Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3558

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
05.036798.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf vanwege stalking van medewerkers van de WUR en een huisartsenpraktijk en bedreiging van een voormalig staatssecretaris, een advocaat en de medewerkers van een gerechtsdeurwaarderskantoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.036798.19

Datum uitspraak : 23 juli 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- en of verblijfplaats hier ten lande,

thans gedetineerd te P.I. Overijssel - HvB Zwolle,

raadsvrouw: mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Haarlem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 08 april 2017 tot en met 05 januari 2019, in de gemeente(n) Arnhem en/of Wageningen, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, genaamd [slachtoffer 1] (medewerker van de Wageningen University en/of de Stichting Wageningen Research), en/of een of meerdere andere medewerker(s) van de Wageningen University en/of de Stichting Wageningen Research, in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of die andere medewerker(s) van de Wageningen University en/of de Stichting Wageningen Research, in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij aldaar in genoemde periode

- veelvuldig e-mailberichten verzonden aan die [slachtoffer 1] en/of die andere medewerker(s)

van de Wageningen University en/of de Stichting Wageningen Research en/of

- veelvuldig bedreigingen en/of beledigingen geuit en/of bedreigende en/of beledigende

teksten uitgesproken aan het adres van die [slachtoffer 1] en/of die andere medewerker(s) van

de Wageningen University en/of de Stichting Wageningen Research.

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 november 2018 tot en met 05 februari 2019, in de gemeente Arnhem, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, genaamd [slachtoffer 2] (medewerker van [bedrijf 1] ), en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 3] (huisarts), en/of een of meerdere andere medewerker(s) van [bedrijf 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die andere medewerker(s) van [bedrijf 1] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij aldaar in genoemde periode

- veelvuldig e-mailberichten verzonden aan die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die andere medewerker(s) van [bedrijf 1] , en/of

- veelvuldig die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die andere medewerker(s) van

[bedrijf 1] opgebeld en/of telefonisch benaderd.

3.

hij op of omstreeks 19 december 2018, in de gemeente(n) Arnhem en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 4] ( [functie 1] ), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend een bericht (tweet) op het internet (Twitter) te plaatsen met de tekst: “ [naam 1] : Ik trap je in elkaar, ik hoop dat ik je ooit tegen kom.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

4.

hij op of omstreeks 01 februari 2019, althans in de periode van 01 januari 2019 tot en met 01 februari 2019,in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 5] (advocaat), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend een e-mailbericht te versturen aan genoemde [slachtoffer 5] met de tekst: “I will kill you.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

5.

hij op of omstreeks 10 januari 2019, althans in de maand januari 2019, in de gemeente(n) Arnhem en/of Ede, althans in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 6] (officemanager bij [bedrijf 2] ), en/of een of meerdere andere medewerker(s) van [bedrijf 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting, door opzettelijk dreigend een e-mailbericht te versturen aan [bedrijf 2] met de tekst:

“Geachte motherfuckers van [bedrijf 2] , Willen jullie mij uit met een sterke arm uit mijn huis verwijderen? Wedden dat ik jullie moeders en hele families neuk? 7 Februari, ik wil graag een sterke arm zien, kijk hoe ik het breek :) Kanker volk.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van de (medewerkers) van de Universiteit Wageningen en Stichting Wageningen Research (samen: WUR).

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte (partieel) moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte ontkent een e-mailbericht aan [slachtoffer 1] te hebben gestuurd en daarvan ook geen bericht in het dossier is opgenomen. Daarnaast kan de WUR als rechtspersoon niet het slachtoffer worden van belaging. Ten aanzien van de medewerkers van de WUR kan niet worden vastgesteld dat de gedragingen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd als het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van niet nader genoemde en omschreven personen c.q. medewerkers.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op basis van de door de WUR in een Excel bestand aangeleverde e-mails niet kan worden geoordeeld dat sprake is van een strafbare bedreiging. Er kan immers niet worden vastgesteld dat sprake is van vrees aanjagen dan wel veelvuldig bedreigingen uiten.

