Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3481

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
05.088967.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Openbaar Ministerie is met betrekking tot feit 1 niet-ontvankelijk nu niet is voldaan aan het klachtvereiste. Veroordeling voor belaging van een hulpverlener en mishandeling van een man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05.088967.19

Datum uitspraak : 1 augustus 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

postadres: [adres 1] ,

raadsman: mr. A.H. Staring, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juli 2019.

1 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting heeft de raadsman preliminair het verweer gevoerd dat feit 1 een klachtdelict is, maar [slachtoffer 1] geen klacht heeft ingediend. Ook uit de aangifte blijkt niet van een uitdrukkelijke wens tot vervolging. [slachtoffer 2] heeft wel een klacht ingediend, maar op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad kan die niet gelden in de zaak met betrekking tot [slachtoffer 1] . Volgens de raadsman is artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geen lex specialis ten opzichte van artikel 285 Sr. De raadsman meent daarom dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van feit 1.

De officier van justitie heeft betoogd dat geen klacht nodig is. De feiten 1 en 2 moeten in onderlinge samenhang worden bezien, nu beide aangevers samen zijn opgetrokken en een gezamenlijke WhatsAppgroep voor de berichten van verdachte hadden aangemaakt. Niet alleen hieruit, maar ook uit de aangifte en het verhoor van [slachtoffer 1] , blijkt volgens de officier van justitie van een wens tot vervolging.

De rechtbank stelt vast dat niet is voldaan aan de formele vereisten nu [slachtoffer 1] geen klacht heeft ingediend. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer een wens tot vervolging worden gelezen. Hij wilde immers met deze aangifte bereiken dat er een einde kwam aan de berichten en dat de heer [verdachte] zou worden opgenomen en hulp zou krijgen. [slachtoffer 1] heeft in zijn latere verhoor verklaard dat hij wil dat het stopt. Hierin kan een wens tot vervolging worden gelezen, maar evenzeer een wens voor het volgen van een ander traject. Nu [slachtoffer 1] niet met zoveel woorden heeft verklaard dat hij vervolging van verdachte wenst en de rechtbank de bedoeling van [slachtoffer 1] te veel zou moeten inlezen, zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging voor zover het feit 1 betreft.

2 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, rekening houdend met het voorgaande, onder 2 en 3 ten laste gelegd dat:

2.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 2 april 2019 te Laag Soeren, gemeente Rheden, in ieder geval in Nederland, wederrechtelijk, stelselmatig, opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,
immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] in genoemde periode met grote regelmaat Whats-App berichtjes gestuurd met een bedreigende en/of intimiderende en/of beledigende toon (waarin verdachte - in algemene zin - een aanstaande gewelddadige confrontatie tussen hemzelf,
verdachte, en die [slachtoffer 2] aankondigde);

3.

hij op of omstreeks 15 oktober 2018 te Schaarsbergen, gemeente Arnhem een persoon, te weten [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met de vuist in diens gezicht te slaan.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 betoogd dat niet de gehele ten laste gelegde periode kan worden bewezen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de omkeer met Kerst was, toen verdachte hoorde dat hij geen extra geld kreeg. Die omslag is in de appberichten te zien. Volgens de raadsman kan het feit worden bewezen voor zover het de periode van 24 december 2018 tot en met 2 april 2019 betreft.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank baseert het bewijs op:

- de aangiftes van [slachtoffer 2]2;

- de teksten van WhatsAppberichten en een sms-bericht die verdachte aan [slachtoffer 2] heeft gestuurd3;

- de verklaringen van verdachte bij de politie4 en ter terechtzitting5.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde bewezen. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs is dat verdachte in de periode van 1 december 2018 tot 24 december 2018 WhatsApp-berichten heeft gestuurd die bedreigend, beledigend en/of intimiderend van toon waren. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de omkeer met Kerst was. De rechtbank ziet dit in de WhatsApp berichten terug en zal om die reden in de bewezenverklaring de periode wijzigen in 24 december 2018 tot en met 2 april 2019.

