Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3485

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
05/720399-18
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:1904, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag tot een gevangenisstraf van 8 jaren.

Schieten met een vuurwapen in de richting van de buik en het onderlichaam moet worden gekwalificeerd als een poging om iemand opzettelijk van het leven te beroven. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte de schutter was, maar het gebruik van het vuurwapen kan aan elk van de daders worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720399-18

Datum uitspraak : 30 juli 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1980 te Curaçao, wonende te [adres 1] , [woonplaats]

thans gedetineerd te PI Alphen a/d Rijn, HvB Maatschapslaan te Alphen aan den Rijn

raadsman: mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 19 februari 2019, 7 mei 2019 en 16 juli 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, na een op 7 mei 2019 toegelaten vordering nadere omschrijving tenlastelegging, dat:

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld (in vereniging) of een afpersing (in

vereniging)van een mobiele telefoon (gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) en/of

een poging tot afpersing (in vereniging) danwel een poging tot diefstal met geweld (in vereniging) van een hoeveelheid geld (gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] )

welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Harderwijk (in een woning, gelegen aan de [adres 2] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- geheel in het zwart gekleed met (een) bivakmuts(en) en/of (een)masker(s) op en/of handschoenen aan, de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn binnen gedrongen/binnen gelopen en/of

- een of meer vuurwapen(s)op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht (gehouden) en/of aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond/voorgehouden en/of

-(op dreigende/intimiderende toon) heeft/hebben geroepen/geschreeuwd (zakelijk weergegeven) "Overval, overval, geld, geld" en/of "Geld, geld, kluis" en/of "Bek houden" en/of "Ik schiet je kapot" en/of

- ( teneinde de eis(en) kracht bij te zetten)zichtbaar voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een vuurwapen heeft/hebben doorgeladen en/of

- tegen die [slachtoffer 2] (op dreigende/intimiderende toon) heeft/hebben geroepen/geschreeuwd (zakelijk weergegeven) "op de stoel blijven zitten" en/of

- die [slachtoffer 1] bij de schouders uit zijn stoel heeft getrokken en/of heeft geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of naar de grond gewerkt en/of die [slachtoffer 1] door de woonkamer getrokken/gesleept/gesleurd en/of

- meermalen, althans eenmaal, op het (onder) lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft geschoten en/of

- die [slachtoffer 2] heeft gestompt/geslagen en/of

- tegen die [slachtoffer 2] (op gebiedende toon) heeft/hebben gezegd (zakelijk weergegeven) dat zij op de bank moest gaan zitten en/of

- de handen van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geboeid met tie-rips;

en/of

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid geld weg te nemen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- geheel in het zwart gekleed met (een) bivakmuts(en) en/of (een)masker(s) op en/of handschoenen aan, de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn binnen gedrongen/binnen gelopen en/of

- een of meer vuurwapen(s)op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht (gehouden) en/of aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond/voorgehouden en/of

-(op dreigende/intimiderende toon) heeft/hebben geroepen/geschreeuwd (zakelijk weergegeven) "Overval, overval, geld, geld" en/of "Geld, geld, kluis" en/of "Bek houden" en/of "Ik schiet je kapot" en/of

- ( teneinde de eis(en) kracht bij te zetten)zichtbaar voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een vuurwapen heeft/hebben doorgeladen en/of

- tegen die [slachtoffer 2] (op dreigende/intimiderende toon) heeft/hebben geroepen/geschreeuwd (zakelijk weergegeven): "op de stoel blijven zitten" en/of

- die [slachtoffer 1] bij de schouders uit zijn stoel heeft getrokken en/of heeft geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt en/of naar de grond gewerkt en/of die [slachtoffer 1] door de woonkamer getrokken/gesleept/gesleurd en/of

- meermalen, althans eenmaal, op het (onder) lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft geschoten en/of

- die [slachtoffer 2] heeft gestompt/geslagen en/of

- tegen die [slachtoffer 2] (op gebiedende toon) heeft/hebben gezegd (zakelijk weergegeven) dat zij op de bank moest gaan zitten en/of

- de handen van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geboeid met tie-rips,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Inleidende opmerkingen

Op 17 december 2016 meldden [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) bij de politie dat zij in hun woning in Harderwijk zijn overvallen door drie mannen. Tijdens de overval is geschoten, waardoor [slachtoffer 1] gewond is geraakt. In betreffende woning zijn onder andere hulzen en kogelpunten aangetroffen.