Beoordeling door de rechtbank

Aangifte belaging

[slachtoffer 1] ( [functie 2] van de WUR) doet op 7 januari 2019, mede namens zijn collega’s, aangifte van belaging. Volgens hem heeft verdachte in de periode van 8 april (nadat aan hem een aangetekende stopbrief was verstuurd) tot en met 5 januari 2019 meerdere e-mailberichten gestuurd die in de loop van de tijd van kwaad naar erger gingen en in steeds grotere aantallen werden verstuurd. Door [slachtoffer 1] en zijn collega’s zijn in totaal 3.688 e-mails van verdachte ontvangen die zij als beledigend en bedreigend hebben ervaren.2 [slachtoffer 1] heeft ook op 7 januari 2019 een klacht ingediend ter zake belaging, waarbij hij heeft aangegeven dat hij en zijn collega’s – zelfs na de aangetekende brieven – nog met e-mails van verdachte worden bestookt.3

Hoeveelheid en strekking van de e-mails

Verdachte heeft erkend dat hij tussen de 3.000 en 4.000 mails aan de WUR heeft gestuurd. Hij hoopte op deze manier uitgenodigd te worden voor een gesprek.4

Door de WUR is een staafdiagram opgemaakt met daarin een overzicht van de hoeveelheid e-mails die de WUR over de gehele periode heeft ontvangen, aan wie deze e-mails waren gericht en of deze personen zich beledigd en/of bedreigd hebben gevoeld.5

De rechtbank is van oordeel dat deze staafdiagram voldoende inzichtelijk is en maakt hieruit op dat verdachte over de ten laste gelegde periode een grote hoeveelheid e-mails aan verschillende medewerkers van de WUR heeft gestuurd, waarvan in ieder geval 43 mails als beledigend en ongeveer 26 mails als bedreigend zijn ervaren door de medewerkers van de WUR.

Een deel van deze e-mailberichten zijn ook aan het dossier toegevoegd. Zo is op 27 juni 2017 door verdachte een e-mail gestuurd die gericht is aan tientallen medewerkers van de WUR (de rechtbank maakt dit op uit de e-mailadressen die eindigen met @ wur.nl) met als onderwerp “Ultimatum: This is you final warning WUR”, met daarin de tekst:

"To [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] ,

I shall Raise Hell Upon your Ivory Tower!

You have Till 15:00 of today to reply to my

emails!"6

Daarnaast is op 6 augustus 2017 door verdachte een e-mail gestuurd die is gericht aan een aantal medewerker van de WUR met als onderwerp “Het gaat niet goed met de WUR”, met daarin de tekst:

"Sue me, you lowlife scum, sue me!

Fucking Imbeciles, all of you!

Disgrace to science, disgrace to humanity!"7

De rechtbank is gezien de inhoud van de voornoemde e-mailberichten van oordeel dat de berichten die verdachte heeft gestuurd beledigend en/of bedreigend van inhoud zijn geweest.

Conclusie

De rechtbank is – anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat met tegen een rechtspersoon gerichte gedragingen weldegelijk stelselmatig wederrechtelijk inbreuk kan worden gemaakt op de aldaar werkzame (of verblijvende) personen die deze berichten ontvangen. De opvatting van de raadsvrouw dat voor een bewezenverklaarde stalking slechts die e-mails die met naam en toenaam aan de betrokken personen zijn gericht en in hun persoonlijke mailbox zijn bezorgd een rol kunnen spelen, is volgens de rechtbank te beperkt. Voorts is het volgens bestendige jurisprudentie zo dat de persoonlijke levenssfeer van werknemers mede de werkvloer kan omvatten.8

Gelet op de intensiteit, duur en frequentie van de gedragingen van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 8 april 2017 tot en met 5 januari 2019 wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers van de WUR door hen vele e-mailberichten te sturen met al dan niet bedreigende en/of beledigende inhoud.

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van de (medewerkers) van de [bedrijf 1] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte (partieel) moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de stelselmatigheid niet kan worden bewezen, nu slechts een zevental e-mailberichten aan het dossier zijn toegevoegd.

Daarnaast is het Twitterbericht en de informatiebrief (stopbrief) waar in de aangifte naar wordt verwezen niet aan het dossier toevoegt.