Feit 3

Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij werkzaam is in de schoonmaak op recreatiecamping Arnhem, gelegen aan de [adres 2] . Op 15 oktober 2018 zag hij dat er ruzie was. Hij heeft staan kijken zonder zich ermee te bemoeien. Er kwam een man aanfietsen, die hij herkende als zijn overbuurman [verdachte] (verdachte). Verdachte stopte, stapte van zijn fiets af en kwam naar hem toe. Verdachte gaf hem met kracht een vuistslag in zijn gezicht. [slachtoffer 3] voelde direct pijn aan de linkerkant bij zijn oor.6

Getuigen [getuige] heeft gezien dat een man van zijn fiets stapte en naar [naam 1] , de rechtbank begrijpt [slachtoffer 3] , liep. De man viel [naam 1] ineens aan en sloeg hem meerdere keren in zijn gezicht. Ze zag dat [naam 1] werd geraakt op de zijkant van zijn gezicht en op zijn slaap.7

Verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad een vuistslag heeft gegeven.8

De rechtbank acht de ten laste gelegde mishandeling op grond van de voornoemde bewijsmiddelen bewezen. Dat verdachte [slachtoffer 3] alleen een duw zou hebben gegeven, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, is gelet op voornoemde bewijsmiddelen, niet aannemelijk geworden. De rechtbank houdt verdachte aan zijn verklaring bij de politie, nu deze past bij hetgeen [slachtoffer 3] en [getuige] over het incident hebben verklaard.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 december 2018 tot en met 2 april 2019 te Laag Soeren, gemeente Rheden, in ieder geval in Nederland, wederrechtelijk, stelselmatig, opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,
immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] in genoemde periode met grote regelmaat WhatsApp berichtjes gestuurd met een bedreigende en/of intimiderende en/of beledigende toon (waarin verdachte - in algemene zin - een aanstaande gewelddadige confrontatie tussen hemzelf,
verdachte, en die [slachtoffer 2] aankondigde);

3.

hij op of omstreeks 15 oktober 2018 te Schaarsbergen, gemeente Arnhem een persoon, te weten [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met de vuist in diens gezicht te slaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 2:

Belaging, meermalen gepleegd.

Feit 3:

Mishandeling.

6 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 130 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 34 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis bepleit. Hij heeft daartoe betoogd dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 67a, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering. Naar zijn mening moet een gevangenisstraf worden opgelegd die gelijk is aan het voorarrest. Gelet op de richtlijn van het Openbaar Ministerie is er geen ruimte meer voor een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast kan uit het psychiatrisch rapport worden afgeleid dat er geen grote kans op herhaling is. Ook de justitiële documentatie wijst hierop niet. Ook om die reden is een voorwaardelijk strafdeel niet nodig.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging. Hij heeft in een korte tijd een flink aantal WhatsApp berichten en een sms-bericht naar aangever gestuurd. Deze berichten waren beledigend, intimiderend en een aantal ook bedreigend. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij deze heeft gestuurd naar aangever, terwijl aangever hem als zorgcoördinator van het veteranenloket hulp probeerde te bieden. Verdachte is er volledig aan voorbijgegaan wat zijn handelwijze voor impact had op aangever. Aangever heeft daarover verklaard dat hij wist dat verdachte fysiek agressief kon zijn en dat hij bang was voor verdachte.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitiarapport van 11 juli 2019, opgemaakt door [naam 2] , psycholoog. Daaruit komt naar voren dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een stoornis in het gebruik van amfetaminen. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vooral borderline en narcistische kenmerken.