Op 18 december 2016 overhandigde een beveiliger van het Erasmus ziekenhuis te Rotterdam aan de politie een kogelpunt en meldde daarbij dat deze kogelpunt die dag uit het lichaam van een persoon is gehaald. Het DNA aangetroffen op deze kogelpunt kan overeen komen met het DNA van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie

Onder verwijzing naar (uitvoerig) forensisch onderzoek stelt de officier van justitie dat verdachte aanwezig was bij de overval in Harderwijk en dat hij als medepleger mede verantwoordelijk is voor het neerschieten van [slachtoffer 1] . De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (kort gezegd) het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit en heeft daaraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bevatten inconsistenties en tegenstrijdigheden en deze kunnen, als zijnde onbetrouwbaar, niet voor het bewijs worden gebruikt. Dat er een kogel uit de voet van verdachte is verwijderd, bewijst niet dat verdachte op het moment van de overval gewond is geraakt. De overige bewijsmiddelen in het dossier leveren onvoldoende bewijs op voor betrokkenheid van verdachte. Dit terwijl het openbaar ministerie zeer veel onderzoek heeft laten verrichten.

Op de verweren van de verdediging zal de rechtbank in het hierna volgende voor zover nodig nader ingaan.

Beoordeling door de rechtbank

Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben meerdere verklaringen afgelegd. Met de verdediging heeft ook de rechtbank tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in deze verklaringen geconstateerd. Ook het onderzoeksteam van het openbaar ministerie heeft hier acht op geslagen en heeft om die reden haar aandacht deels verlegd naar de activiteiten van de familie [slachtoffer 1] . Het voorgaande doet afbreuk aan de mate van betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangevers. Het heeft echter niet direct tot gevolg dat de gehele verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Wel heeft dit tot gevolg dat de rechtbank slechts die onderdelen van de verklaringen voor het bewijs zal gebruiken, die in voldoende mate worden ondersteund door ander (forensisch) bewijs. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank als volgt.

Verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 17 december 2016 in zijn woning te Harderwijk was, toen daar ineens drie mannen binnen kwamen. De mannen waren in het zwart gekleed, hadden bivakmutsen of een masker op, hadden vuurwapens (een shot-gun en een pistool met geluidsdemper) bij zich en schreeuwden “geld, geld, kluis”. Een van de mannen laadde een pistool door (door de slede naar achteren te bewegen), liep op [slachtoffer 1] af en richtte het pistool op hem. [slachtoffer 1] zag kans het pistool vast te pakken, waarna een worsteling met de persoon met het pistool plaatsvond. Tijdens die worsteling drukte [slachtoffer 1] het pistool naar beneden. [slachtoffer 1] hoorde het pistool klikken en begreep dat de man met het pistool in zijn richting schoot. [slachtoffer 1] voelde dat hij in zijn onderbuik en bovenbeen werd geraakt. Tijdens het gebeuren heeft [slachtoffer 1] gezien dat [slachtoffer 2] op de bank werd gegooid, dat ze bloedde aan haar gezicht en dat haar handen met tie-wraps bij elkaar gebonden waren. De telefoon van [slachtoffer 2] werd door de overvallers meegenomen.2

Op 17 december 2016 omstreeks 18.19 uur heeft [slachtoffer 1] 112 gebeld, waarbij melding gemaakt werd van de overval welke een half uur daarvoor zou hebben plaatsgevonden.3

[slachtoffer 2] heeft over die dag verklaard dat er drie mannen met gezichtsbedekking de woning binnen kwamen, dat de mannen riepen dat het een overval was en ze riepen om geld. Een van de mannen pakte [slachtoffer 1] vast, waarna er een gevecht (‘matten’) ontstond. Ondertussen werd [slachtoffer 2] meegetrokken en op de bank gegooid. Daar werden haar handen gebonden met tie-rips, kreeg [slachtoffer 2] een paar stompen in haar gezicht en werd ze geschopt. Toen [slachtoffer 1] op de grond lag, werd hij beschoten. [slachtoffer 2] hoorde geen knallen, maar ze hoorde een geluid ‘tsss tsss’. Na de overval bleek dat de daders de telefoon van [slachtoffer 2] hebben meegenomen.4