Beoordeling door de rechtbank

Aangifte stalking

[slachtoffer 2] (HAGRO-manager bij de [bedrijf 1] ) doet op 5 februari 2019 – mede namens de huisartsenpraktijk – aangifte van belaging. Sinds 15 november 2018 ontvangt de huisartsenpraktijk e-mails van verdachte (die een ex-patiënt van hen is). Deze mails zijn in het algemeen gericht aan de praktijk, maar ook noemt hij in een aantal mails een van de huisartsen, [slachtoffer 3] . Omdat verdachte niet stopte met e-mailen is besloten om aangifte te doen. Naast het sturen van e-mailberichten belt verdachte de huisartsenpraktijk meermaals achter elkaar op. Er is op een gegeven moment contact met verdachte geweest waarbij hem is gezegd dat hij hiermee moest stoppen.9[slachtoffer 2] heeft ook op 6 februari 2019 ter zake belaging een klacht ingediend.10

Hoeveelheid en strekking van de e-mailberichten

Verdachte heeft erkend dat hij de e-mailberichten heeft gestuurd.11 In zijn medisch dossier zou informatie staan die niet juist was en hij wilde dat die informatie werd weggehaald, omdat deze anders ter beschikking van de andere huisarts zou komen.

In het dossier bevinden zich een zevental e-mailberichten die onder andere zijn verstuurd naar de [bedrijf 1] en voor een deel direct gericht zijn aan mevrouw [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt dat zij huisarts is bij de [bedrijf 1] ).

Zo heeft verdachte op 15 november 2018 een e-mail naar de [bedrijf 1] gestuurd met daarin de tekst:

Geachte Officier van Justice,

1. Wat betekent Kanker?

3. Ik heb beelden die ik graag wil laten zien aan u: en als u uw werk niet gaat doen dan

mag u echt een grote dildo gaan kopen en figurlijk en letterlijk in uw kont steken, maar

voordat u dat doet moet u eerst een glijmiddel kopen, wellicht kan Marcouch helpen.

Zelfde geldt voor de huisarts, wijkteam, [naam 6] : motherfuckers jullie moeten met

bewijzen komen en anders mogen jullie het lekker zelf gaan doen met de OM en

Marcouch.

4. Achterlijke kut religies: Islam, Christendom, Jodendom, Wetenschap!

Hoogachtend,

[verdachte] 12;

Verder zit in het dossier in e-mailbericht die verdachte op 17 december 2018 naar de huisartsenpraktijk heeft verstuurd. Deze e-mail is gericht aan [slachtoffer 3] met daarin de tekst: “krijg de kanker, kanker!13

Ook zit in het dossier een e-mailbericht die verdachte op 25 december 2018 naar de huisartsenpraktijk heeft verstuurd met daarin de tekst:

Geachte mevrouw [slachtoffer 3] ,

Wilt u zien hoe u achter mijn rug communiceert met [naam 7] ?

Vriendelijke groeten,

[verdachte]

PS: Camera Beelden…14

Op 26 december 2018 heeft verdachte wederom een naar de huisartsenpraktijk verstuurd met als onderwerp “FUCK YOU!” en daarin een screenshot van camerabeelden.15

De rechtbank maakt hieruit op dat in de mail van 25 december 2018 wordt verwezen naar deze screenshot en dat op de screenshot een medewerker van de huisartsenpraktijk zichtbaar en herkenbaar is.

Conclusie

De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de inhoud van de aangifte, nu daarvoor enige onderbouwing ontbreekt. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook indien slechts zeven berichten aan het dossier zijn toegevoegd onder bepaalde omstandigheden sprake kan zijn van belaging. In dit geval speelt voor de beoordeling door de rechtbank mee dat het gaat om een korte periode, waarbij herhaaldelijk werd gemaild, deze e-mails een persoonsgerichte, beledigende en/of dreigende strekking hadden, verdachte veelvuldig naar de huisartsenpraktijk heeft gebeld en hij daarnaast ook nog een foto van een medewerker op social media (Twitter) heeft geplaatst. Met dat laatste is een aanzienlijke inbreuk gemaakt op de privacy van een medewerker van de huisartsenpraktijk.

Gelet op de intensiteit, in een relatief kort tijdsbestek en frequentie van de gedragingen van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 15 november 2018 tot en met 5 februari 2019 wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers van de [bedrijf 1] .

