Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3386

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
05/720308-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank vindt bewezen dat een man van 28 vorig jaar in Nijmegen brand heeft gesticht en een ontploffing heeft veroorzaakt, waarbij er niet alleen gevaar was voor goederen, maar ook voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar.

De rechtbank legt achttien maanden gevangenisstraf op.

De man heeft niet voldoende meegewerkt aan onderzoek naar zijn psychische situatie. Ook zonder een advies van deskundigen kan de rechtbank de maatregel van tbs opleggen. De rechtbank is van oordeel dat er ten tijde van het stichten van de brand bij de man een stoornis aanwezig was. Ook vindt de rechtbank dat er een kans is dat de man opnieuw een delict pleegt waarbij goederen of personen in gevaar komen. Daarom legt de rechtbank de maatregel van tbs met dwangverpleging op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720308-18

Datum uitspraak : 15 juli 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in het HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen in Zutphen.

Raadsvrouw: mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes, advocaat te Malden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juli 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 augustus 2018 in de gemeente Nijmegen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht in (een kamer van) een woning aan de [adres] , door open vuur in aanraking te brengen met (een) aanmaakblokje(s) en/of benzine en/of (brand)spiritus en/of een of meerdere kledingstukken en/of een of meer boek(en), althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan de muren en/of deuren en/of de vloer en/of

het plafond en/of andere zich in die woning bevindende goederen en/of omliggende wooneenheden en/of woningen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand en/of ontploft, althans ten gevolge waarvan brand is ontstaan en

- daarvan gemeen gevaar voor goederen is die woning en/of omliggende woningen/panden te duchten was en/of

- daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel aanwezig was voor zich op dat moment in die woning bevindende bewoners en/of bewoners van omliggende panden te duchten was.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Er is onderzoek gedaan naar het op 30 augustus 2018 ontstaan van een brand in een pand aan de [adres] in Nijmegen. Het pand bestaat uit meerdere woningen en wooneenheden.2

Verdachte heeft brand gesticht in zijn kamer in het pand. Hij heeft vijf liter benzine en een liter brandspiritus gekocht. In zijn kamer heeft hij alles overhoop getrokken, boekenkasten en kleren, en toen heeft hij er spiritus overheen gegooid en vervolgens benzine. Verdachte is zijn kamer uitgegaan en op de trap gaan staan. Hij stak een aanmaakblokje aan en gooide dit naar binnen, maar er gebeurde niets. Het tweede blokje was ‘jackpot’ en er klonk een knal. Het glas vloog kapot.3

De kamer van verdachte is helemaal uitgebrand. Het plafond lag op de grond en de vloer was uitgebrand. Er lagen stukken uit de muren op de grond. Een deel van het trappenhuis was uitgebrand en overal lagen glasscherven. Kozijnen en deuren waren vernield. Ook omliggende woningen hebben roetschade opgelopen en er zijn muren beschadigd. Het raam en het kozijn van de kamer van verdachte zijn door de explosie in de tuin terecht gekomen.4

De kamer van een medebewoner is niet meer bewoonbaar en zijn goederen zijn beschadigd.5 Ook meubels, kleding en elektronica van een andere medebewoner zijn beschadigd.6 Het plafond in de benedenwoning was kapot.7

Een medebewoner, die een kamer op dezelfde verdieping als verdachte bewoont en thuis was, moest door de brand de woning ontvluchten.8 Een bewoner van Voorstadslaan 145 stond op het moment van de explosie op straat, ter hoogte van de woning op nummer 139.9

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht, waardoor gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen is ontstaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat kan worden bewezen dat verdachte brand heeft gesticht en dat daardoor schade is ontstaan aan de woning en de daarin aanwezige goederen.

Verdachte heeft nooit de bedoeling gehad een grote brand en een explosie te veroorzaken, met gevaar voor bewoners en omwonenden. Van die onderdelen moet hij worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Opzet op het teweegbrengen van een ontploffing

De rechtbank begrijpt uit de verklaring van verdachte dat hij alleen brand wilde stichten in zijn eigen kamer. Voor beantwoording van de vraag of hij opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het ontstaan van een ontploffing is het volgende van belang.

