Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3682

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
15-08-2019
Zaaknummer
NL18.22743
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

IPR. Rechtsmacht vernietiging schenking. Ruime uitleg art. 7 herschikte EEX-verordening. Overeenkomst van schenking nauwst verbonden met land waar partij kenmerkende prestatie moet verrichten. Kenmerkende prestatie is betaling geldsom. Gewone verblijfplaats schenker. Betaling geldsom heeft plaatsgevonden in België. Nederlandse rechter onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/485
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL18.22743

Vonnis in incident van 2 mei 2019

in de zaak van

1 [namen eisers]
,
beiden wonende te [woonplaats eisers] ,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident, hierna samen te noemen: [gezamenlijke eisers] ,
advocaat S. van Helvert te [woonplaats] ,

tegen

[naam verweerster] ,
wonende te [woonplaats verweerster]
verweerster in de hoofdzaak,
eiseres in het incident, hierna te noemen: [naam verweerster] ,
advocaat M.J. Kooijman te Arnhem.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- het verweerschrift in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

[gezamenlijke eisers] heeft in de procesinleiding aangegeven dat zij optreedt als gevolmachtigde van de heer [naam] , hierna te noemen [naam] .

2.2.

[naam verweerster] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [gezamenlijke eisers] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.3.

[naam] en [naam verweerster] hadden vanaf 2000 een affectieve relatie die tot 2010 heeft geduurd.

2.4.

Niet in geschil is dat [naam] op 5 juli 2005 een bedrag van € 200.000,00 aan [naam verweerster] heeft betaald ten titel van lening, dat [naam] [naam verweerster] de verschuldigdheid van dit bedrag op 6 juli 2005 heeft kwijtgescholden en dat [naam] aldus, zoals van aanvang af de bedoeling was maar om fiscale redenen niet ineens is geschied, een bedrag van € 200.000,00 aan [naam verweerster] heeft geschonken.

2.5.

In de hoofdzaak vordert [gezamenlijke eisers] primair voor recht te verklaren dat de schenking rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden, althans vordert [gezamenlijke eisers] de schenking op deze grond te vernietigen, met veroordeling van [naam verweerster] tot terugbetaling van het dan onverschuldigd betaalde bedrag van € 200.000,00 (vermeerderd met misgelopen beleggingsrendement ad € 57.143,00).

2.6.

[gezamenlijke eisers] baseert de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op artikel 7 aanhef en lid 1 van de Herschikte EEX-verordening (nr. 1215/2012), waarin ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst een alternatieve bevoegdheidsgrondslag is neergelegd. Primair omdat de geldlening is te beschouwen als het verstrekken van een dienst door [naam] in de zin van sub b van deze bepaling. [naam] verstrekte het geld en woonde destijds in Nederland, aldus [gezamenlijke eisers] . Subsidiair omdat (het kwijtschelden van) de uit de geldlening voortkomende verbintenis tot terugbetaling door [naam verweerster] naar Nederlands recht moet worden beoordeeld en gelet op 6:116 BW in Nederland moet worden uitgevoerd.

2.7.

De in 2.5. bedoelde vorderingen in de hoofdzaak zien naar Nederlands recht niet op een verbintenis uit overeenkomst maar op een verbintenis die uit de wet ontstaat na rechtsgeldige vernietiging, in of buiten rechte, van een tot de overeenkomst leidende rechtshandeling. Het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in artikel 7 aanhef en lid 1 van de Herschikte EEX-verordening moet echter autonoom worden uitgelegd. Ter vaststelling van rechtsmacht mag ook het bestaan van de aan de overeenkomst ten grondslag liggende elementen worden beoordeeld, waarbij in dit geval met name het gestelde wilsgebrek bij het aangaan van de overeenkomst van schenking van belang is. Tussen de gestelde aanspraak op terugbetaling en de contractuele verbondenheid van [naam] en [naam verweerster] bestaat bovendien oorzakelijk verband in die zin dat zonder overeenkomst van schenking geen betaling zou hebben plaatsgevonden dus ook niet de gestelde aanspraak op terugbetaling zou zijn ontstaan. De vorderingen in de hoofdzaak zijn daarom te beschouwen als vorderingen ter zake van verbintenissen uit overeenkomst. Rechtsmacht komt in dit geval toe aan de rechter van de plaats van uitvoering van de schenkingsovereenkomst volgens artikel 7 aanhef en lid 1 van de Herschikte EEX-verordening en dus niet van de plaats van uitvoering van de verplichting tot terugbetaling waarop [gezamenlijke eisers] zich beroept. Vergelijk HvJ EU 20 april 2016, ECLI:EU:C:2016:282, NJ 2016/468, met name randnummers 52 tot en met 58.

