloten dat, gelet op de feiten waarvan in rechte uitgegaan moet worden, het subsidiaire verweer van [gedaagde 2] omschreven in rechtsoverweging 2.7 tweede alinea zou slagen. Een beroep op artikel 3.4 van de huurovereenkomst komt partij [eisers] niet toe.

De kantonrechter komt dan ook tot de slotsom dat vast is komen te staan dat [eisers] sr. de beëindigingsafspraak met [gedaagde 2] met betrekking tot [bedrijf X] heeft gemaakt, erop neerkomend dat de huurovereenkomst inzake [bedrijf X] zou eindigen op het moment dat [gedaagde 2] huurder wordt van het hotel in [woonplaats 3] en het hotel in gebruik zal nemen, i.e. 1 november 2017.

De kantonrechter oordeelt eveneens dat, zo [eisers] sr. al niet gemachtigd was door zijn beide zoons om als vertegenwoordiger van hen deze beëindigingsafspraak met [gedaagde 2] te maken en buiten beschouwing latend het verweer van [gedaagde 2] dat de beide zoons slechts stromannen zijn van [eisers] sr., in ieder geval vaststaat dat de onderhandelingen/gesprekken in de aanloop tot het sluiten van de huurovereenkomst met betrekking tot het hotel in [woonplaats 3] door [eisers] sr. gevoerd zijn en dat [eisers] sr. ook degene was met wie [gedaagde 2] in hoofdzaak contact had inzake [bedrijf X] . Zo is onweersproken door [gedaagde 2] gesteld dat het [eisers] sr. was die aan [gedaagde 2] opgaf hoeveel huur er betaald moest worden. Het enkele feit dat het huurcontract op naam van de beide zoons van [eisers] sr. staat en dat het [gedaagde 2] eerder moet zijn opgevallen dat zij (in formele zin) de verhuurders waren, staat dit oordeel niet in de weg. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde 2] bewezen dat [eisers] sr ”de spin in het web” is in de beide huurzaken, zowel die met betrekking tot [bedrijf X] , als die met betrekking tot het hotel in [woonplaats 3] . Zo is [eisers] naast [eisers] betrokken geweest bij de emailwisseling over de te sluiten huurovereenkomst met betrekking tot het hotel. Verwezen wordt naar de door partij [eisers] als productie 15 in het geding gebrachte e-mails. [gedaagde 2] was al de nodige voorbereidingen aan het treffen in het hotel terwijl de afspraken nog niet op papier stonden en er zelfs nog over de te betalen huurprijs voor het hotel overleg gevoerd moest worden.

Samenvattend oordeelt de kantonrechter dat aldus voldoende feiten en omstandigheden zijn vastgesteld die partij [eisers] betreffen en die rechtvaardigen dat partij [eisers] in haar relatie tot [gedaagde 2] het risico van onbevoegde vertegenwoordiging draagt, zo al daar al sprake van zou zijn geweest.

Dat [gedaagde 2] na 31 oktober 2017 nog een jaar huur is blijven betalen voor [bedrijf X] en getracht heeft de onderneming aan derden te verkopen, alsmede de uitlatingen van [gedaagde 2] op Facebook (zo deze door hem geplaatst zouden zijn

– [gedaagde 2] betwist dit –) staat het oordeel – dat [gedaagde 2] het aan hem opgedragen bewijs volledig heeft geleverd – niet in de weg. Dat geldt ook voor de reactie van partij [eisers] dat [gedaagde 2] eerst in deze (het door de kantonrechter gehonoreerde ) verweer heeft gevoerd. De complexiteit van de feiten, door [gedaagde 2] aan zijn verweer ten grondslag gelegd, en het streven naar een minnelijke, dan wel praktische oplossing, zijn daar volgens [gedaagde 2] debet aan geweest.

[gedaagde 2] heeft daarvoor een plausibele verklaring gegeven. Hij heeft onder druk van [eisers] sr. gehandeld, die dreigde met het treffen van maatregelen wanneer de huur niet zou worden betaald. [gedaagde 2] heeft ook nog gepoogd een deel van de door hem in [bedrijf X] gedane investering door verkoop van zijn onderneming terug te verdienen. [gedaagde 2] is daarin niet geslaagd. Onduidelijk is gebleven of er tussen partijen is gesproken over de indeplaatsstellingsprocedure. [eisers] sr. heeft tijdens het getuigenverhoor er blijk van gegeven dat hij van de indeplaatsstellingsregels op de hoogte was en dat het aan de verhuurder is om met een door de huurder voorgestelde bedrijfsopvolger als opvolgend huurder in te stemmen.

Het vorenstaande samenvattend:

[gedaagde 2] heeft het aan hem opgedragen bewijs geleverd. De vorderingen van partij [eisers] in conventie worden afgewezen. Partij [eisers] wordt in conventie veroordeeld tot betaling van de proceskosten, met de wettelijke rente daarover als na vermeld. De kantonrechter komt aan de voorwaardelijke reconventionele vordering niet toe.

2.14

De kantonrechter voegt aan het bovenstaande toe dat het hem is opgevallen dat de reconventionele vordering voorwaardelijk is geformuleerd. Nu de vorderingen van partij [eisers] in conventie worden afgewezen, komt de kantonrechter aan de voorwaardelijke reconventionele vorderingen niet toe; derhalve komt de kantonrechter ook niet toe aan de gevorderde verklaring voor recht “dat vanaf deze datum voor [gedaagde 2] geen verplichtingen meer bestaan jegens [eisers] c.s. uit deze overeenkomst”. Desgevraagd heeft de gemachtigde van [gedaagde 2] op de comparitie verklaard dat de reconventionele vordering van [gedaagde 2] , ook voor wat betreft dit laatste deel, als voorwaardelijk moet worden beschouwd.

3 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende

3.1

wijst de vorderingen van partij [eisers] af;

3.2

veroordeelt partij [eisers] tot betaling van de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 2] begroot op € 3.000,00 wegens salaris gemachtigde en € 620,00 wegens getuigentaxe en, indien partij [eisers] deze proceskosten niet binnen veertien dagen betaalt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

3.3

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. W.H. van Empel en in het openbaar uitgesproken op