De kamer van verdachte is ongeveer 3 bij 4 meter groot. Uit het sporenonderzoek volgt dat er op vier verschillende plekken in de kamer van verdachte een indicatie is voor de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistof. Door het uitgieten van ontbrandbare vloeistof is er een explosief gas/lucht mengsel ontstaan dat op enig moment tot ontsteking is gebracht, met een explosie en een brand tot gevolg.10

Het is een feit van algemene bekendheid dat benzine en brandspiritus vluchtige brandstoffen zijn, die bij contact met de vrije lucht, verdampen en daardoor een lucht/brandstof mengsel vormen. Door de werkwijze van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een aanmerkelijke kans ontstaan dat er een ontploffing zou plaatsvinden. Verdachte heeft die kans ook bewust aanvaard door in een relatief kleine ruimte vuur in aanraking te laten komen met die brandbare en vluchtige stoffen. Kennelijk was verdachte ook beducht voor het effect van de brandstichting, nu hij de brand van buiten zijn kamer heeft ontstoken, door aanmaakblokjes vanuit het trappenhuis zijn kamer in te gooien. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte ook opzet heeft gehad op het ontstaan van een ontploffing.

Het door de brand en de ontploffing ontstane gevaar

Bij beoordeling van de vraag of sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen en/of van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel moet worden gekeken welk gevaar naar algemene ervaringsgegevens voorzienbaar was ten tijde van de brandstichting. Wat verdachte zelf heeft voorzien, is in dit verband niet van belang.

In het proces-verbaal van sporenonderzoek is geschreven dat het pand een uit bakstenen opgetrokken bouwwerk is met houten verdiepingsvloeren en een kapconstructie met bitumen en deels met dakpannen bedekt. Het pand maakt deel uit van een aaneengesloten rij woningen. Omdat de kamer deel uitmaakt van een pand met meerdere wooneenheden, was het zeker niet uit te sluiten dat de wooneenheden met de daarin aanwezige personen en goederen gevaar liepen bij verdere uitbreiding van de brand. Geconcludeerd wordt dat gemeen gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar te duchten waren.11

Gelet op de inrichting en situering van het pand is de rechtbank van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen in de andere kamers en wooneenheden in het pand naar algemene ervaringsgegevens te duchten was.

Naar het oordeel van de rechtbank was er ook levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten, onder andere omdat er een medebewoner thuis was ten tijde van de brand.12 Dat verdachte meende dat er niemand thuis was, doet hieraan niet af. Verdachte bewoonde een pand waar ook anderen woonden en hij heeft niet gecontroleerd of er ten tijde van de brandstichting daadwerkelijk iemand thuis was. Bovendien was er ook gevaar voor bewoners van omliggende panden, gelet op de situering van de kamer van verdachte.

Omdat voor een bewezenverklaring niet is vereist dat verdachte opzet op deze gevolgen moet hebben gehad, slaagt het verweer van de verdediging niet.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 30 augustus 2018 in de gemeente Nijmegen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht in (een kamer van) een woning aan de [adres] , door open vuur in aanraking te brengen met (een) aanmaakblokje(s) en/of benzine en/of (brand)spiritus en/of een of meerdere kledingstukken en/of een of meer boek(en), althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan de muren en/of deuren en/of de vloer en/of

het plafond en/of andere zich in die woning bevindende goederen en/of omliggende wooneenheden en/of woningen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand en/of ontploft, althans ten gevolge waarvan brand is ontstaan en

- daarvan gemeen gevaar voor goederen in die woning en/of omliggende woningen/panden te duchten was en/of

- daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel aanwezig was voor zich op dat moment in die woning bevindende bewoners en/of bewoners van omliggende panden te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

6 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden en dat daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte een first offender is en hij veel spijt heeft van zijn daad. Zij heeft verzocht het onvoorwaardelijk deel van de straf te beperken tot de tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een ontploffing teweeg gebracht en brand gesticht in zijn kamer. Daarmee heeft hij anderen in gevaar gebracht en veel schade toegebracht aan eigendommen van andere mensen. De gevolgen voor de medebewoners en eigenaren van het pand zijn groot, niet alleen materieel en financieel maar ook psychisch.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, zeker ook gelet op de risico’s voor anderen, een forse gevangenisstraf rechtvaardigt. Naar haar oordeel kan niet worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als de reeds ondergane voorlopige hechtenis. De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van achttien maanden passend.