2.8.

De overeenkomst van schenking betreft niet de koop en verkoop van onroerende zaken of de verstrekking van diensten. Wat dit laatste betreft is van belang dat het begrip diensten op zijn minst inhoudt dat de partij die ze verstrekt, tegen vergoeding een bepaalde activiteit verricht. Vergelijk HvJ EG 23 april 2009, ECLI:EU:C:2009:257, NJ 2013/285, specifiek randnummer 29. Van een dergelijke vergoeding is bij schenking geen sprake. De plaats van uitvoering is dus niet in artikel 7 aanhef en lid 1 onder b van de Herschikte EEX-verordening voorgeschreven, zodat gelet op sub c van deze bepaling sub a van deze bepaling van toepassing is.

2.9.

Dan is de vraag bij de uitvoering van welke verbintenis uit de overeenkomst van schenking moet worden aangesloten. In de rede ligt daarvoor de kenmerkende prestatie van deze overeenkomst te nemen. Advocaat-Generaal Y. Bot concludeert daartoe in randnummers 83 tot en met 86 van zijn conclusie voor het hiervoor onder 2.7. bedoelde arrest. Zie ECLI:EU:C:2015:274. Dit is bovendien in lijn met artikel 10 lid 1 j° artikel 4 leden 1 en 2 van de Rome I-Verordening (nr. 593/2008) en met het destijds geldende artikel 8 lid 1 j° artikel 4 leden 1 en 2 van het EVO-Verdrag (Trb. 1980, 156), waarin is voorgeschreven dat het bestaan en de geldigheid van een overeenkomst, zoals [gezamenlijke eisers] hier ter discussie stelt, wordt beheerst door het recht dat toepasselijk zou zijn indien de overeenkomst of de bepaling geldig zou zijn, hetgeen bij gebreke van rechtskeuze of een bijzondere overeenkomst het recht is van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft.

2.10.

De kenmerkende prestatie van een overeenkomst van schenking is de prestatie die om niet wordt verricht, in dit geval dus de betaling van een geldsom. Naar Nederlands recht moet de betaling worden gedaan aan de woonplaats van de schuldeiser (artikel 6:116 lid 1 BW), dus in dit geval worden uitgevoerd aan de woonplaats destijds van [naam verweerster] . Naar Belgisch recht moet de betaling worden gedaan ter woonplaats van de schuldenaar (artikel 1247 Burgerlijk Wetboek), dus in dit geval aan de woonplaats destijds van [naam] . Voor het bepalen van de plaats waar de betaling is uitgevoerd dient daarom eerst te worden vastgesteld welk recht de overeenkomst van schenking beheerst. Aan de hand van dat recht moet worden bepaald waar [naam] destijds heeft betaald. In dit verband geldt het volgende.

2.11.

Getoetst moet worden aan de hand van het destijds geldende EVO-Verdrag. Gesteld noch gebleken is dat in de overeenkomst een rechtskeuze is gemaakt. Dan wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden en wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land. Zie artikel 4 leden 1, 2 en 5 EVO-Verdrag. De kenmerkende prestatie bij schenking wordt verricht door de schenker en niet door de begiftigde. De overeenkomst wordt dan ook in beginsel beheerst door het recht van de toenmalige gewone verblijfplaats van [naam] .

2.12.

Het begrip gewone verblijfplaats moet hier feitelijk worden opgevat. Daaronder wordt begrepen de plaats waar een persoon daadwerkelijk en met enige duurzaamheid verblijft of waar het zwaartepunt van zijn maatschappelijk leven ligt. Daarbij komt ook betekenis toe aan de intentie van de betrokkene.

2.13.

