Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3436

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3735
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herinvesteringsreserve. Voornemen tot herinvestering? Vergoeding immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-08-2019
V-N Vandaag 2019/1824
FutD 2019-2081
FutD 2019-2082
NLF 2019/1930 met annotatie van Ronald Russo
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/3735

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 29 juli 2019

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2010 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 5.841.639. Tevens is bij beschikking € 173.121 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 mei 2018 de aanslag verminderd tot € 341.639. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 29 juni 2018, ontvangen door de rechtbank op 2 juli 2018, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019.

Namens eiseres zijn verschenen [A] , [B] , [C] en de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , drs. [D] en
mr. [E] .

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is voor 100% aandeelhouder van [F] BV, die op haar beurt alle aandelen houdt in [G] BV. Alle drie de vennootschappen zijn gevoegd in een fiscale eenheid voor de Vpb, waarvan eiseres de moedermaatschappij is.

2. [A] is middellijk aandeelhouder van eiseres (48,5%). De overige aandelen in eiseres zijn (middelijk) in handen van [M] .

3. [A] is middelijk eveneens gerechtigd tot de helft van de aandelen in [H] BV. De middellijk aandeelhouder voor de ander helft van de aandelen in [H] BV is [I] .

4. Op 10 september 2007 verkoopt [G] BV een fabriek aan de [A-straat 1] te [Q] voor een bedrag van € 1.700.000. De fiscale boekwaarde van de onroerende zaak bedroeg op dat moment € 921.073. In de aangifte Vpb over het jaar 2007 doteert eiseres de gerealiseerde boekwinst van € 713.544 (€ 1.700.000 -/- € 921.073) aan een herinvesteringsreserve (HIR).

5. Op 30 december 2010 sluit [G] BV met [J] BV, een vennootschap waarin [I] middellijk voor de helft gerechtigd is, een overeenkomst tot koop van een drietal appartementen en een woonhuis (hierna: de woningen) aan de [A-straat 2] te [Z] voor een koopsom van € 1.662.400. De woningen worden uiteindelijk geleverd aan eiseres op 1 februari 2011. Voor het kunnen voldoen van de koopsom wordt een lening aangetrokken van [K] BV, de persoonlijke houdstermaatschappij van [A] .

6. Tot de gedingstukken hoort een memo van 11 januari 2011, waarin onder meer het volgende staat opgenomen:

“Het voorstel om [G] te verkopen
Vanwege de hoogte van de investering en de benodigde financiering die de leencapaciteit van
de groep frusteert, is het de bedoeling van de [L] om de vennootschap zo snel
mogelijk te verkopen”

7. Eveneens op 1 februari 2011 worden de aandelen in [G] BV overgedragen aan [H] BV.

Geschil

8. In geschil is de aanslag Vpb over het jaar 2010. In het bijzonder is in geschil of eiseres een voornemen heeft tot herinvesteren als bedoeld in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), dan wel of de ruilarresten kunnen worden toegepast.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat indien de rechtbank van oordeel is dat geen voornemen tot herinvestering aanwezig is op grond van de foutenleer vrijval dient te plaats te vinden het oudste openstaande jaar, te weten 2010.

Beoordeling van het geschil

Herinvesteringsvoornemen

10. Uit artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) in verbinding gelezen met artikel 3.54, eerste lid, van de Wet IB 2001 volgt dat indien bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten winst het verschil gereserveerd kan worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van vervreemding of in de daarop volgende drie jaren worden aangeschaft of voortgebracht, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat (herinvesteringsreserve).

11. Daarvoor is onder meer vereist dat een zogenoemd herinvesteringsvoornemen bij de belastingplichtige bestaat. De belastingplichtige is in beginsel vrij al dan niet een herinvesteringsreserve te vormen, waarbij geldt dat de keuze pas hoeft te blijken op de balans van het jaar van vervreemding. Wanneer wordt gekozen voor vorming van een herinvesteringsreserve moet ingeval de vervanging van een bedrijfsmiddel niet plaatsvindt in het boekjaar van de vervreemding zelf, de reservering van de boekwinst op de balans tot uitdrukking komen in de vorm van een herinvesteringsreserve. Daarvoor is voldoende dat het voornemen tot vervanging op balansdatum aanwezig was. Voor instandhouding van die reservering dient het herinvesteringsvoornemen echter vervolgens onafgebroken aanwezig te zijn (HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6705).

12.
Aangezien eiseres een beroep doet op artikel 3.54 van de Wet IB 2001, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat op haar de last rust om de feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat zij een vervangingsvoornemen had.