Feit 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 19 december 2018 een bericht op Twitter geplaatst dat gericht is aan aangever [slachtoffer 4] met de navolgende tekst: “[naam 1] : Ik trap je in elkeer, ik hoop dat ik je ooit tegen kom :)”. Deze tweet heeft aangever [slachtoffer 4] op 8 januari 2019 bereikt en hij voelde zich hierdoor bedreigd.16

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte door het versturen van de tweet slechts in gesprek wilde komen met aangever en daardoor geen opzet heeft gehad op bedreiging.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank begrijpt dat verdachte met de tweet heeft bedoeld: “[naam 1] : Ik trap je in elkaar, ik hoop dat ik je ooit tegen kom :)”.

Gelet op de aard van het door verdachte geplaatste tweet kon bij aangever [slachtoffer 4] (voormalig staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) de redelijke vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. De rechtbank acht daarbij van belang dat de tweet rechtstreeks aan aangever is gericht en redelijkerwijs niet van hem kan worden verwacht dat hij zich van enige specifieke context waarin de tweet zou zijn verstuurd – zou dat al het geval zijn geweest – zou vergewissen. Dat verdachte geen opzet heeft gehad op bedreiging acht de rechtbank, gelet op de tekst van de tweet, niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op bedreiging met zware mishandeling.

Feit 4

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 1 februari 2019 een e-mailbericht verstuurd aan aangever [slachtoffer 5] met de navolgende inhoud: “I wil kill you’”. Bij aangever bestond het idee dat verdachte hem daadwerkelijk iets aan zou kunnen doen.17

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte door het versturen van de e-mail slechts kenbaar wilde maken dat hij klaar was voor de procedure tegen de WUR en daardoor geen opzet heeft gehad op bedreiging.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Gelet op de aard van het door verdachte verstuurde e-mailbericht kon bij aangever [slachtoffer 5] de redelijke vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. De rechtbank acht daarbij van belang dat het e-mailbericht rechtstreeks aan aangever is gericht en redelijkerwijs niet van hem kan worden verwacht dat hij zich van een andere betekenis achter de zeer specifieke woorden: “I will kill you” – zou dat al het geval zijn geweest – zou vergewissen. Dat verdachte geen opzet heeft gehad op bedreiging acht de rechtbank, gelet op de inhoud van het bericht, niet aannemelijk. De manier waarop verdachte dit heeft gedaan, namelijk als reactie op de dagvaarding die hij eerder die dag van aangever had ontvangen, kan zeer bedreigend overkomen en blijkens de aangifte heeft aangever dit ook zo ervaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 5

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 10 januari 2019 een e-mailbericht verstuurd aan aangever [bedrijf 2] met daarin de tekst: “Geachte motherfuckers van [bedrijf 2] , Willen jullie mij uit met een sterke arm uit mijn huis verwijderen? Wedden dat ik jullie moeders en hele families neuk? 7 Februari, ik wil graag een sterke arm zien, kijk hoe ik het breek :) Kanker volk”. Deze mail veroorzaakte gevoelens van angst onder het betrokken personeel van [bedrijf 2] .18

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdacht dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging, nu de tekst op zichzelf genomen een onvoldoende bedreigend karakter heeft.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en sluit zich daarbij aan bij het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw – de ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Uit de bewoordingen van de door verdachte verstuurde mail kan worden afgeleid dat deze naar inhoud gericht is op bedreiging met verkrachting van de moeders en familieleden van de medewerkers van [bedrijf 2] . Hoewel het object van de bedreiging met verkrachting in dit geval dus de moeders en familieleden van de medewerkers van [bedrijf 2] zijn, volgt uit de tekst van het e-mailbericht overduidelijk dat de medewerkers hieronder zouden moeten lijden. In die zin is de bedreiging geschikt geweest om de vrees voor inbreuk op de persoonlijke vrijheid van hen te bewerkstelligen. Nu de persoonlijke vrijheid het belang is dat artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht beoogt te beschermen, valt genoemde bedreiging onder het bereik van genoemd artikel. Dat verdachte geen opzet heeft gehad op bedreiging acht de rechtbank, gelet op de inhoud van het e-mailbericht en de hoeveelheid e-mailberichten die hier aan voorafgaand en nadien zijn verstuurd maar niet zijn ten laste gelegd, niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op bedreiging met verkrachting.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feiten 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 08 april 2017 tot en met 05 januari 2019, in de gemeente(n) Arnhem en/of Wageningen, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, genaamd [slachtoffer 1] (medewerker van de Wageningen University en/of de Stichting Wageningen Research), en/of een of meerdere andere medewerker(s) van de Wageningen University en/of de Stichting Wageningen Research, in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of die andere medewerker(s) van de Wageningen University en/of de Stichting Wageningen Research, in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij aldaar in genoemde periode