[naam] verbleef in 2005 op meerdere plaatsen. In zijn [woonplaats] , verbleef hij alleen tijdens vakanties. Daar had hij dan ook niet zijn gewone verblijfplaats. Verder verbleef [naam] destijds afwisselend in [woonplaats] , waar hij een appartement bezat, in de gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven, bankierde, werkte en een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, en in [woonplaats] , in de woning annex tandartspraktijk van [naam verweerster] , waar [naam] eigen kledingkasten, een eigen studeerkamer en een grote kamer in de praktijk tot zijn beschikking had. In de regel was het stel vanaf zondagavond tot en met dinsdagavond in [woonplaats] en de rest van de week in [woonplaats] . Verder is van belang dat de geschonken geldsom zou worden aangewend voor de koop van een onroerende zaak in [woonplaats] , waar partijen na hun pensionering wilden gaan wonen en waarin destijds kinderen van [naam verweerster] hun intrek hebben genomen. Hieruit kan worden afgeleid dat [naam] in 2005 ten tijde van de schenking niet de intentie had om snel te gaan verblijven in het met de schenking gefinancierde pand, maar, in tegendeel, juist de intentie had om voorlopig te blijven verblijven in afwisselend [woonplaats] en [woonplaats] . Dat blijkt ook uit het feit dat [naam] tot 2010, toen de relatie met [naam verweerster] eindigde, nog steeds afwisselend in [woonplaats] en [woonplaats] verbleef.

2.14.

[naam] woonde dus in bij zijn partner [naam verweerster] als hij niet hoefde te werken en niet op vakantie was, maar verbleef verder daadwerkelijk en duurzaam in [woonplaats] en was door eigendom van een onroerende zaak, werkkring en registratie, ook duurzaam verbonden met [woonplaats] , terwijl zijn intentie was om dit voorlopig niet te veranderen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [naam] destijds in Nederland zijn gewone verblijfplaats had.

2.15.

Opgeworpen is nog dat de schenkingsovereenkomst nauwer is verbonden met België, zoals bedoeld in artikel 4 lid 5 van het EVO-Verdrag. Deze uitzondering op de hoofdregel van lid 2 moet echter restrictief worden gehanteerd. Van de hoofdregel behoort pas te worden afgeweken indien, gegeven de bijzonderheden van het geval, geoordeeld moet worden dat de plaats van vestiging van de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, geen reële aanknopingswaarde heeft. Zie HR 25 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0689, NJ 1992/750. Dat kan hier niet worden gezegd.

2.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat naar Nederlands recht moet worden beoordeeld waar de kenmerkende prestatie uit de schenkingsovereenkomst, dat is de betaling van een geldsom om niet door [naam] , is uitgevoerd. Zoals hiervoor is overwogen en [gezamenlijke eisers] zelf ook opwerpt volgt uit artikel 6:116 lid 1 BW dat [naam] de betaling moest doen aan de woonplaats van schuldeiser [naam verweerster] . De betaling is destijds dan ook uitgevoerd aan haar toenmalige woonplaats, [woonplaats] . Artikel 7 aanhef en onder 1 van de Herschikte EEX-verordening biedt dus geen grondslag voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter.

2.17.

Gesteld noch gebleken is dat een andere grondslag voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter van toepassing is op de in 2.5. bedoelde vordering. [gezamenlijke eisers] heeft, subsidiair en meer subsidiair, alternatieve juridische grondslagen opgevoerd voor de gevorderde terugbetaling. Deze grondslagen kunnen niet dienen voor het aannemen van rechtsmacht, reeds niet nu niet kan worden beoordeeld of aan deze (meer) subsidiaire grondslagen zal worden toegekomen. Dat is aan de bevoegde rechter.

2.18.

Gelet op het voorgaande moet de incidentele vordering worden toegewezen.

2.19.

[gezamenlijke eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, te begroten op salaris advocaat ad € 543,00 (1 punt, tarief II), vermeerderd met de nakosten.

2.20.

[gezamenlijke eisers] zal in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu zij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van [naam verweerster] in de hoofdzaak worden begroot op het griffierecht ad € 1.565,00.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

3.2.

veroordeelt [gezamenlijke eisers] in de kosten van het incident, aan de zijde van [naam verweerster] tot op heden begroot op € 543,00,

3.3.

veroordeelt [gezamenlijke eisers] tevens in de nakosten, aan de zijde van [naam verweerster] bepaald op € 157,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 82,00 voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening,

3.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.5.

veroordeelt [gezamenlijke eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [naam verweerster] tot op heden begroot op € 1.565,00

3.6.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2019.