Het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer] van aangever [slachtoffer 2] straalde op 17 december 2016 om 18.16 uur de zendmast op de [straatnaam] in Harderwijk aan, dit is de “thuismast” van het toestel. Hierna straalde het toestel masten aan langs de A28 richting Amersfoort. Tussen 18.50 uur en 18.58 uur straalde het toestel een zendmast aan in Amersfoort, 48 meter van de Rijksweg A1.5 Het toestel met dit telefoonnummer bleef in elk geval tussen 22.00 uur en 02.30 uur en de volgende dag van 14.00 uur tot 18.00 uur deze mast aanstralen.6

Letsel van [slachtoffer 1]

heeft zich na de overval medisch laten behandelen. Zijn letsel is onderzocht door een forensisch arts. Bij [slachtoffer 1] zijn meerdere huidperforaties mogelijk passend bij schotverwondingen aangetroffen. In het lichaam werden geen projectieldelen waargenomen. De forensisch arts concludeerde dat er hoogstwaarschijnlijk sprake was van drie doorschotverwondingen:

1. schuin benedenwaarts door de buikwand: van rechts boven de navel naar onder de navel;

2. van de rechterbil naar de linker zijde van het scrotum;

3. van de achterzijde van het linker bovenbeen naar de voorzijde van het linker bovenbeen (ter hoogte van de lies).

De vitale functies van [slachtoffer 1] zijn niet bedreigd geweest en er waren geen ernstige inwendige letsels die (bijvoorbeeld) chirurgische interventie behoefden. De kans op ernstig of dodelijk letsel van deze (specifieke) schotletsels was klein.

De forensisch arts heeft opgemerkt dat schotverwondingen in de buik, nabij het bekken en in het linkerbeen ernstig of dodelijk letsel hadden kunnen veroorzaken, indien nabijgelegen inwendige organen waren betrokken, zoals bloedvaten en buikorganen.7

Forensisch onderzoek aan de kleding van [slachtoffer 1]

Na schotrestenonderzoek aan de kleding van [slachtoffer 1] heeft een deskundige bij het NFI opgemerkt dat een deel van de op die kleding aangetroffen beschadigingen te koppelen zijn aan de door de forensisch arts beschreven letsels. Meer in het bijzonder heeft de deskundige opgemerkt dat op en rond beschadiging 1 van de sweater en beschadigingen 3 en 4 op de joggingbroek een aantal voor schotbeschadigingen kenmerkende sporen zijn aangetroffen. Ten aanzien van de schootsafstanden in de onderzochte kledingstukken heeft de deskundige geconcludeerd dat de bevindingen van het onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer de schootsafstand tussen de 10 en 75 centimeter (beschadiging 1 op de sweater en beschadigingen 1 en 4 op de joggingbroek) dan wel tussen de 10 en 50 centimeter (beschadiging 2 op de sweater) is, dan wanneer de schootsafstand kleiner dan 10 centimeter of groter dan 75 centimeter is. Daarbij is opgemerkt dat indien tijdens het schietincident een geluiddemper is gebruikt de vastgestelde onder- of bovengrenzen van de schootsafstanden mogelijk kleiner kunnen zijn.8

Forensisch onderzoek ter plaatse en aan de hulzen

Bij het forensisch sporenonderzoek ter plaatse zijn (onder andere) de volgende goederen aangetroffen:

  • -

    een kogelpunt, achter het stootbord van de keuken (SIN eindigend op [nummer 1] );

  • -

    fragmenten van een kogelpunt, onder de caravan (doorschot door de vloer);

  • -

    drie hulzen. Eén huls (SIN eindigend op [nummer 2] ) is aangetroffen op de vloer onder de kerstboom. Twee hulzen (SIN eindigend op [nummer 3] en [nummer 4] ) zijn aangetroffen tussen de muur en een poef links van de kerstboom;