De officier van justitie heeft daarnaast oplegging van de maatregel van tbs met dwangverpleging gevorderd. De rechtbank overweegt het volgende.

Voor oplegging van de maatregel van tbs is vereist dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Verdachte is geobserveerd in het Pieter Baan Centrum. In het rapport van 14 juni 2019 is vermeld dat verdachte heeft geweigerd (volledige) medewerking te verlenen. Er kan door de deskundigen geen uitspraak worden gedaan over het al dan niet aanwezig zijn van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis ten tijde van het tenlastegelegde.

De rechtbank kan echter ook zelf vaststellen dat ten tijde van het delict sprake was van een psychische stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in het geval de deskundigen die vaststelling niet hebben kunnen doen. De rechtbank zal in dat geval grote behoedzaamheid moeten betrachten en de beslissing dient voldoende steun te vinden in hetgeen de gedragsdeskundigen wel hebben kunnen vaststellen en hetgeen de rechtbank verder is gebleken, zoals volgt uit het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 18 mei 2011 (ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4981).

De rechtbank overweegt dat in het rapport van het Pieter Baan Centrum is geconcludeerd dat uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren komen voor een ontwikkelingsstoornis of een psychotische, bipolaire of angststoornis. Wel zou verdachte somberheidsklachten hebben gehad. Of er een depressieve episode is geweest, kan niet worden vastgesteld of uitgesloten. Het is goed voorstelbaar dat hij meer lijdenslast ervaart dan hij laat zien.

In het onderzoek zijn aanwijzingen naar voren gekomen voor een afwijkende persoonlijkheidsconstellatie. Op circa 17-jarige leeftijd is door een ambulant centrum

een gedragsstoornis vastgesteld waarbij een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling met het risico op een antisociale persoonlijkheidsstoornis wordt beschreven. Zo zou er sprake zijn van forse grensoverschrijdende gedragingen, een gebrek aan gewetenswroeging en het ervaren van een kick bij zijn criminele gedragingen. Enkele maanden later is tijdens een gedwongen plaatsing binnen JJI Het Poortje (van 13 maart 2009 tot 23 juni 2009) bij verdachte een gedragsstoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, richting een antisociale persoonlijkheidsstoornis, vastgesteld. In het rapport van het Pieter Baan Centrum wordt geconstateerd dat sprake is van een langer bestaand patroon van afwijkende cognities, affecten en interpersoonlijk functioneren van een meer raakbare narcistische signatuur.

Er is volgens de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum sprake van een narcistische persoonlijkheidsdynamiek. Dit uit zich in cynisme en devaluerend gedrag. Verdachte geeft zich weinig rekenschap van de gevoelens van een ander, hoewel zijn empathische vermogens op cognitief niveau in tact zijn. Verder stelt hij zich neerbuigend op en heeft hij soms moeite nuance aan te brengen in zijn denken. Deze gedragskenmerken kunnen worden geduid als narcistische persoonlijkheidstrekken.

Verdachte heeft bij de politie verklaard over de periode voor de brandstichting. Volgens hem was de brand het gevolg van een jaar ellende. Als je het leven als een survival of the fittest ziet, heeft hij een gigantische nederlaag geleden. Hij is teleurgesteld in zichzelf en het stichten van de brand is een escape geweest. Verdachte heeft de brand gesticht omdat hij de gevangenis in wilde en dit de zekerheid bood dat dat zou gebeuren. Anders was hij van de Waalbrug gesprongen. “Ik ben op”, zo heeft verdachte verklaard. Hij moest iets doen dat krankzinnig is en buiten de wet valt. Verdachte heeft ook gedacht over het neersteken van een dakloze, maar dat vond hij heel bizar en daarom heeft hij gekozen voor het in brand steken van zijn kamer. De brand was geen impulsactie. “De strijd was gestreden en het spel gespeeld”, aldus verdachte kort na zijn aanhouding.