- veelvuldig e-mailberichten verzonden aan die [slachtoffer 1] en/of die andere medewerker(s)

van de Wageningen University en/of de Stichting Wageningen Research en/of

- veelvuldig bedreigingen en/of beledigingen geuit en/of bedreigende en/of beledigende

teksten uitgesproken aan het adres van die [slachtoffer 1] en/of die andere medewerker(s) van

de Wageningen University en/of de Stichting Wageningen Research.

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 november 2018 tot en met 05 februari 2019, in de gemeente Arnhem, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, genaamd [slachtoffer 2] (medewerker van [bedrijf 1] ), en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 3] (huisarts), en/of een of meerdere andere medewerker(s) van [bedrijf 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die andere medewerker(s) van [bedrijf 1] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij aldaar in genoemde periode

- veelvuldig e-mailberichten verzonden aan die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die andere medewerker(s) van [bedrijf 1] , en/of

- veelvuldig die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die andere medewerker(s) van

[bedrijf 1] opgebeld en/of telefonisch benaderd.

3.

hij op of omstreeks 19 december 2018, in de gemeente(n) Arnhem en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 4] ( [functie 1] ), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend een bericht (tweet) op het internet (Twitter) te plaatsen met de tekst: “ [naam 1] : Ik trap je in elkaar, ik hoop dat ik je ooit tegen kom.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

4.

hij op of omstreeks 01 februari 2019, althans in de periode van 01 januari 2019 tot en met 01 februari 2019, in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 5] (advocaat), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend een e-mailbericht te versturen aan genoemde [slachtoffer 5] met de tekst: “I will kill you.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

5.

hij op of omstreeks 10 januari 2019, althans in de maand januari 2019, in de gemeente(n) Arnhem en/of Ede, althans in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 6] (officemanager bij [bedrijf 2] ), en/of een of meerdere andere medewerker(s) van [bedrijf 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting, door opzettelijk dreigend een e-mailbericht te versturen aan [bedrijf 2] met de tekst:

“Geachte motherfuckers van [bedrijf 2] , Willen jullie mij uit met een sterke arm uit mijn huis verwijderen? Wedden dat ik jullie moeders en hele families neuk? 7 Februari, ik wil graag een sterke arm zien, kijk hoe ik het breek :) Kanker volk.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2, telkens:

belaging, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

bedreiging met zware mishandeling;

Ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 5:

bedreiging met verkrachting, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren en geëist dat hij ter zake van het onder de feiten 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van het de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 187 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering. In aanvulling op de bijzondere voorwaarden heeft de officier van justitie verzocht om ook een contactverbod met de slachtoffers op te leggen. Voorts heeft de officier van justitie verzocht de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan verdachte te gelasten, voor zover deze nog niet zijn teruggeven.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 (partiële) vrijspraak bepleit.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht bij bepaling van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte een first offender is en verdachte ten tijde van als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen. De raadsvrouw acht een deels voorwaardelijke straf passend en heeft verzocht om daaraan de voorwaarden, zoals door de reclassering is geadviseerd, te verbinden en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 14 juni 2019;

- een voorlichtingsrapportage van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gedateerd 18 juli 2019 en