Verdachte heeft een zwak gestructureerde persoonlijkheid die wordt gekenmerkt door een kwetsbaar en krenkbaar zelfgevoel, een verhoogde agressieve prikkelbaarheid, een gebrekkige tolerantie voor spanningen en angsten, en een instabiel zelfbeeld dat fluctueert tussen zelfoverschatting en een depressief gekleurde faalangst en onzekerheid. De verhoogde agressieve prikkelbaarheid komt vooral tot uiting in verbaal-agressieve uitingen en een snel te prikkelen achterdocht jegens de intenties van anderen. Verdachte is sterk afhankelijk van externe steun, waardering en structurering, maar hij is overgevoelig voor aantasting van zijn autonomie in de vorm van interventies van derden die hij als dwingend ervaart en die hem te scherp confronteren met zijn eigen falen en onvermogen. Vanuit het idee dat hulp aanvaarden symbool staat voor zijn eigen falen, saboteert hij op zijn manier (onbewust) die hulp en begeleiding, door irreële en onredelijke eisen te stellen aan die hulp, waar niet aan voldaan kan worden. Het mislukken van hulp wentelt hij vervolgens af op de falende hulpverleners. Hij loochent zijn eigen rol en verantwoordelijkheid. [naam 2] is tot de conclusie gekomen dat er (op de middellange) termijn een matig verhoogd recidive-risico bestaat, maar dat er geen gronden zijn om een advies voor begeleiding en/of behandeling in een strafrechtelijk kader uit te brengen. Verdachte is niet gemotiveerd voor een klinische behandeling, noch voor een (verplichte) ambulante behandeling, noch voor begeleiding door de reclassering. Iedere verplichting ten aanzien van een begeleiding en/of behandeling zal hoogstens een contraproductief effect en misschien zelfs een risico-verhogend effect hebben. De kans van slagen van een begeleiding en/of behandeling is maximaal indien verdachte zelf begeleiding en/of behandeling organiseert.

[naam 2] heeft geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen in geval van een bewezenverklaring.

De rechtbank kan zich vinden in deze conclusie en neemt die over.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het rapport van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 8 juli 2019. Daaruit komt naar voren dat verdachte niet wil meewerken aan een klinische behandeling en dat mogelijkheden om verdachte ambulant te laten behandelen stranden, omdat de betreffende instellingen alleen bereid zijn een behandeling aan te bieden als vervolgtraject op een klinische behandeling. De reclassering heeft om die reden geen passende voorwaarden kunnen formuleren die aan een eventueel voorwaardelijk strafdeel kunnen worden verbonden.

De rechtbank heeft verder gekeken naar het strafblad van verdachte. Daaruit komt naar voren dat verdachte op 8 april 2016 door de politierechter van deze rechtbank is veroordeeld voor het beledigen van een politieambtenaar. Verder is hij op 2 september 2014 veroordeeld door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, voor een mishandeling. De rechtbank constateert dat sprake is van recidive en zal hiermee bij de strafoplegging rekening houden.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 130 dagen zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend. De rechtbank zal hiervan een deel, 33 dagen, in voorwaardelijke vorm opleggen teneinde te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt. Gelet op de rapporten van [naam 2] en de reclassering zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarde(n) aan verdachte opleggen. De rechtbank ziet aanleiding de proeftijd conform de vordering van de officier van justitie te stellen op drie jaren.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank beslist dat het bevel tot voorlopige hechtenis per 19 juli 2019 om 10.00 uur zal worden opgeheven. Daarvan is afzonderlijk een beschikking opgemaakt. De rechtbank zal om die reden niet meer ingaan op het hierop betrekking hebbende verzoek van de raadsman.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van feit 1 op de dagvaarding;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 5;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 130 (honderddertig) dagen;

  • -

    bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 33 (drieëndertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

  • -

    legt op als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en

mr. C.A.H. Pouwels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus 2019.

Mr. Marijs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 3] van de politie Oost- Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019165350, gesloten op 2 mei 2019, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Processen-verbaal van aangifte, p. 27, 45-46, 55-57.

3 Teksten van WhatsAppberichten van verdachte aan [slachtoffer 2] , p. 36-43, 48-49, 51.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 140-143.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 197.

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 204.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 144.