De reclassering heeft op 31 augustus 2018, de dag na de brand, een rapport uitgebracht. Daarin is vermeld dat verdachte in augustus had bedacht dat hij absoluut niet dakloos wilde worden en hij geen andere uitweg zag dan een delict te plegen om maar in de gevangenis te komen. Hij lijkt er weloverwogen over nagedacht te hebben. Verdachte heeft overwogen een dakloos persoon neer te steken, maar heeft er uiteindelijk voor gekozen zijn kamer in brand te steken. Verdachte ziet de toekomst somber in. “Het concept [naam 1] is dood”, zo heeft hij verklaard.

Op 14 september 2018 heeft er een trajectconsult plaatsgevonden. De psychiater heeft toen beschreven dat het dossier en de indruk die verdachte maakt in het korte gesprek het vermoeden geven dat sprake zou kunnen zijn van een Autisme Spectrum Stoornis. Hierbij worden de opmerking bij de reclassering dat ‘het concept [naam 1] dood is’, het sociale isolement, laconieke houding en de wat bizarre logica rondom de brandstichting genoemd.

Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij niet meer kon en de energie op was. Het was volgens verdachte geen impulsactie. Er was sprake van een maandenlange neerwaartse spiraal.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het rapport van het Pieter Baan Centrum en de overige informatie in het dossier, zoals hierboven weergegeven, dat bij verdachte ten tijde van de brandstichting sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens dan wel een gebrekkige ontwikkeling. Zij wijst er hierbij op dat er in 2009 een gedragsstoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling richting een antisociale persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld en dat niet gebleken is dat verdachte, na het afbreken van de plaatsing in Het Poortje in verband met zijn 18e verjaardag, hiervoor behandeling heeft ondergaan. Wel blijkt van een zorgelijke ontwikkeling van verdachte in de jaren hierna.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank dient te beoordelen of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging eist.

In het rapport van het Pieter Baan Centrum is beschreven dat er met betrekking tot het gevaar op herhaling enkele risicofactoren aanwezig zijn, te weten het gebrek aan steun vanwege beperkte tot afwezige contacten vanuit het primaire steunsysteem en een vermoedelijk beperkt sociaal netwerk, het op dit moment ontbreken van huisvesting, het niet hebben van concrete plannen voor de periode na detentie en het afwijzend staan tegenover hulpverlening. De bovengemiddelde intelligentie van verdachte en zijn vermogen tot goed financieel beheer zijn juist belangrijke beschermende factoren.

In het rapport van 24 mei 2019 heeft de reclassering vermeld dat er uit het dossier een zeer zorgelijk beeld naar voren komt en dat hulpverlening zeer noodzakelijk wordt geacht.

De rechtbank overweegt dat verdachte enkele weken voor 30 augustus 2018 besloot zijn kamer in brand te steken omdat hij, zo begrijpt de rechtbank, zijn (financiële) problemen niet meer de baas kon. Een ander idee van verdachte was om een dakloze neer te steken, maar dat heeft hij uiteindelijk niet willen doen.

Hij heeft tegen een van de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum gezegd dat hij een stuk rustiger was toen hij de beslissing om brand te stichten eenmaal had genomen. Hij was de verbittering voorbij, zo heeft hij verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank duidt het bovenstaande erop dat verdachte niet goed kan omgaan met problemen, verkeerde keuzes maakt en niet de nodige hulp zoekt. De rechtbank vindt verder belangrijk om te benoemen dat verdachte, ondank zijn bovengemiddelde intelligentie, zichzelf, na het nemen van de beslissing om brand te stichten, kennelijk ook niet heeft kunnen corrigeren en heeft afgezien van uitvoering van zijn plan. Hij is erin blijven geloven dat het in brand steken van zijn kamer de beste oplossing voor zijn problemen was. Op de dag van de brand heeft verdachte benzine en spiritus gekocht en heeft hij nog enige tijd in het park gezeten om afscheid te nemen van zijn tot dan bestaande leven, zo heeft hij verklaard. Hieruit volgt dat hij ook op dat moment niet heeft geaarzeld om zijn plan met betrekking tot de brand uit te voeren.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er een risico bestaat dat verdachte wederom strafbare feiten zal plegen waarbij de veiligheid van goederen en personen in gevaar komen. Hierbij is ook van belang dat de problemen van verdachte na detentie zeker niet minder groot zullen zijn geworden, in tegendeel.