13. Eiseres stelt in dit verband dat:
- van meet af aan besloten is dat geherinvesteerd zal worden en dat dit voornemen schriftelijk is vastgelegd in een directiebesluit van 30 december 2007;
- er voldoende liquide middelen zijn aangehouden om te kunnen herinvesteren;
- overleg is geweest met de adviseur en met relaties over mogelijke investeringen;
- een vastlegging heeft plaatsgevonden van het onroerend goed dat werd aangeboden. Daarnaast wordt volgens eiseres de aanwezigheid van een herinvesteringsvoornemen bevestigd door de opname van de HIR in de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2007 tot en met 2009. Tot slot blijkt uit de omstandigheid dat daadwerkelijk is geherinvesteerd dat het voornemen tot herinvesteren continu aanwezig is geweest.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres haar voornemen tot herinvestering niet aannemelijk heeft gemaakt. Blijkens het directiebesluit van 30 december 2007 is besloten dat de fiscale boekwinst die verband houdt met de verkoop van de fabriek aan een HIR te doteren. Tevens is opgenomen dat de directie voornemens is op zoek te gaan naar een vervangend bedrijfsmiddel. Ondank herhaalde verzoeken daartoe heeft eiser echter niet of nauwelijks bescheiden overgelegd die haar voornemen onderbouwen, aldus verweerder. Er zijn slechts twee investeringsdocumenten overgelegd. Beide dateren volgens verweerder van 2010. Daar komt bij dat de onroerende zaken zijn verkregen van een gelieerde partij, aldus verweerder. Niet gebleken is dat de verkregen onroerende zaken ook te koop zijn aangeboden aan derden. De verkooptransactie is volgens verweerder alleen maar ingegeven door fiscale motieven. Dat de aankoop alleen heeft plaatsgevonden om nadelige fiscale gevolgen van het vrijvallen van de herinvesteringsreserve te voorkomen wordt volgens verweerder tevens bevestigd door de notitie van 11 januari 2011 en de verkoop van de aandelen in [G] BV op 1 februari 2011. Er bestond derhalve feitelijk geen herinvesteringsvoornemen.

15. Vast staat dat eiseres in een directiebesluit van december 2007 haar voornemen tot herinvestering kenbaar heeft gemaakt en dat zij in de aangifte vpb over de jaren 2007 tot en met 2009 een herinvesteringsreserve heeft gevormd en in stand gelaten. Niet in geschil is dat eiseres daadwerkelijk is overgegaan tot aanschaf van een bedrijfsmiddel met eenzelfde economische functie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres geslaagd is in de op haar rustende bewijslast, in die zin dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de betreffende jaren een herinvesteringsvoornemen had dat onafgebroken aanwezig is geweest.

16. De stelling, dat er feitelijk geen herinvesteringsvoornemen bestond omdat de aankoop alleen heeft plaatsgevonden om nadelige fiscale gevolgen van het vrijvallen van de herinvesteringsreserve te voorkomen leidt niet tot een ander oordeel. Deze door verweerder geschetste feiten en omstandigheden leiden immers niet tot de conclusie dat eiseres geen herinvesteringsvoornemen had. Zij kunnen mogelijk wel bijdragen aan de stelling dat er sprake is van fraus legis, maar dit is door verweerder niet gesteld.

17.
Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dient het belastbaar bedrag van de aanslag Vpb 2010 te worden vastgesteld op € 371.905 (negatief). De overige stellingen van eiseres behoeven geen bespreking.

18. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de belastingrente, zodat deze dienovereenkomstig wordt verminderd.

Vergoeding voor immateriële schade

19. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

20. Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

21. Het bezwaar is ontvangen op 4 augustus 2014 en de uitspraak van de rechtbank is gedaan in juli 2019. Dat betekent dat de procedure in eerste aanleg ruim 4 jaar en 11 maanden heeft geduurd (afgerond 5 jaar). Verweerder heeft er op gewezen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de redelijke termijn. Hij voert daartoe aan dat hij eiseres diverse malen de mogelijkheid heeft geboden om aan haar bewijslast te volden. Ondanks herhaalde verzoeken, kwamen de voor de behandeling van het bezwaar noodzakelijke feiten niet boven tafel. Gelet hierop was hij genoodzaakt een feitenonderzoek in te stellen. In hetgeen is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een verlenging van de termijn. In het onderhavige geval rust de bewijslast voor het aannemelijk maken van het herinvesteringsvoornemen op eiseres. Dat verweerder er onder deze omstandigheden niettemin voor kiest om eiseres diverse malen de mogelijkheid te bieden te voldoen aan haar bewijslast en een feitenonderzoek in te stellen is dan een keuze van verweerder die niet kan leiden tot verlenging van de redelijke termijn.

22. De uitspraak op bezwaar dateert van 25 mei 2018. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Daarom zal verweerder worden veroordeeld in totaal € 3.000 aan immateriële schade te vergoeden.

23. De rechtbank vindt aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag Vpb 2010 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 371.905 negatief en stelt het verlies vast op € 371.905;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 3.000;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.024;

  • -

    draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 338 aan eiser te vergoeden

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, mr. A.M.F. Geerling en
mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van drs. S. Lensink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 29 juli 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.