  • -

    een patroon, links van genoemde poef;

  • -

    twee setjes van in elkaar gewerkte tie-rips op het bordes;

  • -

    een deel van een losgesneden tie-rip in de slaapkamer en het tweede deel van een losgesneden tie-rip, waarmee, volgens de verbalisant, vermoedelijk [slachtoffer 2] was vastgebonden.9

Het NFI heeft onderzocht (kort gezegd) of de drie aangetroffen hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde wapen. De hulzen zijn van het kaliber 9mm parabellum. Geconcludeerd werd dat de hypothese 1, dat de hulzen [nummer 3] en [nummer 4] zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen, extreem veel waarschijnlijker is dan de hypothese 2 dat de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en dezelfde systeemkenmerken. Met betrekking tot de huls [nummer 2] geldt dat de bevindingen van het hulsonderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.10

De rechtbank trekt uit het voorgaande de conclusie dat de (dichtbij elkaar aangetroffen) hulzen zijn verschoten uit één en hetzelfde 9mm vuurwapen.

Tussenconclusie

Het aantreffen van de hulzen in de woning ondersteunt de verklaringen van aangevers dat er in de woning is geschoten. De in de woning gevonden patroon kan passen bij [slachtoffer 1] verklaring dat de overvaller het wapen heeft doorgeladen. Immers, het doorladen van een reeds geladen wapen heeft tot gevolg dat een huls uit het wapen wordt geworpen.

Het aantreffen van schotwonden in het onderlichaam van [slachtoffer 1] , in combinatie met de genoemde waarschijnlijke schootsafstanden, ondersteunt de verklaring dat is geschoten tijdens een worsteling, waarbij [slachtoffer 1] het pistool (voorzien van een geluidsdemper) naar beneden probeerde te brengen.

Het onderzoek naar de telefoon van [slachtoffer 2] ondersteunt de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dat de overvallers de telefoon van [slachtoffer 2] hebben meegenomen.

Kogel uit de voet van verdachte

Op 18 december 2016 kregen verbalisanten van een beveiliger van het Erasmus ziekenhuis in Rotterdam een kogel (SIN eindigend op [nummer 5] ) overhandigd. De beveiliger zei daarbij dat de kogel bij een patiënt uit zijn lichaam is gehaald door een dokter.11 Deze kogel was op 18 december 2016 om 13.23 uur bij de meldkamer van het ziekenhuis binnengekomen vanuit de operatiekamer. Over het algemeen duurt de overdracht van de operatiekamer naar de meldkamer van de beveiliging anderhalf tot twee uur, volgens een medewerker van de beveiliging.12

Op de kogel is DNA aangetroffen, waarvan een DNA-profiel is vastgesteld. Dit profiel is vergeleken met de DNA-profielen opgenomen in de DNA-databank. Hierbij is een overeenkomst gevonden tussen het DNA-profiel vanaf de kogel en het DNA-profiel van verdachte. De kans dat een willekeurig persoon, welke geen bloedverwant is van verdachte, hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het profiel afkomstig van de kogel is kleiner dan 1 op 10 miljard.13

Getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte een keer in het ziekenhuis opgenomen is geweest, omdat hij in zijn voet was geschoten.14

In de telefoon van verdachte is een foto van een röntgenfoto aangetroffen. Op die röntgenfoto is een voet zichtbaar met een kogel erin.15

Bij verdachte is op zijn linkervoet een litteken waargenomen. Het litteken is vanwege de typische vorm het meest passend bij een toestand na chirurgisch handelen.16

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat de kogel (SIN eindigend op [nummer 5] ) op 18 december 2018, tussen ongeveer 12.00 en 13.23 uur, chirurgisch uit de voet van verdachte is verwijderd.