Uit zowel de beschikbare rapporten als de verklaringen van verdachte ter zitting volgt dat hij behandeling weigert, ook als sprake is van dwang. Hij wil wel steun bij praktische zaken, zoals huisvesting. De rechtbank is van oordeel dat behandeling in een vrijwillig kader niet afdoende is maar dat een gedwongen behandeling noodzakelijk is om het recidiverisico te verminderen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat eerdere interventies niet lijken te hebben geholpen.

Daarom komt de rechtbank tot oplegging van de maatregel van tbs met dwangverpleging.

In dit verband overweegt zij dat het bewezenverklaarde delict een misdrijf is dat een gevaar oplevert voor de lichamelijke integriteit van een of meer personen.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen en de verzochte oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 1] en [benadeelde 2] , de eigenaren van het pand, hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. Zij vorderen een bedrag van

€ 16.998,29 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[benadeelde 3] , de medebewoner die thuis was ten tijde van de brand, heeft zich ook als benadeelde partij gevoegd. Hij vordert in totaal een bedrag van € 1.208,75, bestaande uit materiële schade van € 708,75 en immateriële schade van € 500,-, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen dienen te worden toegewezen, met vermeerdering van de bedragen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering van [benadeelde 1] zich niet leent voor afdoening in het strafproces en zij daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering. De materiële schade van [benadeelde 3] komt voor vergoeding in aanmerking. Van een gerichte aanval van verdachte op de benadeelde partij, zoals het geval was in de door [benadeelde 3] overlegde uitspraak, was in dit geval geen sprake.

De raadsvrouw heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel niet op de te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de door zijn handelen ontstane schade van [benadeelde 1] . De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [benadeelde 1] voldoende is onderbouwd en stelt vast dat deze niet is betwist voor wat betreft de hoogte van de gevorderde schade. De rechtbank wijst de vordering dan ook volledig toe.

Verdachte is naar burgerlijk recht ook aansprakelijk voor de schade van [benadeelde 3] . Het gevorderde bedrag aan materiële schade is niet door de verdediging betwist. In de enkele opmerking dat geen sprake was van een gerichte aanval door verdachte, ziet de rechtbank geen reden het gevorderde bedrag aan immateriële schade niet geheel toe te wijzen. Dat bedrag kan worden geschat en de rechtbank vindt het gevorderde bedrag billijk.

Gelet op de belangen voor de benadeelde partijen ziet de rechtbank geen reden niet tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel over te gaan.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van een bedrag van € 16.998, 29 (zestienduizend negenhonderd achtennegentig euro en negenentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2], een bedrag te betalen van € 16.998, 29 (zestienduizend negenhonderd achtennegentig euro en negenentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 119 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van een bedrag van € 1.208,75 (twaalfhonderdacht euro en vijfenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2018 voor wat betreft de immateriële schade en vanaf 15 juli 2019 voor wat betreft de materiële schade tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3], een bedrag te betalen van € 1.208,75 (twaalfhonderdacht euro en vijfenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2018 voor wat betreft de immateriële schade en vanaf 15 juli 2019 voor wat betreft de materiële schade tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 22 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J.M. Doon, voorzitter, mr. C. Kleinrensink en

mr. C.J.M. van Apeldoorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juli 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 2] , brigadier van de politie Oost Nederland, districtsrecherche Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2018460534 (onderzoek Bradford), gesloten op 15 oktober 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 107-110.

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 97-99 en het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, p. 80.

4 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde 2] , p. 15.

5 Proces-verbaal van aangifte [naam 3] , p. 12.

6 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde 3] , p. 17-18.

7 Proces-verbaal van aangifte [naam 4] , p. 21-22.

8 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde 3] , p. 17.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] , p. 52.

10 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 107-110.

11 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 107-110.

12 Proces-verbaal van aangifte, p. 17.