Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3453

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
05/780043-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt een 67-jarige vrouw uit Apeldoorn vrij van zowel moord als doodslag op haar echtgenoot. Volgens de rechtbank ontbreekt op basis van de beschikbare informatie het wettige bewijs om tot een veroordeling te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/780043-18

Datum uitspraak : 18 juli 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd te PI Overijssel, PIV Zwolle te Zwolle,

raadsman: mr. W.L.M. Fleuren, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
6 september 2018, 29 november 2018, 17 januari 2019, 12 april 2019 en 4 juli 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een op 12 april 2019 door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Primair

zij op of omstreeks 01 juni 2018 in de gemeente Apeldoorn, [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die

[slachtoffer 2] met een mes, althans met een scherp voorwerp, (met kracht) te steken in

de hart/borststreek, althans in het lichaam, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] (op

2 juni 2018) is komen te overlijden;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

zij op of omstreeks 01 juni 2018 in de gemeente Apeldoorn, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 2] met een mes, althans

met een scherp voorwerp, (met kracht) te steken in de hart/borststreek,

althans in het lichaam, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] (op 2 juni 2018) is

komen te overlijden.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het slachtoffer opzettelijk om het leven heeft gebracht en dat zij zich zodoende schuldig heeft gemaakt aan doodslag. Bij aankomst op de plaats delict was verdachte, naast het slachtoffer, de enige aanwezige. Daarnaast heeft forensisch onderzoek geen sporen opgeleverd die duiden op de aanwezigheid van een ander of anderen dan verdachte en het slachtoffer. De scenario’s dat het slachtoffer is neergestoken door een bekende van het slachtoffer of door een onbekende dader zijn niet aannemelijk. De officier van justitie acht het scenario dat verdachte het slachtoffer heeft neergestoken wel aannemelijk. De officier van justitie heeft tot vrijspraak van de primair ten laste gelegde moord gerekwireerd, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. Aldus acht de officier van justitie het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaar.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 28.800,-- zal worden teruggegeven aan de beslagene, te weten verdachte. Daarnaast is gevorderd dat de in beslag genomen (imitatie)wapens worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte letsel aan het slachtoffer heeft toegebracht. Verdachte heeft ontkend dat zij het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

De beoordeling door de rechtbank

Op 1 juni 2018 rond 23.30 uur is [slachtoffer 1] (het slachtoffer) door hulpdiensten aangetroffen in de tuin bij zijn woning aan de [adres 1] (de woning). Het slachtoffer was op dat moment niet aanspreekbaar. Tijdens het verlenen van medische hulp is een steekwond in de borst van het slachtoffer ontdekt. Op 2 juni 2018 is het slachtoffer overleden. Uit sectie op het lichaam van het slachtoffer is gebleken dat het slachtoffer is overleden aan de steekwond in zijn borst.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag wie het slachtoffer de steekwond in zijn borst heeft toegebracht. Verdachte, echtgenote van het slachtoffer, is kort na het aantreffen van het slachtoffer als verdachte aangemerkt. Zij was toen de hulpdiensten bij de woning arriveerden, naast het slachtoffer, de enige andere aanwezige persoon.

De officier van justitie heeft gesteld dat het op basis van het dossier het scenario aannemelijk is dat verdachte de persoon is geweest die aan het slachtoffer de steekwond heeft toegebracht. De rechtbank overweegt dat het enkel aannemelijk achten niet voldoende is, vereist is wettig en overtuigend bewijs voor het scenario dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht door hem in zijn borst te steken. Daarvan is op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Van een bewakingscamera van het pand aan de [adres 2] (’t Pannenkoekenhuis) in Apeldoorn zijn de camerabeelden van 1 juni 2018 tussen 22.00 uur en 23.30 uur gevorderd en uitgekeken. Een verkeersbord bleek het zicht op de woning te ontnemen, waardoor enkel de ventweg die voor de woning langsloopt zichtbaar is op de camerabeelden. Ook de toegangsdeur naar de woning en de toegangspoort tot de tuin bleken niet zichtbaar. In het over de beelden opgemaakte proces-verbaal heeft de politie vermeld dat op de beelden slechts vaag te zien is welk verkeer rond dat tijdstip zich aan de zijde van de [adres 2] over het fietspad, trottoir en ventweg verplaatste en dat een specifieke herkenning van personen en/of vervoersmiddelen door de kwaliteit van de beelden (afstand en invallende duisternis) niet mogelijk was. Verder merkt de politie over de beelden op dat “in ogenschouw moet worden genomen dat de afstand van de camerapositie tot de woning [adres 1] mogelijk dusdanig groot is dat niet alle bewegingen daar bij de woning door de bewegingscamera worden geregistreerd”.