- een monodisciplinair rapport van [naam 8] , GZ-psycholoog, gedateerd 21 mei 2019.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van medewerkers van de WUR en medewerkers van de [bedrijf 1] . Door zo te handelen heeft verdachte een behoorlijke inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Naast de stalking van voornoemde medewerkers heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van een voormalig staatssecretaris, een advocaat en de medewerkers van een gerechtsdeurwaarderskantoor. Deze personen hebben net als ieder het recht gevrijwaard te blijven van strafbare bedreigingen. Verdachte zag zijn handelen destijds naar eigen zeggen niet als belagend en bedreigend en gaf hier een andere inkleuring aan. De rechtbank kan zich enigszins de gevoelens van frustratie van verdachte voorstellen – voor zover hij geen reactie kreeg op vriendelijke verzoeken –, maar dit rechtvaardigt geenszins deze gedragingen. Het zijn ernstige en vervelende feiten die bij de slachtoffers voor veel overlast, spanning en gevoelens van angst hebben gezorgd. Zo heeft de Wageningen University extra beveiliging bij de receptie van gebouwen en op opendagen ingezet vanwege de voortduren stroom aan bedreigende en beledigende berichten van verdachte. Ook hebben zij de op enig moment een e-mailfilter geïnstalleerd waarmee de e-mails van verdachte konden worden afgevangen om de medewerkers en het bestuur hiervan te vrijwaren. De rechtbank neemt dit verdachte ernstig kwalijk.

Over verdachte is een rapportage opgesteld door een GZ-psycholoog. Uit het rapport blijkt dat er bij verdachte ten tijde van sprake was van een ongespecificeerde stoornis in het schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis. Volgens de psycholoog werd zijn gedrag ten tijde van het ten laste gelegde gestuurd vanuit zijn paranoïde waan (in het kader van de psychotische stoornis). Daarnaast is er sprake van een onrijpe en kwetsbare persoonlijkheid en zijn er enige aanwijzingen voor narcistische kenmerken, zoals krenkbaarheid, beperkt empathisch vermogen en de verwachting dat anderen automatisch meegaan met zijn wensen, deze zouden ook verband kunnen houden met de psychotische problematiek. Indien verdachte zijn medicatie voor zijn ADHD (Ritalin) niet volgens voorschrift gebruikt, heeft dit de drempel naar grensoverschrijdend gedrag waarschijnlijk verder verlaagd. De psycholoog acht het van belang dat – rekening houdend met de aard van de problematiek, de kwetsbaarheid van verdachte en het recidivegevaar – de interventies die gericht zijn op behandeling van de problematiek van verdachte om recidive te voorkomen dienen plaatsvinden in een langdurig kader met voldoende mogelijkheden tot ambulante behandeling en begeleiding in aansluiting op een relatief kort klinisch traject. De psycholoog adviseert verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, aangezien hij wel het ontoelaatbare en strafbare karakter van zijn handelen voldoende heeft in kunnen zien, maar zou zo overmand door zijn emotie zijn geweest dat hij niet conform dit besef heeft kunnen handelen.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de psycholoog over en zal bij de bepaling van de straf uitgaan van verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Voorts heeft de rechtbank ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering. De reclassering onderschrijft de bevindingen en de conclusies van de psycholoog en adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, klinische behandeling, ambulante behandeling, begeleid wonen. Verdachte is aangemeld bij FPA De Boog in Warnsveld en De Boog schat een klinische behandeling voor de duur van 18 maanden noodzakelijk. Indien er een dadelijk

uitvoerbaar toezicht wordt opgelegd, zou verdachte per 6 augustus 2019 kunnen worden opgenomen. Verder acht de reclassering een fors voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk, nu dit kan fungeren als een ''stok achter de deur'' voor verdachte.

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsvouw – van oordeel dat behandeling voorop moet staan bij verdachte. Om behandeling mogelijk te maken en verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 300 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 187 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank zal aan voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd. Verdachte heeft zich ter terechtzitting ook bereid verklaard de voorwaarden na te komen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op 6 augustus 2019 opgenomen kan worden bij FPA De Boog in Warnsveld. De rechtbank acht het wenselijk dat de voorlopige hechtenis van verdachte pas wordt opgeheven zodra hij daar kan worden opgenomen. De rechtbank ziet hierin, en mede in de omstandigheid dat de kans op herhaling van een misdrijf met schade voor personen groot is, aanleiding te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet, de teruggave zal worden gelast van het na te melden voorwerp, te weten twee telefoons en een computer, aan verdachte.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) dagen;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 187 (honderdzevenentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarde dat veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich bij het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering op [adres 1] zal melden. Hierna zal hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit nodig acht. Daarbij zal hij zich ook houden aan de aanwijzingen van de reclassering;