Nader forensisch onderzoek aan de kogel uit de voet van verdachte

De in de voet van verdachte aangetroffen kogel ( [nummer 5] ) is door het NFI onderzocht. Deze kogel past het best bij het kaliber 9 mm Parabellum.17 De kogel is vergeleken met de kogel ( [nummer 1] ) aangetroffen in de keuken van [slachtoffer 1] . De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer de hypothese waar is dat beide kogels zijn afgevuurd uit één en dezelfde loop, dan wanneer de hypothese dat de kogels zijn afgevuurd uit twee verschillende lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken, waar is.18

De kogel uit de voet van verdachte ( [nummer 5] ) en de huls [nummer 6] kunnen niet tot één en dezelfde patroon behoord hebben. Deze kogel kan wel behoord hebben tot één van de andere in de woningen van [slachtoffer 1] aangetroffen hulzen ( [nummer 3] of [nummer 4] ).19

Het NFI heeft voorts gerapporteerd dat als gevolg van het afschieten van een kogel op korte afstand op een voet mag worden verwacht dat de kogel door de voet heen geschoten zal worden als het een direct schot betreft. In het geval van deze kogel ( [nummer 5] ) is de kogel blijven steken in de voet van verdachte. Dat de kogel nagenoeg onbeschadigd in de voet is aangetroffen, duidt er volgens het NFI op, dat de kogel de voet heeft getroffen met een lage snelheid (weinig energie). De kogel moet na het verlaten van de loop en voor het treffen van de voet een ander object hebben geperforeerd (in en uit) dat zachter is dan de kogel. Het menselijk lichaam is een voorbeeld van dergelijk zachter materiaal.20

Tussenconclusie

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de rechtbank af dat ongeveer 18 uur na de overval een kogel uit de voet van verdachte is verwijderd. Deze kogel is afgevuurd uit hetzelfde wapen als de kogel die in de woning van [slachtoffer 1] is aangetroffen en de kogel kan passen bij hulzen aangetroffen op de plaats delict.

De bevindingen van het NFI dat de kogel in de voet van verdachte, nadat deze is afgevuurd, een ander object, zoals bijvoorbeeld een menselijk lichaam, moet hebben geperforeerd, past bij het scenario dat deze kogel door [slachtoffer 1] heen is gegaan en vervolgens in de voet van verdachte is terechtgekomen.

Gelet op al het voorgaande en het relatieve korte tijdsbestek tussen de overval en het verwijderen van de kogel uit de voet van verdachte, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte in de woning van verdachte was ten tijde van de overval. Nu verdachte geen enkele (ontzenuwende) verklaring heeft willen afleggen voor de aanwezigheid van een kogel in zijn voet, welke kogel werd afgevuurd met hetzelfde wapen als dat werd gebruikt ten tijde van een kort daarvoor gepleegde woningoverval, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte een van de drie mannen is geweest die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun woning hebben overvallen.

Gekwalificeerde poging doodslag

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het schieten met een vuurwapen in de richting van de /het onderlichaam moet worden gekwalificeerd als een poging om iemand opzettelijk van het leven te beroven. Door op korte afstand op de buik/het onderlichaam van iemand te schieten, wordt bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze persoon komt te overlijden als gevolg van ernstige verwondingen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat er zich in de buik diverse organen bevinden en dat ook een inwendige bloeding tot de dood kan leiden.

De rechtbank kan op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vaststellen dat het verdachte is geweest die op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met twee mededaders de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is binnengegaan voorzien van twee wapens. Er werd geschreeuwd om geld en de kluis. Tussen [slachtoffer 1] en één van de daders ontstond een worsteling. Er is meerdere keren geschoten waarbij [slachtoffer 1] gewond is geraakt. Verdachte en zijn medeverdachten zijn ten slotte gezamenlijk de woning uitgelopen met medeneming van de telefoon van [slachtoffer 2] .

De hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden hebben de uiterlijke verschijningsvorm van een in bewuste en nauwe samenwerking uitgevoerde diefstal met geweld (beroving), gepleegd volgens een plan dat vooraf aan alle deelnemers duidelijk moet zijn geweest. De gedragingen van de overvallers geven blijk van een gezamenlijk plan: één houdt zich bezig met [slachtoffer 1] , een ander met [slachtoffer 2] en de derde doorzoekt de slaapkamer. Het plan hield kennelijk ook in dat er zo nodig op personen zou worden geschoten. Het meenemen van wapens bij een woningoverval impliceert immers het eventuele gebruik van die vuurwapens. Elk van de verdachten moet daarvan weet hebben gehad, zodat van meet af aan bij ieder sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op vuurwapengebruik en dus op levensberoving. Het gebruik van vuurwapens zoals dat heeft plaatsgevonden kan aan elk van de daders worden toegerekend.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het gebruik van mogelijk dodelijk geweld besloten lag in het plan dat de overvallers voorafgaand aan de beroving hebben gemaakt en dat ieder van de overvallers zich aan dat plan heeft geconformeerd. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte met de mededaders – minst genomen – in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .

De rechtbank is, gelet op bovenstaande, van oordeel dat het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld (in vereniging) of een afpersing (in

vereniging) van een mobiele telefoon (gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) en/of

een poging tot afpersing (in vereniging) danwel een poging tot diefstal met geweld (in vereniging) van een hoeveelheid geld (gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] )

welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 22 maart 2019;

- reclasseringsrapporten van 15 juli 2013 en 9 mei 2018.

Verdachte en zijn mededaders hebben een zeer gewelddadige woningoverval gepleegd, waarbij zij met vuurwapens en tie-wraps, gemaskerd of met bivakmutsen de woning van de familie [slachtoffer 1] zijn binnendrongen. Verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers tijdens de overval bedreigd met de vuurwapens. Toen bleek dat [slachtoffer 1] zich niet willoos liet beroven en weerstand bood, heeft één van de overvallers meerdere malen geschoten. [slachtoffer 1] is door drie kogels gewond geraakt. [slachtoffer 2] ’s handen zijn met tie-wraps gebonden en zij is geschopt en in haar gezicht gestompt.

Een overval, zeker wanneer daarbij grof geweld wordt gebruikt en met vuurwapens wordt gedreigd en geschoten, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring, waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Dit geldt eens te meer als de overval plaatsvindt in de eigen woning, de plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt welke impact de overval op het leven van de slachtoffers en hun familie heeft gehad.

Woningovervallen leiden bovendien tot gevoelens van onrust, onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij besloot op een gewelddadige manier aan geld te willen komen.

Verdachte is eerder veroordeeld voor vermogensdelicten waarbij geweld is gebruikt. In 2003 is hij voor 12 feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren en in 2018 voor twee woninginbraken tot een gevangenisstraf van 1 jaar.

De rechtbank is van oordeel dat vanwege de ernst van het feit slechts volstaan kan worden met het opleggen van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ook uit het oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij is een lange gevangenisstraf op zijn plaats.

Al bovenstaande factoren in ogenschouw genomen komt de rechtbank tot de slotsom dat de eis zoals deze door de officier van justitie is geformuleerd passend en geboden is. Dit betekent dat de rechtbank komt tot het opleggen van een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

In dit strafproces hebben [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] ), [naam 2] en [naam 3] zich als benadeelde partijen gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partijen werden ter terechtzitting bijgestaan door mr. L. van Gaalen-Van Beuzekom, advocaat te Utrecht.

Hoewel [naam 4] een formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ heeft ondertekend, heeft zij ter terechtzitting aangegeven geen vordering tot schadevergoeding te hebben ingediend.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 2.130,00 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade voor toewijzing in aanmerking komt. Voor het overige dient de [slachtoffer 2] in haarvordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De door [slachtoffer 1] gevorderde advocaatkosten kunnen worden toegewezen. Voor het overige dient [slachtoffer 1] in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De overige vorderingen van de benadeelde partijen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] opgemerkt dat de hoogte van het verzoek om immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd. Ten aanzien van het materiële deel heeft de verdediging gesteld dat de schadebedragen van de telefoon en de vloer onvoldoende zijn onderbouwd. In die onderdelen van de vordering dient de benadeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard, althans dient deze te worden afgewezen. Met betrekking tot de kosten van de kleding heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De overige benadeelde partijen behoren niet tot de kring van voegingsgerechtigden, nu er geen sprake is van rechtstreekse schade. De vorderingen kunnen niet worden toegewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De gevorderde schadevergoeding voor de kleding tot een bedrag van € 150,00 is voldoende aannemelijk en niet betwist door de verdediging. Deze kosten komen voor toewijzing in aanmerking. De overige opgevoerde materiële kosten zijn, zeker in het licht van de betwisting door de verdediging, onvoldoende aannemelijk geworden. Een verdere beoordeling van deze vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Met het bewezenverklaarde handelen is [slachtoffer 2] schade toegebracht in de vorm van ander nadeel. Voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van inbreuken op persoonlijke veiligheid dan wel lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2] . Zij is immers bij de overval mishandeld, met tie-wraps vastgebonden en heeft moeten toekijken hoe haar man werd neergeschoten. De rechtbank acht, mede gelet op de betwisting door de verdediging, onvoldoende onderbouwd dat deze schade moet worden geschat op het gevorderde bedrag. De rechtbank schat het bedrag aan immateriële schade op € 7.500,00. Voor het overige zal de rechtbank [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Derhalve zal worden toegewezen een bedrag van € 7.6150,00.