Aldus is niet met zekerheid vast te stellen dat enkel verdachte en het slachtoffer bij de woning aanwezig zijn geweest op 1 juni 2018 tussen 22.00 uur en 23.30 uur.

Tijdens het bezoek van getuige [getuige] (zoon van slachtoffer en verdachte) aan verdachte in de penitentiaire inrichting op 20 juni 2018 zijn geluidsopnames gemaakt en deze zijn uitgewerkt. In eerste instantie is een deel van het gesprek niet te verstaan, omdat er wordt gefluisterd. Vervolgens is het geluidsbestand opgewaardeerd en opnieuw uitgeluisterd. Op basis daarvan is het volgende geverbaliseerd:
“ [naam 1] (de rechtbank begrijpt: verdachte): (ntv). Ik heb hem (ik, verbalisant [naam 2] , denk te horen) vermoord. (…)”.

Op basis van het voorgaande is voor de rechtbank onduidelijk binnen welke context verdachte deze uitlating zou hebben gedaan en daarnaast is onbeschreven gelaten waarom deze uitlating in eerste instantie niet is gehoord en vervolgens na opwaardering van het geluidsbestand wel. Bovendien benoemt de verbalisant dat hij dit denkt te horen, kennelijk is hij niet zeker van zijn waarneming. Hierdoor kan aan deze vermeende uitlating geen waarde worden gehecht.

Niet is vastgesteld met welk voorwerp in de borst van het slachtoffer is gestoken. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft onderzoek gedaan naar de steekwond en geconcludeerd dat op het scheidingsvlak van het onderzochte ribdeel diverse microsporen zijn aangetroffen. Uit de resultaten van het microsporenonderzoek blijkt dat de meeste aangetroffen deeltjes afkomstig zijn van ongelegeerd staal. Scherprandige voorwerpen als messen en andere knippende en snijdende voorwerpen worden in beperkte mate gemaakt van ongelegeerd staal. Het NFI heeft vervolgens aangegeven dat, indien een voorwerp wordt aangetroffen dat in aanmerking komt om de wond te veroorzaken, een onderzoek op basis van elementsamenstelling mogelijk is. Dit nadere onderzoek heeft echter niet plaatsgevonden. De politie heeft namelijk na overleg met de forensische opsporing besloten om geen van de in de woning in beslag genomen messen of andere objecten op te sturen naar het NFI, dit omdat volgens de politie uit het onderzoek van het NFI zou zijn gevolgd dat de uitkomsten van dat onderzoek onvoldoende zijn om onomstotelijk vast te stellen welk object is gebruikt. Aldus kan aan de hand van het dossier geen link worden gelegd tussen in de woning aangetroffen messen en de steekwond.