- zich op 6 augustus 2019 verplicht zal laten opnemen in FPA De Boog of een soortgelijke intramurale instelling. Dit voor de duur van maximaal 18 maanden, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ. Daarbij zal veroordeelde zich houden aan de afspraken, regels en aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven. Dit houdt ook in dat hij zijn mee zal werken aan diagnostisch onderzoek. Indien het beveiligingsniveau van een FPA onvoldoende blijkt, dient veroordeelde mee te werken aan een overplaatsing naar een FPK of een soortgelijke intramurale instelling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van die behandeling. Een verbod op het gebruik van social media, PC, tablet/laptop of smartphone, zal onderdeel zijn van de behandeling, zolang de behandelaar en reclassering dit nodig acht;

- zich, na de klinische behandeling, verplicht zal laten behandelen voor zijn persoonlijkheidsproblematiek, bij Transfore (FACT) of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering. Daarbij zal hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van die behandeling;

- na afloop van de klinische behandeling mee zal werken aan een opname in een instelling voor begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering. Daarbij zal veroordeelde zich houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, voor zover en zolang de reclassering dit nodig acht;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum 2] en domicilie kiezende aan de [adres 2] , met uitzondering indien de reclassering hiervoor toestemming geeft en zolang de reclassering dit nodig acht;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 3] en domicilie kiezende aan de [adres 3] , met uitzondering indien de reclassering hiervoor toestemming geeft en zolang de reclassering dit nodig acht;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact op zal nemen, zoeken of hebben met medewerkers van de Wageningen University en de Stichting Wageningen Research (WUR), gevestigd aan de [adres 4] , met uitzondering indien de reclassering hiervoor toestemming geeft en zolang de reclassering dit nodig acht;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact op zal nemen, zoeken of hebben met medewerkers van de [bedrijf 1] , gevestigd aan [adres 5] , met uitzondering indien de reclassering hiervoor toestemming geeft en zolang de reclassering dit nodig acht;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact op zal nemen, zoeken of hebben met medewerkers van de [bedrijf 2] , gevestigd aan [adres 6] , met uitzondering indien de reclassering hiervoor toestemming geeft en zolang de reclassering dit nodig acht;

 geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 stelt als voorwaarde dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 stelt als voorwaarde dat veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 beveelt dat voornoemde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, aan veroordeelde, te weten:

 1 1 STK computer ( [omschrijving 1] );

 1 1 STK telefoontoestel ( [omschrijving 2] );

 1 1 STK telefoontoestel ( [omschrijving 3] );

heft op de voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf (zijnde 6 augustus 2019), zodat veroordeelde op die dag met justitieel vervoer geplaatst kan worden bij FPA De Boog ( [adres 7] ).

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. R.S. Croll en mr. S.M.A. Lestrade, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.M. van Keulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juli 2019.

mr. R.S. Croll is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

mr. S.M.A. Lestrade is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 9] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019066945, gesloten op 26 maart 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 26-27, een aanvullende aangifte namens de WUR, p. 30-34 en een aanvullende aangifte van [slachtoffer 1] , p. 38-39.

3 Het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie, p. 35.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 219 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juli 2019.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 164, met bijlage (staafdiagram), p. 173.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht d.d. 27 juni 2017, p. 31.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht d.d. 9 augustus 2017, p. 31.

8 Vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8642, NJ 2010/406.

9 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] mede namens [bedrijf 1] , p. 53-54 en een schriftelijk bescheid, te weten een aanvullend schrijven van de [bedrijf 1] , p. 63.

10 Het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie, p. 56.

11 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juli 2019.

12 Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht d.d. 15 november 2019, p. 64.

13 Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht d.d. 17 december 2018, p. 66.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht d.d. 25 december 2018, p. 67.

15 Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht d.d. 26 december 2018, p. 68.

16 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 10] namens [slachtoffer 4] , p. 71, een schriftelijk bescheid inhoudende een machtigingsformulier, p. 259 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juli 2019.

17 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 142-144, een schriftelijk bescheid inhoudende een uitdraai van het e-mailbericht d.d. 1 februari 2019, p. 145 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juli 2019.

18 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] namens [bedrijf 2] , p. 72-73, een schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai van het e-mailbericht d.d. 10 januari 2019, p. 77 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juli 2019.