De rechtbank ziet aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 17 december 2016.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader(s) is of wordt voldaan.

Ten aanzien van de overige benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] stelt dat hij schade heeft geleden in de vorm van inkomstenderving.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 51f, lid 1, Wetboek van Strafvordering slechts diegene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces.

Het bewezenverklaarde handelen van verdachte heeft zich niet rechtstreeks gericht tegen [slachtoffer 1] . Derhalve valt niet in te zien dat eventuele inkomstenderving door [slachtoffer 1] rechtstreeks het gevolg is van het bewezenverklaarde, zodat hij niet in dat deel van de vordering kan worden ontvangen.

Voorts hebben [slachtoffer 1] en de overige benadeelde partijen schadevergoeding gevorderd in verband met zogeheten shockschade.

Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) voorop. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien iemand door overtreding van een veiligheids- of verkeersnorm een ernstig ongeval veroorzaakt, hij in een geval als hier bedoeld niet alleen onrechtmatig handelt jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond. De daardoor ontstane immateriële schade komt op grond van het bepaalde in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Hoewel voorstelbaar is dat de familie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gekwetst zal zijn door hetgeen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangedaan, is niet voldaan aan de door de Hoge Raad gegeven eisen . Gesteld, noch onderbouwd is dat bij (een van) de benadeelde partijen sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dan wel geestelijk letsel dat daaraan gelijk te stellen valt. Derhalve zullen deze vorderingen worden afgewezen.

Nu [slachtoffer 1] niet in het gelijk wordt gesteld, komen de door hem gevorderde proceskosten evenmin voor vergoeding in aanmerking.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 63, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 7.650,00 (zevenduizendzeshonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover zijn verzoek ziet op inkomstenderving;

wijst af de vordering tot schadevergoeding voor het overige;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [naam 2] en [naam 3]

wijst af de vorderingen tot schadevergoeding ingediend door [slachtoffer 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors (voorzitter), mr. C. Kleinrensink en mr. M.W. Stoet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juli 2019.

Mr. Stoet en mr. Aalders zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie, districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal met nummer 201902201518 (onderzoek Koriander), gesloten op 20 februari 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 1029 en 1030.

3 Het stamproces-verbaal, p. 971 en proces-verbaal van bevindingen, p. 1016 en 1017.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 1088 en 1090.

5 Het proces-verbaal van analyse, p. 1231.

6 Het proces-verbaal van bevindingen inzet Stealth op nummer [slachtoffer 2] , p. 1233.

7 Een NFI-rapport, p. 1069 tot en met 1075.

8 Een NFI-rapport, p. 2090, 2092, 2096 en 2097

9 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 1124 tot en met 1126 en 1151 en proces-verbaal van bevindingen, p. 1154.

10 Een NFI-rapport, p. 1508 en 1511.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1488 en proces-verbaal van bevindingen, p. 1489.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1502 en 1503.

13 Een rapportage van forensisch onderzoek, p. 1492 en 1493.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 1808.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1691 en 1692.

16 Een NFI-rapport, p. 1765.

17 Een NFI-rapport, p. 1501.

18 Een NFI-rapport, p. 1512.

19 Een NFI-rapport, p. 1536.

20 Een NFI-rapport, p. 2020 en 2021.