In de tuin bij de woning is een handdoek aangetroffen waar onderzoek naar is gedaan. Op die handdoek is in twee bloedsporen een opgedroogde slijmerige substantie waargenomen. Mogelijk zijn volgens de beschikbare verslaglegging de bloedsporen vermengd met een andere (lichaams)vloeistof. De slijmerige substantie is op twee plaatsen bemonsterd en de bemonsteringen zijn veiliggesteld voor DNA-onderzoek. Het DNA in de bemonsteringen kan afkomstig zijn van het slachtoffer, met een matchkans kleiner dan één op één miljard. Bij het isoleren van het DNA is ook RNA uit de bemonsteringen veiliggesteld, waardoor het mogelijk is om met behulp van zogenoemde RNA-celtypering nader onderzoek te doen naar de aard van het aanwezige celmateriaal in de bemonsteringen. Dit nadere onderzoek is niet verricht, waardoor onbekend is gebleven uit welk celmateriaal de slijmerige substantie afkomstig is. Daarom kan bijvoorbeeld niet worden vastgesteld of er rechtstreeks contact is geweest tussen de handdoek en het mogelijke steekwapen. Dat overigens op de handdoek ook DNA is aangetroffen dat matcht met verdachte, betekent - mede gelet op de verklaring van verdachte over het gebruik van de doek voor reguliere schoonmaakwerkzaamheden - niet zonder meer dat daarmee sprake is van een daderspoor.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gestoken. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit.

Beslag

Op 10 juli 2018 is in de woning in een ruimte die zich bevindt tussen het plafond van de begane grond en de vloer van de eerste verdieping een ruimte aangetroffen, waarin in een plastic zak twee op vuurwapens gelijkende voorwerpen zijn aangetroffen.1 Eén van deze voorwerpen is een gaspistool en derhalve een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het andere voorwerp betreft een wapen dat wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen. Derhalve is dat voorwerp een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie.2 Het ongecontroleerde bezit van deze wapens is in strijd met het algemeen belang en de wet.

Daarom moeten de wapens worden onttrokken aan het verkeer.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van het in beslag genomen geldbedrag van € 28.800,-- aan de beslagene, te weten verdachte.

3. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [getuige] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag als voorschot van € 2.471,08 aan materiële schade. Voorts is verzocht over te gaan tot een tegemoetkoming ten laste van de staat in de onkosten ten bedrage van

€ 1.296,08, mocht er aanleiding zijn de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering dan wel de vordering af te wijzen. Verder is verzocht om een veroordeling in de proceskosten, tot op heden bepaald op nihil.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij tot betaling van het bedrag van € 2.471,08 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de kosten die zijn gemaakt voor het bijwonen van de uitvaart niet rechtstreeks voortvloeien uit het delict. Indien de rechtbank komt tot toewijzing van de vordering, dient het bedrag te worden gematigd. Ten slotte heeft de verdediging gesteld zich niet te kunnen verenigen met de gevorderde proceskostenveroordeling.

De beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte is vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Voor wat betreft het verzoek over te gaan tot een tegemoetkoming ten laste van de staat, is de rechtbank van oordeel dat daartoe geen wettelijke grondslag bestaat. De advocaat van de benadeelde partij heeft bij het verzoek verwezen naar een uitspraak van de rechtbank
Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2016:9089), waarin aan artikel 14 van de Europese richtlijn 2012/29/EU directe werking is toegekend. Dit artikel ziet op het recht op vergoeding van kosten. De richtlijn is inmiddels geïmplementeerd bij Wet van 8 maart 2017 (Stb. 2017, 90). Het recht op vergoeding van kosten is niet opgenomen in die wet. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat het toekennen van een recht op vergoeding van kosten die uit de strafprocedure voortvloeien jegens de overheid een wetswijziging zou impliceren waartoe de richtlijn niet verplicht. Er is dus kennelijk bewust vanaf gezien. Aan het verzoek van de benadeelde partij kan dan ook niet worden voldaan.

4 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: zilverkleurig vuurwapen (mogelijk imitatie);

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: zilverkleurig vuurwapen (pistool) van Double Eagle Pak 9mm;

 gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan de rechthebbende, te weten: een geldbedrag van € 28.800,--;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [getuige]

 verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en
mr. P.J.C. Cremers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juli 2019.

1 Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van een verborgen ruimte [adres 1] Apeldoorn, p. 666.

2 Het proces-verbaal van onderzoek wapen, p. 836-837.